Wat is de drive van een mondzorgprofessional? Lees de interviews en blogs voor tandartsen, tandarts-specialisten, mondhygiënisten en ketens in de mondzorg.

Blog Jerry Baas

Blog: Tandarts tot in de dood

Eenmaal tandarts, altijd tandarts of houdt het op als je niet meer BIG-geregistreerd bent? Dit vroeg ik me af toen mijn vader onlangs overleed en we de rouwadvertentie gingen opstellen. Moest er naast echtgenoot, vader en opa ook nog tandarts komen te staan, ondanks dat hij al 27 jaar met pensioen was? Er is niet zomaar iemand dood gegaan, hij was namelijk tandarts.

De vraag is misschien wel of je tandarts bent of dat je alleen werkt als tandarts. Dus of je buiten de buiten de patiëntenbehandelingen ook nog veel met het vak bezig bent of niet. Zeg maar de bevlogen tandartsen, zonder dat ze perse lid hoeven zijn van die club en de tandartsen die hun snor drukken. Bevlogen zijn is een keuze, geen lidmaatschap.

In de tijd van mijn vader was bevlogen zijn geen keuze, want bijna iedereen was praktijkhouder met al het gedoe van dien. Hij had ook een eigen praktijk aan huis (met in het begin maar liefst 12000 patiënten) en maandelijks een zeer drukke weekenddienst. Het hele dorp wist wie hij was en waar hij woonde, dus hij werkte niet alleen als tandarts, hij was de tandarts. Bevlogen tegen wil en dank.

De werk-privé balans was in onbalans om over het gebrek aan privacy maar te zwijgen. Buiten werktijd dook hij onder in Muggenbeet, waar hij al vroeg in z’n carrière een tweede huis had gekocht, zoals de meeste tandartsen uit zijn tijd wel een stulpje elders hadden. Privacy was als dorpstandarts dan wel niet vanzelfsprekend, maar gelukkig wel te koop.

Na 30 jaar buffelen in de praktijk had m’n vader het wel gezien. Het was tijd om te stoppen met werken, maar ook tijd om te stoppen met het tandarts zijn. Hij verhuisde naar Muggenbeet om daar een nieuw leven te beginnen. Een leven in de natuur, zonder patiënten en drukke agenda’s. Het was tijd voor het grote genieten en daar hoorde geen tandheelkunde meer bij.

Uiteindelijk stond er geen ’tandarts’ in de rouwadvertentie, want dat was hij immers al heel lang niet meer. Toen een week later de rouwkaarten binnenstroomden, waren er toch verbazingwekkend veel van oud-patiënten, ondanks dat hij al 27 jaar met pensioen was. Mijn vader had dan allang het vak vaarwel gezegd, maar voor zijn patiënten was hij nog steeds hun tandarts, tot in de dood.

Jerry Baas, tandarts
Lees meer blogs

Lees meer over: Blog, Opinie
Ina Alberts

Hoe het orofaciale systeem tandpijn kan verklaren

Orofaciale fysiotherapie wint steeds meer aandacht binnen de mondzorg. Deze gespecialiseerde vorm van fysiotherapie richt zich op het behandelen van klachten in het gezicht, de kaak en de mond. In dit interview deelt Ina Alberts haar kennis over wat orofaciale fysiotherapie precies inhoudt en waar mondzorgverleners op moeten letten.

Kun je iets vertellen over hoe je in de orofaciale fysiotherapie terecht bent gekomen?

“Mijn interesse in orofaciale fysiotherapie ontstond tijdens mijn opleiding Manuele Therapie. Daar kreeg ik les van Anton de Weijer, die mij wegwijs maakte in evidence-based handelen en de wereld van orofaciale klachten, wat mij direct fascineerde. Na die ontdekking heb ik de driejarige specialisatieopleiding gevolgd aan het Radboud in Nijmegen. Inmiddels werk ik als orofaciaal fysiotherapeut en als fysiotherapeut/gnatholoog.”

Wat trok je aan in het werken met orofaciale klachten?

“Wat mij zo aanspreekt in dit vak, is dat alles samenkomt: klinisch redeneren, lichamelijke klachten, psychosociale factoren en bredere systeeminvloeden zoals hart- en vaatziekten, slaapstoornissen of zenuwproblematiek. Het orofaciale systeem is ongelooflijk complex en fijngevoelig, waarbij spanning, emoties, houding, slaap, ademhaling, spijsvertering en zenuwstructuren samenkomen. Omdat zoveel systemen elkaar raken, vraagt het om scherp klinisch redeneren. Soms kun je snel verlichting bieden, maar vaak draait het ook om het herkennen van onderliggende factoren en het openen van het juiste zorgpad. Het vermogen om zowel te behandelen als richting te geven in diagnostiek maakt dit vak voor mij bijzonder waardevol en sluit precies aan bij hoe ik graag met patiënten werk.”

Wat doet een orofaciaal fysiotherapeut precies?

“Als orofaciaal fysiotherapeut en fysiotherapeut/gnatholoog richt ik mij op het hele orofaciale domein: kaak, gezicht, hoofd en hals, maar ook op de bredere systemen die daarop ingrijpen. In de praktijk zie ik patiënten met klachten zoals kaakpijn, tandenknarsen, hoofdpijn, duizeligheid, oorsuizen, kauwproblemen en pijn in het hoofd-halsgebied. Veel mensen weten niet dat onze rol verder gaat dan alleen behandelen. Door mijn gnathologie-opleiding is het screenen op rode vlaggen het herkennen van dentale oorzaken en het systematisch beoordelen van orofaciale problematiek een vast onderdeel van mijn werk geworden. Ik werk volgens internationale classificaties zoals ICOP, ICHD-3 en DC/TMD, waardoor ik klachten nauwkeurig kan duiden en weet wanneer aanvullende diagnostiek of verwijzing nodig is. Daarbij breng ik altijd de biologische, psychologische en sociale context in kaart: van mondgewoontes, ademhaling of spierspanning, tot stress, angst of perfectionisme en sociale factoren zoals werkdruk of traumatische ervaringen. Het integreren van al deze aspecten is misschien wel het meest waardevolle deel van ons werk.”

“Orofaciale fysiotherapie is dus een breed en integraal vak. Ik vind het heerlijk om samen met de patiënt te onderzoeken wat er precies speelt: niet alleen ‘Wat doet pijn?’, maar vooral ‘Waarom? Wat houdt het in stand? Wat heeft jóúw lichaam nodig om te herstellen?’ Het mooiste vind ik dat de patiënt bepaalt het tempo en de stappen; ik loop mee als gids. Samen puzzelen we en dát maakt mijn werk iedere dag opnieuw betekenisvol.”

Welke klachten zie je het meest bij mondzorgpatiënten?

“Bij mondzorgpatiënten zie ik vaak typische orofaciale klachten, zoals kaakpijn, kaakklemmen, tandenknarsen, hoofdpijn rondom de slapen, pijn bij kauwen, praten of gapen, een beperkte mondopening en druk of pijn rond het kaakgewricht. Ook onverklaarbare tand- of kiespijn zonder dentale oorzaak komt regelmatig voor en kan zowel voor de patiënt als de mondzorgverlener erg frustrerend zijn, omdat de bron vaak in de spieren of zenuwstructuren ligt. Gelukkig herkennen mondzorgverleners deze klachten vaak al vroeg, aan signalen zoals slijtage, afdrukken op de tong of wangen, gespannen kauwspieren of patiënten die aangeven dat ze “iets met hun kaak doen” zonder het precies te weten.”

Welke minder voor de hand liggende signalen kunnen wijzen op een onderliggend orofaciaal probleem?

“Soms zijn signalen heel subtiel en worden ze niet meteen aan het orofaciale systeem gekoppeld. Een goed voorbeeld is onverklaarbare tandpijn. Als op een röntgenfoto een ontsteking zichtbaar is, is de oorzaak duidelijk dentogeen. Vaak bevindt de pijn zich echter in een grijs gebied. Patiënten komen bij mij nadat ze al meerdere wortelkanaalbehandelingen of extracties hebben gehad, terwijl de bron uit het kauwstelsel bleek te komen, zoals spieren, gewrichten of orofaciale zenuwstructuren. Andersom gebeurt het ook: soms lijkt het om kaak- of spierpijn te gaan, maar blijkt er een dentale focus te zijn. Dit wordt pas duidelijk door goede samenwerking en informatie-uitwisseling.”

“Daarom is respectvolle multidisciplinaire samenwerking tussen mondzorgverleners en orofaciale fysiotherapeuten zo belangrijk. Waar de mondzorgverlener tandheelkundige pathologie uitsluit of bevestigt, kijk ik naar het functioneren van spieren, gewrichten en het neurogene systeem. Wanneer beide invalshoeken samenkomen, ontstaat de duidelijkste diagnose en krijgt de patiënt het meest passende zorgpad.”

Hoe kunnen mondzorgverleners zorgen dat die multidisciplinaire samenwerking goed verloopt?

“De samenwerking werkt het beste wanneer we elkaar echt aanvullen in plaats van naast elkaar werken. Dat begint met heldere communicatie over de bevindingen, zoals welke dentale oorzaken zijn uitgesloten en welke signalen opvallen, bijvoorbeeld slijtage, afdrukken op de tong of wangen, overbelasting van de kauwspieren of een beperkte mondopening. Zo kan gerichter onderzocht worden op TMD, musculoskeletale factoren of bredere systeemproblemen. Het helpt ook als tandarts, mondhygiënist en orofaciaal fysiotherapeut dezelfde taal spreken en hetzelfde verhaal aan de patiënt vertellen. Zeker bij angst, chronische pijn of parafuncties geeft dat rust en duidelijkheid. Vroegtijdig schakelen is daarbij belangrijk; door subtiele signalen snel op te pakken, voorkom je dat klachten chronisch worden.”

“Elkaars vakgebied respecteren is essentieel. Soms is de oorzaak dentogeen, soms musculoskeletaal, vaak een combinatie. Door open te communiceren ontstaat een completer beeld van de patiënt, inclusief slaap, stress, ademhaling en andere psychosociale factoren. Goede samenwerking tussen tandarts, orofaciaal fysiotherapeut en patiënt maakt het traject sneller, effectiever en prettiger voor iedereen.”

Welke combinaties van klachten komen vaak voor en waar moeten mondzorgverleners op letten?

“In de praktijk zie ik een aantal typische combinaties die als rode vlaggen functioneren, zoals kaakpijn in combinatie met hoofdpijn en nekspanning, tandenknarsen of klemmen met oorpijn en beperkte mondopening, of onverklaarbare tandpijn bij stress. Dit zijn patronen waarbij het kauwstelsel, het hoofd-halsgebied en de neurogene structuren elkaar beïnvloeden.”
Voor mondzorgverleners zijn er waardevolle observaties die kunnen wijzen op een orofaciaal probleem. Denk aan slijtage die niet past bij het esthetisch of functioneel profiel van de patiënt, impressies van de tanden in de tong, linea alba in de wang, overmatig gespannen kauwspieren, een pijnlijke klik in het kaakgewricht, beperkte mondopening of een zigzagbeweging bij openen, een duidelijk opgejaagde of gespannen patiënt, of aanhoudende pijn nadat dentale problemen zijn uitgesloten of behandeld. Juist dat laatste is een belangrijk signaal. Wanneer de tandheelkundige kant klopt maar de klacht blijft bestaan, ligt de oorzaak vaak in het orofaciale systeem: spieren, gewrichten, zenuwstructuren of gewoontes. Het herkennen van deze combinaties maakt vroegtijdige doorverwijzing mogelijk en voorkomt veel onnodige zorg, frustratie en langdurige pijn voor de patiënt.”

Welke behandelingen of oefeningen gebruik je om deze klachten te verlichten?

“Ik werk met een combinatie van technieken en oefeningen die zowel lokaal als breder in het orofaciale systeem werken, zoals:

  • Spier- en fascia-technieken rondom kaak, gezicht en hals;
  • Mobilisaties van het kaakgewricht om de beweeglijkheid te verbeteren;
  • Ademhalings- en ontspanningsoefeningen, gericht op het hele hoofd-halsgebied;
  • Habit-reversal training, bijvoorbeeld om klemmen overdag te verminderen;
  • Oefeningen voor mondopening, tongpositie en kaakcontrole;
  • Coaching rondom stress en lichaamssignalen, zodat de patiënt leert de eigen spanning te herkennen.

“Het allerbelangrijkste in mijn werk is dat de patiënt zich gehoord voelt. Vooral bij TMD-klachten kan veel verlichting al komen door een goede uitleg en geruststelling. Mijn rol is om adviezen en oefeningen aan te reiken, begeleiding te geven en samen te bekijken welke stappen passen bij het tempo en de behoeften van de patiënt. Het mooiste moment is wanneer iemand merkt dat er al binnen een paar dagen verschil is, zowel fysiek als in het bewustzijn van de eigen spanning en mogelijkheden.”

Wat is de link tussen orofaciale pijn en slaapproblemen?

“Vaak fungeert het kauwstelsel als een waarschuwingslampje wanneer de slaap niet optimaal is. Vooral bij obstructief slaapapneu (OSAS) speelt dit een grote rol: bruxisme is dan vaak een functionele reflex waarmee het lichaam de luchtweg openhoudt, geen slechte gewoonte dus.
Patiënten met slaapstoornissen herkennen vaak klachten zoals ochtendhoofdpijn, hardnekkige vermoeidheid, onverklaarbare orofaciale pijn, concentratieproblemen en verhoogde prikkelbaarheid of somberheid. Slechte slaap maakt het zenuwstelsel gevoeliger voor pijn en verstoort het herstel van spieren en gewrichten, waardoor klachten terugkomen. Daarom is het bij aanhoudende orofaciale klachten belangrijk altijd ook naar slaap en ademhaling te kijken, en andersom. Dat helpt patiënten sneller op het juiste zorgpad.”

In je blog Tandenknarsen is soms het lichaam dat fluistert wat de stem niet durfde te zeggen, schrijf je over de rol van spanning en trauma bij kaakklachten. Wat wil je dat mondzorgverleners hiervan meenemen?

“Kaakklachten zijn zelden alleen een mechanisch probleem. Het kauwstelsel reageert sterk op spanning, emoties en soms oude of onverwerkte ervaringen. Voor sommige mensen is knarsen of klemmen geen gewoonte, maar een manier van het lichaam om met stress om te gaan, een subtiel signaal dat er iets uit balans is. Ik verwacht niet dat mondzorgverleners psychologen worden, maar het helpt enorm als zij herkennen dat er soms meer achter een klacht zit dan zichtbaar in de mond. Bijvoorbeeld bij patiënten die langdurig gespannen zijn, een trauma of verlies hebben meegemaakt, moeite hebben met ontspannen, perfectionistisch zijn of continu “aan” staan. De kaak reageert dan vaak als eerste.”
“Wat ik belangrijk vind, is dat we in de mondzorg niet te snel denken dat het probleem alleen maar een beet of een occlusie is. Soms is het kauwstelsel vooral overprikkeld door stress, slaaptekort of emotionele belasting, waardoor mensen letterlijk “hun kaken erdoorheen duwen” om staande te blijven. Mondzorgverleners kunnen veel betekenen door patiënten bewust te maken van deze factoren, niet direct te kiezen voor steeds meer tandheelkundige interventies en open te staan voor samenwerking met een orofaciaal fysiotherapeut of andere disciplines wanneer klachten steeds terugkeren. Het mooiste is wanneer een patiënt zich gezien en serieus genomen voelt, niet alleen om de tanden, maar als geheel mens. Dáár begint vaak al verlichting, en vanuit die plek kan samen verder worden gebouwd aan herstel.”

Wat zijn de meest verrassende of minder bekende oorzaken van kaak- of hoofdklachten die je in de praktijk bent tegengekomen?

“In mijn praktijk kom ik regelmatig oorzaken tegen die mensen nooit spontaan aan hun kaak zouden koppelen, die soms zelfs verrassend zijn voor zorgverleners. Zo leidt dagelijkse ‘microstress’ vaak tot onbewust klemmen, waarbij de kaak uren per dag actief is zonder dat iemand het merkt. Ook een verkeerde ademhaling (hoog, snel of door de mond) kan spanning veroorzaken in kaak, nek en aangezicht, net als beeldschermgedrag waarbij het hoofd voorover hangt of de schouders gespannen zijn. Onbewuste gewoontes zoals nagelbijten, lipzuigen, tongpersen of tanden op elkaar zetten tijdens concentratie zijn eveneens veelvoorkomende, maar vaak onzichtbare triggers. Bij specifieke aandoeningen zoals Ehlers-Danlos of neurofibromatose verloopt het klachtenbeeld weer anders; hypermobiliteit, instabiliteit, neurologische pijn of asymmetrie vragen om een andere manier van kijken en behandelen.”

“De rode draad is dat kaak- en hoofdklachten zelden één duidelijke oorzaak hebben. Ze vragen nieuwsgierigheid, samenwerking en het vermogen om verder te kijken dan alleen de mond.”

Wanneer is het volgens jou verstandig dat een tandarts of mondhygiënist een patiënt doorverwijst naar een orofaciaal fysiotherapeut?

“Wanneer klachten niet goed te verklaren zijn, terugkeren of niet verbeteren ondanks adequate mondzorg. Denk aan aanhoudende kaak-, hoofd- of aangezichtspijn, onverklaarbare tandpijn, kauwproblemen of beperkte mondopening, tekenen van parafuncties of bruxisme of verdenking op TMD of musculoskeletale oorzaken. Ook bij twijfel kan verwijzen helpen, juist door de overlap tussen dentale en orofaciale pijn.”

Waar kunnen mensen een gespecialiseerde orofaciaal fysiotherapeut vinden? Is er een officiële registratie of beroepsvereniging?

“Een gespecialiseerde orofaciaal fysiotherapeut kun je vinden via websites zoals www.defysiotherapeut.com. Een geregistreerde orofaciaal fysiotherapeut heeft een erkende post-HBO of masteropleiding afgerond en werkt volgens de nieuwste richtlijnen rondom orofaciale pijn en TMD. In Nederland worden deze opleidingen aangeboden aan onder andere de HAN University of Applied Sciences en SOMT University of Physiotherapy.”

Interview door Ilona van der Werf met Ina Alberts, Gnatoloog, Orofaciaal fysiotherapeut, Manueel therapeut, Mimetherapeut, Acceptance and Commitment Therapist bij Fysiosmile.

Lees ook het blog: Tandenknarsen is soms het lichaam dat fluistert wat de stem niet durfde te zeggen

Lees meer over: Interview, Medisch | Tandheelkundig, Opinie
Blog Ina Alberts

Blog: Tandenknarsen is soms het lichaam dat fluistert wat de stem niet durfde te zeggen

Ze zat tegenover me. 45 jaar, krachtige uitstraling. Tandenknarsen, hoofdpijn, kaakklachten – al járen. “Ik heb alles geprobeerd,” zei ze. Splint, bitje, massage, tandarts. Maar het bleef terugkomen.

Toen werd het stil.

Langzaam kwamen de woorden: “Er is iets wat ik nog niet eerder verteld heb…”

Ze vertelde over misbruik, jaren geleden. Iets wat ze diep had weggestopt. Maar haar lichaam had het nooit vergeten. Nacht na nacht hield haar kaak vast wat ze overdag probeerde los te laten.

Als orofaciaal fysiotherapeut zie ik dit vaker dan mensen denken.
Kaakklachten zijn zelden puur mechanisch. Tandenknarsen is niet alleen een ‘bijtgewoonte’, het is soms het lichaam dat zegt: ik heb te lang gezwegen.

De kaak is een krachtig, gevoelig systeem – en het is een plek waar spanning zich makkelijk nestelt:

Kaken op elkaar bij spanning
Adem inhouden bij onveiligheid
Fronsen bij controleverlies
Schouders omhoog bij alertheid
Voor deze vrouw was dat al 30 jaar het patroon. Tot haar lijf begon te protesteren.

In de behandelkamer werken we zacht, met aandacht en zonder oordeel.
Ik geef oefeningen, ja. Ademhaling. Bewustwording. Lichte mobilisaties. Maar misschien nog belangrijker: ik geloof haar lichaam. En ik zie wat ze al die tijd gedragen heeft.

Soms is fysiotherapie een ingang naar herstel. Geen grote stappen, maar kleine verzachtingen. Elke sessie een beetje meer ruimte.

Deze vrouw is niet alleen.
In mijn praktijk zie ik vaker mensen met een trauma-achtergrond die jarenlang ‘gewoon doorgingen’. Sterk. Zorgzaam. Vaak ook perfectionistisch. En ineens zegt het lijf: stop.

Herkent een patiënt zich in dit verhaal?

Vertel hem/haar dan:
Je hoeft het niet alleen te doen.
Je lijf is niet je vijand.
En ja, er is hulp – veilig, rustig, afgestemd.

Ina Alberts, Gnatoloog, Orofaciaal fysiotherapeut, Manueel therapeut, Mimetherapeut, Acceptance and Commitment Therapist bij Fysiosmile
Lees meer blogs

Lees meer over: Blog, Opinie

Mondhygiënist in het ziekenhuis: zorg in een kwetsbare tijd

Wendy van der Goot-Roggen is mondhygiënist in het UMCG en werkt dagelijks met patiënten met complexe medische aandoeningen, waaronder hoofd-hals-oncologiepatiënten. In dit interview deelt Wendy haar ervaringen en vertelt ze hoe goede mondzorg bijdraagt aan het welzijn en de kwaliteit van leven van deze patiënten.

Wendy, kun je wat meer vertellen over jouw achtergrond in de tandheelkunde?

“In 2006 rondde ik de bacheloropleiding Mondzorgkunde af. Na mijn studie ging ik aan de slag in zowel een tandartspraktijk als een mondhygiënistenpraktijk. Dat was een fijne en leerzame start, waarin ik veel ervaring opdeed binnen de algemene mondzorg. Ik werkte daar zo’n anderhalf jaar, toen mijn vader mij wees op een vacature voor mondhygiënist in het UMCG, op de MKA-afdeling. Die tip zette mij aan het denken en uiteindelijk besloot ik te solliciteren. En dat bleek een goede keuze te zijn, want inmiddels werk ik hier al zo’n achttien jaar.”

Wat maakt het werk als mondhygiënist in het ziekenhuis anders dan in een reguliere praktijk?

“Het belangrijkste verschil is dat ik patiënten begeleid die vaak een complexe medische achtergrond hebben. Terwijl ik, net als in een reguliere praktijk, tandsteen verwijder, preventietips geef en help de mond gezond te houden, doe ik dit in het ziekenhuis bij mensen die intensieve behandelingen ondergaan of ernstig ziek zijn. Soms behandel ik hen aan bed op de afdeling, soms tijdens een spreekuur, vaak op momenten die emotioneel of ingrijpend zijn. Dit vraagt om extra persoonlijke aandacht en zorgvuldigheid en maakt mijn werk bijzonder betekenisvol. Daarnaast werk ik nauw samen met andere specialismen zoals kaakchirurgen, tandartsen en oncologen. Hierdoor wordt mondzorg een volwaardig onderdeel van de totale zorg en kunnen we patiënten optimaal ondersteunen in een kwetsbare periode.”

Met welke patiëntengroepen werk je voornamelijk?

“Het merendeel van de patiënten, zo’n 80%, zijn hoofd-hals-oncologiepatiënten. Bij deze groep is mondzorg extra belangrijk, omdat behandelingen zoals bestraling of operaties een grote impact kunnen hebben op de mondgezondheid. Het is daarom essentieel dat hun mond zo gezond mogelijk blijft, vóór, tijdens en na de behandeling.

“Daarnaast begeleid ik patiënten met andere speciale zorgvragen. Dat kunnen kinderen en volwassenen met aangeboren afwijkingen zijn, mensen met een verstandelijke beperking of patiënten die een orgaantransplantatie moeten ondergaan. Bij deze laatste groep is het cruciaal dat er geen ontstekingen of andere mondproblemen aanwezig zijn, omdat dit een transplantatie en het herstelproces flink kan bemoeilijken.”

Met welke behandelingen van kanker krijg jij in jouw werk het meest te maken?

“De patiënten die ik behandel ondergaan vaak bestralingen, operaties of een combinatie van beide. Deze behandelingen hebben een grote impact op de mondgezondheid. Zo kunnen de speekselklieren beschadigd raken, waardoor de mond droog wordt en het risico op ontstekingen en gaatjes aanzienlijk toeneemt. Daarnaast ontstaan regelmatig blaren en wondjes in de mond, waardoor eten, spreken en de dagelijkse mondverzorging flink bemoeilijkt worden. Het vraagt daarom om extra aandacht en zorg om de mond gezond te houden tijdens zo’n intensieve behandeling.”

In welke fase van het behandeltraject word jij als mondhygiënist betrokken?

“Als mondhygiënist word ik vaak al in een heel vroeg stadium van het behandeltraject betrokken, soms nog voordat de diagnose helemaal zeker is, maar er wel sterke vermoedens zijn. Dat zijn vaak emotionele tijden voor patiënten en juist daarom is het belangrijk dat wij er vroeg bij zijn om ondersteuning te bieden en de mondzorg mee te nemen in het hele traject.”

“Zodra de diagnose is gesteld, voer ik een focus-onderzoek uit. Dat is een uitgebreid onderzoek van de mond om te bekijken hoe het ervoor staat en of er bijvoorbeeld ontstekingen, cariës of andere mogelijke problemen zijn die de behandeling zouden kunnen bemoeilijken. Hierbij kijken we ook naar röntgenfoto’s en de parodontiumstatus om te bepalen welke tanden of kiezen eventueel verwijderd moeten worden. Wanneer het behandelplan bekend is, bepalen wij welke mondzorg voor de behandeling nodig is. Omdat de behandeling vaak snel moet starten, gaat het meestal om het verwijderen van acute problemen en risico’s. Daarnaast voeren we een grondige gebitsreiniging uit, zodat de mond zo gezond mogelijk is voor de start van de behandeling. Ook maken we fluoridekappen. Eerst nemen we een afdruk van het gebit van de patiënt, zodat de kapjes precies op maat gemaakt kunnen worden. Deze worden gevuld met fluoridegel en patiënten dragen ze tijdens en na de behandeling drie keer per week. Deze kappen beschermen het gebit tegen cariës en verzachten de effecten van een droge mond, iets wat vaak voorkomt bij bijvoorbeeld bestraling.”

Hoe kan jij als mondhygiënist helpen tijdens de intensieve behandelingen?

“Tijdens de behandeling ondersteun ik patiënten om hun mond zo gezond mogelijk te houden. Als patiënten op afspraak komen, spoel ik vaak met een zoutoplossing om de mond rustig en schoon te houden en verwijder ik, waar mogelijk, tandsteen. Omdat behandelingen zoals operaties de mondsituatie kunnen veranderen, laat ik patiënten zien hoe ze hun tanden en kiezen het beste kunnen poetsen met een zachte tandenborstel en, indien nodig, verschillende soorten ragers gebruiken om ook moeilijk bereikbare ruimtes schoon te houden.”

Wat kan goede mondzorg betekenen voor het verloop van de kankerbehandeling zelf?

“Door de mond gezond te houden, wordt de kans verkleint op infecties, pijnlijke zweertjes of ontstekingen die anders een chemokuur of bestraling kunnen vertragen. Het maakt het ook makkelijker voor patiënten om te eten en te drinken, waardoor ze sterker blijven en de behandeling beter kunnen volhouden. Het is niet altijd eenvoudig: pijn, gevoeligheid of een droge mond maken het soms lastig om het gebit helemaal optimaal te verzorgen. Daarom passen we het advies en de begeleiding aan op de situatie van de patiënt en proberen we problemen zo vroeg mogelijk op te vangen, zodat de behandeling zo soepel mogelijk kan doorgaan.”

Veel oncologiepatiënten hebben niet alleen fysieke zorg nodig. Welke mentale of emotionele uitdagingen zie jij het meest bij de mensen die jij begeleidt?

“Op ons spreekuur merk ik dat veel patiënten niet alleen komen voor hun mondzorg, maar ook behoefte hebben aan een luisterend oor. Vooral in de beginfase, rond de diagnose en het starten van de behandeling, is alles vaak overweldigend. Het omgaan met pijn, veranderingen in uiterlijk en het opnieuw leren eten of spreken kan ontzettend zwaar zijn. Angst, somberheid en stress zijn heel normaal en sommige patiënten ervaren zo’n grote emotionele belasting dat ze extra steun nodig hebben. Daarin kan ik als mondhygiënist een rol spelen, omdat ik regelmatig contact heb en vaak een vertrouwd gezicht ben gedurende het hele traject. Soms is het al enorm helpend voor patiënten dat er iemand luistert, hun gevoelens erkent en hen even ondersteunt.”

Merk je dat mondproblemen, zoals een droge mond of pijn, ook invloed hebben op het zelfbeeld en sociale leven van patiënten?

“Zeker. Een droge mond, pijn of wonden in de mond kunnen het eten en praten bemoeilijken, maar ook het zelfvertrouwen aantasten. Patiënten durven soms minder te lachen of te spreken in gezelschap, vermijden sociale activiteiten of voelen zich onzeker over hun adem en uiterlijk. Vaak kunnen ze ook niet meer alles eten, moeten ze vloeibaar of zacht voedsel gebruiken, en wordt normaal uit eten gaan bijna onmogelijk. Daarnaast is het voor hen vaak lastig om het gebit goed te verzorgen door de pijn en gevoeligheid, wat extra stress geeft. Dat maakt het werk van een mondhygiënist zo belangrijk in die periode: door klachten te verminderen en begeleiding te geven bij mondverzorging help je mensen hun dagelijks leven zoveel mogelijk te behouden.”

Je biedt nazorg tot vijf jaar na de behandeling. Waar let je in die periode vooral op en welke signalen zijn voor jou een ‘alarmbel’?

“In de nazorg let ik niet alleen op de mondgezondheid, maar ook op signalen van complicaties of terugkerende problemen. Ik controleer het slijmvlies, tand- en wortelproblemen, cariës en veranderingen in de speekselproductie. Omdat de behandeling vaak de speekselklieren aantast, wordt de mond droger, wat het risico op ontstekingen en cariës vergroot. Daarom besteden we extra aandacht aan de dagelijkse mondverzorging, bijvoorbeeld door het gebruik van extra fluoride om het tandglazuur te versterken en het risico op cariës te verminderen.”

“Voor mij zijn alarmbellen nieuwe pijnlijke plekken, hardnekkige zweertjes, roodheid of verdikkingen, maar ook klachten zoals pijn of moeite met eten en spreken. Omdat het gebit in deze periode vaak kwetsbaarder is, plannen we patiënten één keer per drie tot zes maanden terug, afhankelijk van hun situatie, voor controle of behandeling. Zo kunnen problemen vroegtijdig worden opgemerkt en aangepakt en blijft de mondgezondheid zo goed mogelijk behouden.”

Welke ontwikkelingen zie je in de toekomst op het gebied van mondzorg en oncologie?

“Een belangrijke ontwikkeling is de steeds gerichtere bestraling, zoals protonenbestraling die sinds 2018 wordt toegepast. Daarmee worden de speekselklieren beter gespaard en zijn klachten zoals een droge mond een stuk minder. Blaren in de mond komen echter nog steeds voor, maar door de gerichte straling is de schade aan de mond veel beperkter. Tegelijkertijd komen er steeds meer hulpmiddelen beschikbaar om het gebit schoon te houden, ook bij een gevoelige mond. Een goed voorbeeld is Airflow: hiermee kunnen we met een mix van water en poeder tandplak en aanslag verwijderen. De behandeling is niet alleen zeer effectief, maar ook prettig voor de patiënt. Daarnaast helpen speciale borstels, ragertjes en andere moderne technieken om de mond gezond te houden. Ook chirurgische technieken ontwikkelen zich continu: waar vroeger bij kaakoperaties vaak prothesen nodig waren, kunnen chirurgen nu ingrepen uitvoeren die de mondfunctie beter behouden en het herstel voor patiënten vergemakkelijken.”

Wat zou volgens jou elke mondhygiënist moeten weten over mondzorg bij kanker?

“Tijdens mijn opleiding kreeg het mondslijmvlies nauwelijks aandacht, terwijl het juist vaak belangrijke eerste signalen van kanker kan geven. Roodheid, verkleuringen, zweertjes of verdikkingen zijn dingen waar je als mondhygiënist alert op moet zijn. Door goed te observeren en deze afwijkingen serieus te nemen, kun je soms bijdragen aan een vroege diagnose, wat essentieel is voor de behandeling. Het vraagt dus dat je verder kijkt dan alleen tanden en tandvlees en het hele mondslijmvlies beoordeelt tijdens je controles.”

Interview met Wendy van der Goot-Roggen, mondhygiënist in het UMCG, door Ilona van der Werf.

Lees meer over: Interview, Mondhygiëne, Opinie, Thema A-Z

Blog: Samenwerking als sleutel tot succes in de moderne tandartspraktijk

In de wereld van tandheelkundige zorg draait succes niet alleen om technische expertise. Even belangrijk, misschien nog wel belangrijker, is samenwerking en goed leiderschap. Dat weet ik, Nora Ennahachi, als geen ander. Met 17 jaar ervaring in praktijkmanagement heb ik alles meegemaakt: van drukke piekdagen tot complexe reorganisaties.

De sleutel tot een bloeiende praktijk is volgens mij altijd dezelfde: de samenwerking tussen praktijkhouder en praktijkmanager.

Het succes van MyDent, onze praktijk, hebben wij te danken aan die samenwerking. Het gaat om het respecteren van elkaars mening, het stellen van duidelijke kaders en het elkaar in eigen kracht zetten. Wanneer je dat goed doet, ontstaat er een praktijk waar zowel het team als de patiënt zich gehoord en gewaardeerd voelt. De praktijkhouder richt zich vaak volledig op de klinische zorg, terwijl de praktijkmanager zorgt dat alles eromheen soepel loopt.
Wanneer deze twee rollen elkaar aanvullen in plaats van overlappen, ontstaat efficiëntie én een werkklimaat waarin iedereen kan excelleren.

Duidelijke communicatie, vertrouwen en wederzijds begrip vormen de basis. Regelmatig overleg over zowel praktische zaken als visie, strategie en persoonlijke ontwikkeling zorgt ervoor dat iedereen weet waar hij of zij aan toe is.
Een sterke samenwerking gaat verder dan structuur en planning. Vertrouwen en waardering zijn cruciaal.

Wanneer praktijkhouder en manager elkaar volledig vertrouwen, ontstaat mentale ruimte. Ze durven beslissingen uit handen te geven, feedback te geven en eerlijk te bespreken wat werkt en wat niet.  De rollen zijn duidelijk, maar de identiteit van de persoon erachter speelt mee. De praktijkhouder identificeert zich vaak met de zorg en kwaliteit van de kliniek, terwijl de manager zich verantwoordelijk voelt voor het welzijn van het team en de organisatie. Wie elkaars rol erkent en waardeert, creëert een complementair systeem waarin beiden optimaal functioneren. Het gevoel dat je vrij kunt communiceren zonder angst voor negatieve consequenties, is essentieel.

Tandheelkundige teams en hun managers willen vooral respect, waardering en erkenning. Een goed salaris is slechts een randvoorwaarde. Als de praktijkhouder en manager dit gevoel uitdragen, groeit motivatie en betrokkenheid van het hele team.

Samenwerking is zelfs een psychologische spiegel: hoe jij als praktijkhouder of manager communiceert, beïnvloedt direct de sfeer in het team. Zijn jullie respectvol, transparant en open, dan straalt dat door naar de hele praktijk. Spanningen of onduidelijkheden bij jullie worden door het team snel gevoeld, of nog erger, gekopieerd.
In een tijd van personeelstekort en hoge werkdruk is geld alleen niet de oplossing. Tandheelkundige teams willen veiligheid, respect en waardering. Een goed salaris is belangrijk, maar niet genoeg om een team langdurig gemotiveerd en betrokken te houden. Samenwerking tussen praktijkhouder en praktijkmanager speelt hierin een cruciale rol.

Het is geen luxe, het is een investering in de toekomst van je praktijk, je team én je patiënten. Als je elkaar respecteert, kaders stelt en elkaar in eigen kracht zet, leg je het fundament voor duurzaam succes.

Nora Ennahachi, Operationeel directeur, Arbeids- en Organisatiepsycholoog, Mentor voor praktijkmanagers en praktijkhouders

Lees meer blogs

Samen Sterk

Om het belang van samenwerking tastbaar te maken, organiseert Nora Ennahachi het event Samen Sterk op 11 september, speciaal voor praktijkhouder en praktijkmanager. Weg van de dagelijkse drukte krijgen beide partijen de ruimte om elkaar beter te leren kennen, hun samenwerking te verdiepen en zich echt te verbinden.

 

Lees meer over: Blog, Opinie
Blog: Ben jij een dikke tandarts of een dunne tandarts?

Blog: Ben jij een dikke tandarts of een dunne tandarts?

Je hebt dikke tandartsen en dunne tandartsen. De dikke tandartsen zijn vooral denkers. De dunne tandartsen zijn vooral doeners. Bezig zijn met nadenken vraagt meer snelle suikers, bijvoorbeeld chocoladekoekjes, een witte boterham met hagelslag of een glas frisdrank. Terwijl je makkelijk nog de hele middag door werkt op een nauwelijks bewerkte, gevarieerde vezelrijke warme maaltijd tijdens de lunchpauze.

Er wordt wel gezegd dat je tandartsen niet in hokjes kunt plaatsen. Maar dat is vooral omdat een aantal daar niet in passen. Op een weegschaal staan toch vaker de onzekere dikkerds die tijd hebben om ‘op hun gewicht te letten’. Denk daar maar eens over na. Leg de vraag voor aan de massa en je krijgt een volmondig antwoord. En vast eerder met speculaasjes, dan een bord volkoren pasta met kip, spinazie en champignons. Dus de ene tandarts gebruikt zijn eigen mond meer, dan die van de patiënt. En de andere tandarts, heeft zijn handen vol aan zijn werk.

Langzame suikers maken een robot met een automatische piloot van je. Denken is het tegenovergestelde van doen. Bezig zijn met je hersenen en bezig zijn met je spieren heeft een omgekeerd evenredig verband. Dat wil zeggen wanneer je meer tijd besteed aan denken, gaat dat ten koste van tijd die je besteedt aan doen. Het één wordt meer, waardoor het ander minder wordt. Van lichamelijk werk wordt je moe. Als je moe bent, ga je slapen. Van slapen rust je uit en krijg je energie. Daarentegen, van nadenken wordt je ongelukkig. Als je ongelukkig bent, lig je wakker. Van stress en onmacht krijg je een burn-out. En dat is… (net zoals een deprimerend anticonceptiemiddel) een negatieve spiraal. Het is een mentale ziekte, geen lichamelijke. Een hernia is dat wel, en die krijg je van te zwaar lichamelijk werk.

En natuurlijk ligt het allemaal genuanceerder, natuurlijk zijn tandartsen geen dikke, ongelukkige luilakken die van burn-out naar burn-out gaan. Net zo min als tandartsen dunne, vermoeide leeghoofden zijn, die van hernia naar hernia gaan. Het geldt heus niet voor alle tandartsen. Het geldt namelijk niet voor jou. Het geldt alleen wel voor de rest. En als je denkt:

‘Ben ik dik?’ Dan is het antwoord: Ja, je bent dik. En als je je afvraagt: ‘Waarom ben ik dik?’ Dan is het antwoord: Je doet te weinig en je denkt te veel. Zou er (voor de vorm) ook nog een advies voor dunnere tandartsen zijn? Ach, die hebben vast geen tijd om dit te lezen. Die zijn toch altijd alleen maar bezig. En ikzelf? Ja, ik probeer er aan te werken. En ik denk eigenlijk, dat ik maar weer iets ga doen.

Bram Koolstra, tandarts
Lees meer blogs

Lees meer over: Blog, Opinie
Blog Jerry Baas

Blog: Greed is good

Graaien om toch te kunnen groeien bij dalende tarieven. Niet omdat ik het wil, maar omdat het moet. Ertoe aangezet door de NZa en haar handlangers. De tandartshaters. Degenen die ons graaiers vinden. Misschien wordt het tijd om de daad bij het woord te voegen.

Het tandheelkundige graai-hulpmiddel bij uitstek is misschien wel de Cerec. De eerste keer dat ik met deze kronenslijper geconfronteerd werd, iets van 30 jaar geleden, ging het er alleen maar over hoeveel Cerec kronen en inlays je moest maken om de (hoge) aanschafkosten terug te verdienen en dat waren er toen veel meer dan goed voor de patiënt was. Er werd geen woord gerept over hoe goed die Cerec-kronen eigenlijk waren, want in die tijd waren ze veruit inferieur ten opzichte van die uit het tandtechnisch lab. Toch weerhield dat een aantal tandartsen er niet van om er mee te gaan werken. De ‘early adapter’ graaiers, want ‘greed’, wat je tijdens je afstuderen ook beloofd of gezworen hebt, ‘is good’. Een vooruitziende blik.

Inmiddels zijn de tijden veranderd, de tarieven gedaald, de Cerec kronen beter geworden en de overheid onbetrouwbaarder. Het belangrijkste doel van ondernemen is winst maken en als we daarin op vele manieren door de instanties worden tegengewerkt, dan kun je zomaar gedwongen worden, om iets te doen,  waar de media ons al jarenlang van beschuldigen en waar je je tot nu toe altijd fel tegen verzet hebt: graaien, zelfverrijking op een onethische manier. Overtreatment bijvoorbeeld.

Want als ik dan toch besluit om een Cerec aan te schaffen, is deze in mijn praktijk nog lang niet winstgevend als ik op dezelfde manier blijf indiceren als ik nu doe en dus veel te weinig (partiële) kronen blijf maken. De winst zit hem namelijk in de techniekkosten in eigen beheer en aangezien deze scanner en slijpmachine een wonder van techniek is en dus veel geld kost, moet deze wel volop gebruikt gaan worden. Er zit dan dus niets anders op dan mijn indicatiebeleid aan te passen. Alle oude amalgaam restauraties, die ik tot nu altijd zo lang mogelijk liet zitten, worden vervangen en ook al mijn op bloemkool lijkende composietvullingen, kunnen vernieuwd worden, want de Cerec kan dat veel mooier. Wat dat betreft is de Cerec ook een fijn apparaat voor de wat minder handige tandarts, zoals ik, die ook wel eens trots op z’n werk wil zijn. Daar is niets onethisch aan.

Anders indiceren bekent natuurlijk ook dat niet iedereen patiënt in mijn nieuwe turbo-praktijk kan blijven, maar alleen degenen die akkoord gaan met de vervanging van al hun plastische restauraties. De ‘winnaars’ mogen blijven en de ‘verliezers’ kunnen in mijn stad, waar geen tandartstekort is, gelukkig nog terecht bij één van  de vele ‘loser’ praktijken, waar nog geen Cerec staat. Waar er nog ouderwetse tandheelkunde wordt bedreven, met ouderwetse indicaties, die alle oude vullingen maar eindeloos laten zitten. Je hebt nou eenmaal winnaars en verliezers.

Raar eigenlijk dat graaien een negatieve betekenis heeft, want iedereen, behalve de losers dan, wordt er alleen maar beter van. Tandartsen  kunnen winst blijven maken, de overheid kan de tarieven verlagen en de patiënten kunnen weer breeduit lachen. Dat tandartsen graaiers worden genoemd, zouden we dus moeten koesteren en misschien voortaan wel moeten gebruiken als geuzennaam.

 

Jerry Baas, tandarts en (wannabe) graaier

Lees meer blogs

Lees meer over: Blog, Opinie

Sarah van de Poppe: Tandarts en drogist, een unieke combinatie voor preventieve zorg

Tandarts én drogist – het lijkt een ongewone combinatie, maar voor Sarah van de Poppe is het juist de sleutel tot betere, toegankelijkere zorg. Vanuit haar ervaring in beide werelden zet ze zich in voor preventie, leefstijl en bewuste zelfzorg. “Zorg begint niet in de behandelkamer, maar bij jezelf,” zegt ze.

Sarah van de Poppe is niet alleen tandarts en eigenaar van Mondzorg Heemstede, ze runt ook meerdere DA-drogisterijen. Een bijzondere combinatie, die ze op een organische manier heeft ontwikkeld.

“Vanuit mijn werk als tandarts zag ik dagelijks hoe belangrijk preventie is, maar ook hoe weinig mensen weten over goede zelfzorg. Toen ik in aanraking kwam met de wereld van de drogisterij, zag ik meteen kansen om die kennis dichter bij de mensen te brengen,” vertelt Sarah.

De aantrekkingskracht van de drogisterij zit hem volgens haar vooral in de laagdrempeligheid. “In een drogisterij stappen mensen zonder afspraak binnen, vaak met vragen over gezondheid of welzijn. Dat biedt een mooie kans om te adviseren en preventief te werken. Waar de tandartspraktijk meer op behandeling gericht is, draait de drogisterij om voorkomen en die twee vullen elkaar prachtig aan.”

Sarah van de Poppe Tandarts en drogist

Voor Sarah werd het duidelijk dat deze combinatie perfect past bij haar missie toen ze merkte hoeveel impact een goed gesprek aan de balie kan hebben. “Iemand die met een simpele vraag binnenkomt, gaat soms weg met nieuw inzicht over mondgezondheid of leefstijl. Toen wist ik: dit is de manier waarop ik zorg toegankelijker en menselijker kan maken.”

De kracht van verbinding

Sarah spreekt over de “kracht van de verbinding tussen de drogisterijzorg in de nulde lijn en de tandartspraktijkzorg in de eerste lijn”.

Ze legt uit: “De nulde lijn, zoals de drogist, is de eerste plek waar mensen met vragen over gezondheid terechtkunnen. De eerste lijn, zoals de tandarts, is meer gespecialiseerd. Door die twee werelden te verbinden, kunnen we mensen eerder bereiken, beter adviseren en sneller doorverwijzen als dat nodig is. Dat zorgt voor meer continuïteit in zorg en voorkomt vaak grotere problemen later.”

In de praktijk betekent dit dat signalen die in de drogisterij opgemerkt worden, kunnen doorstromen naar de tandartspraktijk. “Denk aan een droge mond door medicatie of verkeerd gebruik van mondspoelmiddel. Die kennis neem ik mee naar de praktijk. Andersom deel ik in de drogisterij veel praktische mondzorgtips, waardoor mensen beter begrijpen hoe ze thuis voor hun gebit kunnen zorgen.”

Een concreet voorbeeld van deze samenwerking: “Een klant kwam bij de drogist met aanhoudend bloedend tandvlees. We hebben haar doorverwezen naar de praktijk, waar beginnende parodontitis werd vastgesteld. Dankzij die snelle schakeling kon ze op tijd behandeld worden.”

Ondernemerschap en balans

Het combineren van Mondzorg Heemstede met meerdere drogisterijen vraagt volgens Sarah om een goede structuur en een sterk team. “Ik werk met mensen die dezelfde visie delen: zorg dichtbij en toegankelijk maken. Mijn weken zijn druk, maar juist de afwisseling houdt me scherp en creatief.

Ondernemerschap vraagt om vertrouwen en delegeren: “Je kunt niet alles zelf doen. Mijn rol is vooral richting geven, verbinden en zorgen dat iedereen zich betrokken voelt bij de missie.”

De kruisbestuiving tussen beide werkvelden vindt ze waardevol. “Vanuit de mondzorg neem ik precisie, hygiëne en aandacht voor detail mee. Vanuit de drogisterij leer ik juist meer over klantbeleving, communicatie en preventie. Die combinatie maakt beide werkvelden sterker.”
De grootste voordelen van deze dubbele rol? “Je krijgt een breder perspectief op gezondheid. Je ziet de mens achter de patiënt en de klant achter de consument. Dat maakt mijn werk rijker en betekenisvoller.” De uitdaging ligt vooral in de tijd en het voortdurend schakelen tussen zorg en commercie.

Naar de toekomst

Sarah ziet een belangrijke rol voor de drogist in preventieve mondzorg. “Ze staan dicht bij de consument en kunnen helpen kleine problemen te voorkomen voordat ze groot worden. Met de juiste training kunnen drogisten een waardevolle schakel zijn in de keten van preventieve mondzorg.”

Ze moedigt collega-tandartsen aan om over de muren van hun praktijk heen te kijken: “Begin klein, bijvoorbeeld met een gezamenlijke voorlichtingsactie met een lokale drogist of apotheek. De winst zit vaak in die eerste stap.”

Op de vraag wat haar werk het mooiste maakt, is haar antwoord eenvoudig: “Dat ik elke dag het verschil kan maken, of dat nu in de behandelkamer is of aan de balie. Die persoonlijke verbinding met mensen blijft voor mij het hart van de zorg.”

Missie en visie: preventie als rode draad

Voor Sarah van de Poppe draait zorg om meer dan behandelen: het gaat om voorkomen, versterken en bewustwording.

“Mijn visie op zorg begint bij preventie, niet alleen in de mond maar in het hele lichaam. In de drogisterij stimuleren we gezonde leefstijlkeuzes, suppletie en kleine dagelijkse rituelen die bijdragen aan een betere weerstand en mondgezondheid. Want voorkomen is beter dan genezen, en dat begint bij jezelf.”

Ze ziet daarin een duidelijke verbinding tussen mondzorg en algemene gezondheid. “De mond is een spiegel van het lichaam. Door binnen de drogisterij aandacht te geven aan voeding, vitamines, slaap en stress, versterken we ook de basis van een gezonde mond. Preventie krijgt pas echt kracht als het deel wordt van iemands dagelijkse leven.

Met deze geïntegreerde aanpak wil Sarah zorg laagdrempelig, menselijk en toekomstgericht maken. “Mijn missie is om mensen te inspireren beter voor zichzelf te zorgen, met kennis, aandacht en kleine gewoontes die grote verschillen maken.”

Over Sarah van de Poppe

Sarah van de Poppe is tandarts met ruim twintig jaar ervaring. Ze is eigenaar van Mondzorg Heemstede en meerdere DA-drogisterijen in de regio Haarlem/Heemstede. Als moeder van vier kinderen weet ze als geen ander hoe belangrijk balans, leefstijl en preventie zijn, zowel in het gezin als in de zorg. Haar missie: mensen inspireren om elke dag bewust voor hun gezondheid te kiezen.

Interview door: Jennifer Delgado

Lees meer over: Interview, Opinie
Blog Yvonne

Van satéprikker tot tandenstoker met bewustwording: 30 jaar na een bezoek aan het Satéhuis

Eind 1995, dertig jaar geleden, stapte ik voor het eerst met mijn ouders het Satéhuis in Groningen binnen. Een eenvoudig, gezellig eethuis dat net haar deuren had geopend en waar de geur van geroosterde pindasaus en gebakken knoflook je al bij de ingang tegemoetkwam. Wat me toen bijbleef, was niet alleen de smaak van de heerlijke sateetjes, zoals ik die van thuis kende van tante Jo, maar vooral het kleine detail dat de avond afsloot: de tandenstoker. Een houten stokje, bewust neergelegd naast het schaaltje kroepoek, bedoeld om restjes vlees tussen de tanden en kiezen vandaan te peuteren. Een alledaags gebruiksvoorwerp, bijna onzichtbaar in zijn vanzelfsprekendheid.

‘Fast forward’ naar vandaag. Hetzelfde Satéhuis, nog steeds op dezelfde hoek aan het eind van de Herestraat, heeft van meet af aan een subtiele maar betekenisvolle trend gezet: de professionele tandenstoker. Géén cocktailprikker, zoals in andere restaurants, geen goedkoop, ruw stokje, maar een zorgvuldig ontworpen stukje mondverzorging dat hygiënisch is verpakt. Expliciet straalt het een verborgen boodschap uit: “Zorg voor een glimlach, ook na de maaltijd”.

Het lijkt een detail, maar het zegt veel over hoe Mevrouw Lin, de eigenaar van dit restaurant, met warme zorgzaamheid haar klanten, en impliciet ook onze samenleving tegemoet treedt.

Van prikker naar promotie en preventie

Onderzoek van de afgelopen jaren heeft aangetoond dat restaurants een verrassend belangrijke rol kunnen spelen in de bewustwording rondom mondverzorging, leefstijl en gezondheid. Waar vroeger het gebaar van de prikker puur praktisch was, kan het nu worden ingezet als subtiele educatie. Een simpel gebruiksvoorwerp verandert in een communicatiemiddel en in sommige situaties zou het gebruik van de tandenstoker als substitutiegedrag kunnen dienen, bijvoorbeeld voor roken. Het idee dat zorg voor het gebit (de mond) uitsluitend een privézaak is, verschuift mondjesmaat naar een bredere maatschappelijke verantwoordelijkheid: een vorm van “publieke gezondheid aan tafel”.

De invoering van professionele tandenstokers in horecagelegenheden, zoals in het Satéhuis, kan worden gezien als een impactvolle revolutie in gewoontevorming. Net zoals het aanbieden van kraanwater of vegetarische opties ooit een bewuste keuze werd, kan wellicht dit gebaar ook een nieuwe standaard worden. Niet alleen voor comfort, maar eveneens voor gezondheid.

De kracht van symboliek

Wat me persoonlijk raakt en inspireert, is de symboliek van dit veranderingsproces. De reguliere ouderwetse cocktailprikker is een wegwerpvoorwerp.

De professionele tandenstoker is een uitnodiging; een herinnering aan zelfzorg, aan aandacht voor jezelf. Het kleine houten stokje staat symbool voor een groter idéé, een gezonde beweging: dat bewustwording begint bij de details van het dagelijks leven!

Wanneer een restaurant besluit niet alleen voedselgerechten te serveren, maar ook een glimlach te bevorderen, wordt eten weer een sociaal ritueel met betekenis. Niet alleen een moment van genot, maar ook van zorg.

Een glimlach als maatschappelijke boodschap

Het Satéhuis in Groningen is meer dan een eetgelegenheid; het is een plek waar nostalgie en vooruitgang elkaar ontmoeten. Dertig jaar geleden was het niet enkel een huis van “homemade Maleisische en Indonesische smaken”, tot de dag van vandaag is het ook een huis van sociaal, cultureel en zorg-sensitieve waarden. De tandenstoker, professioneel en bewust gepresenteerd, fungeert als een kleine geste voor de volksgezondheid.

Wat ooit een gewoonte was, is nu een gespreksonderwerp geworden. Mensen praten over mondverzorging, over bewust en gezond eten, over kleine gebaren die grote effecten kunnen hebben. En wie weet? Misschien denken we over dertig jaar opnieuw terug aan dit moment, aan hoe een stukje hout, bescheiden en onopvallend, de start was van een grotere beweging richting bewust welzijn. Want, soms begint gedragsverandering niet met een groot gebaar, maar juist met iets kleins dat tussen je tanden en kiezen blijft steken, én je prikkelt of aanzet om er verder over na te denken én er daadwerkelijk iets mee te doen!

Dr. Yvonne Buunk-Werkhoven is Associate Professor (gedragswetenschapper, psycholoog en mondhygiënist) remote werkzaam aan de Medische faculteit van het Kauno kolegija in Litouwen.

Lees meer blogs

Lees meer over: Blog, Opinie
Recht, uitspraak, mondzorg

Rechtszaak: Wat ging er mis na de overname van MC Dent?

In december 2025 deed de rechtbank uitspraak in de civiele zaak tussen tandartsketen Atlas Dental Care en Karel Tanka, voormalig praktijkhouder van MC Dent. Wat speelde er precies tussen de partijen, hoe oordeelde de rechtbank en welke lessen zijn er voor de mondzorgsector naar aanleiding van deze zaak?

In 2004 opende Tanka zijn praktijk MC Dent. Toen hij richting zijn pensioen wilde toewerken, besloot hij zijn praktijk te verkopen aan een partij die zijn vertrouwde manier van werken en de kwaliteit van mondzorg zou voortzetten. Na een zoektocht kwam hij uit bij Atlas Dental Care, een commerciële organisatie die eind 2019 werd opgericht. Volgens de eigen website bouwt deze tandartsketen aan een alliantie van tandartspraktijken en ondersteunt zij deze onder meer op administratief, financieel, juridisch en organisatorisch vlak.

Per 1 januari 2022 nam Atlas Dental Care de praktijk officieel over. Onderdeel van de afspraken was dat Tanka als zzp-tandarts aan de praktijk verbonden zou blijven, evenals zijn vrouw Alexandra Tanka-van Dijck, die ook een functie binnen de praktijk had en nu bij Atlas in dienst bleef op basis van een nieuwe arbeidsovereenkomst.

Moeizame samenwerking

In eerste instantie verliep de overname soepel, maar na verloop van tijd ontstonden er steeds meer spanningen die de samenwerking bemoeilijkten. Zo merkte Tanka dat zijn positie binnen de praktijk veranderde: patiënten werden bij hem weggehaald en hij kreeg minder behandelruimte. Daarnaast kwam zijn vrouw erachter dat er binnen de organisatie een intern dossier werd opgebouwd, waarin haar collega’s werden verzocht informatie over haar functioneren vast te leggen. Volgens haar gebeurde dit in het kader van een mogelijk ontslagtraject.

Aanpassingen in declaraties

Ook werd Tanka door een collega erop geattendeerd dat er mogelijk sprake zou zijn van fraude. Tanka ging zelf op onderzoek uit en zag dat declaraties die op vrijdag waren ingevoerd, op maandagen afwijkingen vertoonden. Wat bleek: in het weekend (toen de praktijk gesloten was) werd in het systeem ingelogd waarna tijden en behandelingen werden aangepast. Aangezien Tanka in die periode niet over een VPN-verbinding beschikte en niet vanuit huis kon inloggen, kon hij deze wijzigingen onmogelijk zelf hebben aangebracht. Hoewel deze vermoedelijke onregelmatigheden werden gemeld, schreef Atlas de verschillen in de declaraties toe aan een verouderd systeem, en volgens Tanka werden zijn kritische opmerkingen niet op prijs gesteld.

Ontslag

Naarmate de spanningen toenamen, besloot Atlas Dental Care in juli 2022 Tanka te ontslaan als tandarts. Tanka ziet dit ontslag als een bevestiging van een strategie die volgens hem vanaf het begin bestond. Volgens Atlas was het ontslag het gevolg van Tanka’s moeite om zich aan te passen aan veranderingen binnen de praktijk. Tanka bestrijdt dit echter en verklaart dat hij werd gedwongen instructies van Atlas op te volgen die niet waren vastgelegd in de koopovereenkomst.

Toen Tanka vervolgens elders in de mondzorg aan de slag ging, stelde Atlas dat dit een overtreding van het concurrentiebeding betrof: hij zou volgens hen binnen drie jaar en binnen een straal van 25 kilometer rond Breda niet mogen werken. Naar aanleiding daarvan eiste Atlas Dental Care een miljoenenboete.

Door deze ontwikkelingen kwamen ook de afspraken over de financiën en de overname onder druk te staan. Atlas weigerde de uitgestelde koopsom te betalen en bestempelde Tanka als ‘bad leaver’, waardoor hij volgens hen zijn rechten verloor. Daarnaast bleef betaling uit van twee maanden honorarium, terwijl ook het salaris van zijn vrouw gedurende negen maanden niet werd uitbetaald.

Als gevolg van deze escalatie startte Tanka een civiele procedure tegen Atlas Dental Care.

Vonnis

De zaak diende in september 2025 en op 17 december 2025 volgde de uitspraak. De rechter stelde Tanka volledig in het gelijk: Atlas Dental Care moet zowel de volledige resterende koopsom als de openstaande honoraria betalen. De door Atlas geëiste boete in verband met het concurrentiebeding werd niet bewezen geacht en komt te vervallen. Ook de door Atlas geëiste extra vergoeding, stellende dat Tanka informatie over de psychische gezondheid van zijn vrouw zou hebben verzwegen, bleek ongegrond. Atlas heeft hiervoor een rectificatie geschreven, waarin wordt bevestigd dat deze bewering onjuist was. Voor het echtpaar betekende de uitspraak vooral erkenning. “Het is een opluchting dat de rechter heeft bevestigd dat de afspraken nagekomen moeten worden. Het ging ons niet alleen om het geld, maar om rechtvaardigheid.”

Rechtbank: Vermeende fraude onvoldoende onderbouwd

De rechtbank constateert dat de vermeende fraude met declaraties onvoldoende is onderbouwd. Het aangevoerde bewijs, waaronder voorbeelden van opzettelijk veranderde behandelcodes en verhoogde declaraties, is onvoldoende weerlegd en biedt daarom geen grondslag voor de beschuldigingen. Bovendien gaat het om een beperkt aantal fouten, waarbij ook de mogelijkheid van onbedoelde vergissingen aanwezig is, zo staat beschreven in het vonnis.

Breder signaal aan de mondzorgsector

Het echtpaar geeft aan dat hun verhaal verder gaat dan hun eigen rechtszaak. Zij zeggen: “De vergrijzing van de sector zorgt ervoor dat steeds meer praktijken worden overgenomen door commerciële ketens en niet altijd verloopt dat zonder risico’s. Het gaat niet alleen om geld of contracten. Het gaat om zorg, vertrouwen en integriteit. Wij hebben jarenlang hard gewerkt om een praktijk op te bouwen die patiënten goede zorg biedt en zien hoe het na de overname is verlopen. Achteraf hadden we elk contract juridisch moeten laten toetsen. Dat raad ik iedereen aan. Je kunt te goeder trouw zijn, maar als je niet kritisch kijkt, kunnen afspraken alsnog onder druk komen te staan.”

“Hoewel de rechtbank oordeelde dat fraude met declaraties onvoldoende is komen vast te staan, roept de gang van zaken volgens Tanka wel vragen op over de manier waarop sommige commerciële ketens zijn ingericht. Vanuit zijn ervaring na de overname zag hij binnen de praktijk de nadruk steeds meer verschuiven naar financiële doelstellingen. In dat kader wijst hij op een valkuil bij dergelijke organisaties: de focus op rendement. “Het primaire doel zou altijd goede mondzorg moeten zijn. Zorg gaat boven opbrengst. Dat is de kern: een praktijk runnen voor patiënten, niet alleen voor cijfers.”

Hun boodschap is helder: integriteit en kwaliteit van zorg mogen nooit wijken voor financiële gewin, ook niet in een groeiende commerciële omgeving.

Lees hier het volledige vonnis

Interview met Karel Tanka en Alexandra Tanja-Van Dijck, door Ilona van der Werf.

 

Bekijk ook de video met interview van het tandartsechtpaar bij Eenvandaag

Lees meer over: Interview, Ondernemen, Opinie, Wet- en regelgeving
blog bram

Blog: Top 5 – Beste tandarts van Nederland

Wie is de beste tandarts van Nederland? Om deze vraag te beantwoorden hoef ik niet zo ver te zoeken. Ik ben het zelf. Het voelt heerlijk om de beste te zijn. Het voelt als het moment in de ochtend, wanneer ik de eerste slok warme koffie van versgemalen arabica bonen drink. Als de tranen van verdriet, en ook blijdschap bij de begrafenisdienst van je allerbeste vriend, terwijl het twaalf koppige koor ‘Lacrimosa’ van Mozart door de hoge kerkruimte laat galmen. Het voelt als het terugvinden van je sleutelbos. Intens geluk. Het is het een hele eer. En volkomen logisch. Ik loop er niet mee te koop. En ja. Dat siert me. Zo eerlijk ben ik ook wel weer.

En eerlijkheid duurt het langst. Verder ben ik onweerstaanbaar fatsoenlijk, enorm sympathiek en buitengewoon bescheiden. Iedereen in de mondzorg weet inmiddels dat ik de beste ben. Althans, iedereen die het geluk heeft mij te kennen. Andere tandartsen denken misschien dat ze de beste zijn. Of voelen zich zo. Maar ik bén het ook echt. Een goddelijk tandheelkundig fenomeen. De personificatie van bovenmenselijke zorgverlening. Hallelujah.

Er zijn heus dingen die ik niet kan. Of niet zo goed kan. Maar juist doordat ik dit erken, doordat ik anderen de ruimte biedt om te excelleren, daarom ben ik de beste. Natuurlijk wil ik het best vanuit een ander perspectief bekijken. Een medaille heeft twee kanten. En wat blijkt? Dan ben ik ook de beste! Laatst zei een patiënt tegen mij: “Jij bent de beste.” En dat klopt. Mijn moeder zegt dit ook altijd. Ik ben de perfecte mix van narcisme en joie de vivre. De beste tandarts van Nederland. Zo simpel is het. Dus hieronder dan de top 5 ‘beste tandarts van Nederland’:

  1. Ikzelf
  2. Ik ook
  3. Hier sta ik weer
  4. Deze positie is ook voor mij
  5. Een top vijf zonder mezelf is een halfbakken top vijf, ik wederom

Doet het er toe? Doe ik er toe? Op het moment dat ik na mijn dood aan de hemelpoort sta, zeg ik tegen Petrus: “Ik ben de beste tandarts van Nederland. Mag ik naar de hemel?” Petrus: “Dat zegt elke tandarts.” Waarop ik antwoord: “Ik ben niet de eerste de beste.” Petrus: “Waarom ben jij de beste tandarts van Nederland?” Ik: “Omdat ik dit als eerste heb opgeschreven.”

Bram Koolstra, tandarts
Lees meer blogs

Lees meer over: Blog, Opinie
Blog Jerry Baas

Blog: Een leugentje om bestwil

Liegen en bedriegen om iemand te genezen is wel een hele boude uitleg van het placebo-effect. Het zelfgenezend vermogen door suggestie klinkt dan een stuk vriendelijker. Denk aan het op een ibuprofen lijkende suikersnoepje die ook de pijn stilt, nep-operaties met goede resultaten en hoe zit het eigenlijk in de mondzorg?

Liegen en bedriegen om iemand te genezen is wel een hele boude uitleg van het placebo-effect. Het zelfgenezend vermogen door suggestie klinkt dan een stuk vriendelijker. Het placebo-effect is in ieder geval het positieve effect dat de patiënt ervaart door therapie die niet medisch werkzaam is, puur omdat hij of zij dat verwacht. Denk dan aan het op een ibuprofen lijkende suikersnoepje die ook de pijn stilt, nep-operaties met goede resultaten en hoe zit het eigenlijk in de mondzorg?

Een nep-endo bijvoorbeeld? Dat zou wat zijn! Verdoven, cofferdam, boren in het luchtledige en daarna wat rommelen met vijlen, hypochloriet en ‘burning rubber’. Nooit meer op zoek naar het 4e kanaal, nooit meer perforeren en nooit meer een afgebroken vijl. Maar zal de pulpitis of parodontitis apicalis ook verdwijnen, alleen maar omdat de patiënt dat verwacht? Dat lijkt me een brug te ver, maar misschien onderschat ik de kracht van ‘mind over body’. Wellicht moet ik het maar eens proberen en een dergelijk toneelstukje opvoeren, maar wat declareer ik dan voor liegen en bedriegen?

Het placebo-effect is misschien beter toepasbaar op iets vaags, zoals een a-specifieke aandoening met een multi-factoriële oorzaak. De patiënt heeft ergens last van, maar er is geen echte afwijking en het is ook niet duidelijk hoe het nou komt. Temporomandibulaire dysfunctie bijvoorbeeld, een musculo-skeletale afwijking, waar de tandarts wat mee moet, omdat het nou eenmaal de kaken en kauwspieren betreft.

De patiënt presenteert zich met pijn in de wang of rond het oor en dan doen wij waar we goed in zijn: onderzoeken of er geen tandheelkundige oorzaak is. Maar ook als deze er niet is denken we te weten hoe TMD te behandelen, ondanks dat we niet precies weten wat er nou aan de hand is en hoe het nou komt. Vroeger dachten we dat TMD door ‘occlusitis’ kwam, waarna de tandarts-gnatholoog het hele gebit verbouwde door deze in te slijpen of de beet te verhogen met uitgebreid kroon- en brugwerk. Gelukkig liggen deze tijden inmiddels ver achter ons.

Tegenwoordig weten we dat het niet uitmaakt hoe je TMD behandeld, want na 6 maanden is het resultaat toch altijd hetzelfde, het zogenaamde ‘regression to the mean’-effect, oftewel het natuurlijk beloop. Dus wat je ook doet; doe zo weinig mogelijk!

‘Niets doen’ ligt dan voor de hand, maar de meeste tandartsen willen toch ‘iets’ doen en de patiënt verwacht dat eigenlijk ook. Verwijzen naar de fysiotherapeut, die wél wat weet van het bewegingsapparaat is natuurlijk het allerbeste, maar als je als tandarts toch wat wil doen, kun je natuurlijk altijd teruggrijpen op de gouden standaard bij de behandeling van TMD: de uitneembare beetverhoging van kunsthars, de zogenaamde opbeetplaat of splint. Hiervan weten we dat het iets meer doet, dan niets doen, maar we weten niet waarom. Het placebo-effect zou dus een grote rol kunnen spelen en dat moeten we dan ook uitbuiten om een maximaal behandelresultaat te krijgen. Het helpt dan als de behandelaar ook echt gelooft in splint-therapie, want anders moet je er goed over kunnen liegen om de noodzakelijke hoge verwachtingen te scheppen bij de patiënt. Leugentje om bestwil dus.

Zelf ben ik te goed geïnformeerd om nog in splinttherapie te geloven en een weinig overtuigende leugenaar, dus doe ik bij TMD niets. Nou ja, bijna niets. Ik stel de diagnose en stel gerust, maar doe dit wel met volle overtuiging met vaak een (zelf-)genezen patiënt tot gevolg. En of dat nou ligt aan het placebo-effect of het natuurlijk beloop, maakt natuurlijk niet uit, maar ik hoef er in ieder geval niet om te liegen en te bedriegen.

Jerry Baas, tandarts
Lees meer blogs

Lees meer over: Blog, Opinie, Opinie
Marit Verschuuren

Interview: Marit Verschuuren over Motivational Interviewing in de mondzorg

Sommige mensen lopen als een rode draad door je loopbaan heen. Hoewel mondhygiënist Marit Verschuuren ongeveer de helft korter is afgestudeerd dan ik, kom ik haar steeds opnieuw tegen en weet ze me elke keer weer te inspireren. We delen een enorme passie voor preventieve mondzorg. Na een telefoongesprek over iets heel anders ontstond het idee om haar laatste avontuur in de schijnwerpers te zetten. Niet omdat Marit graag op de voorgrond staat, maar omdat ze een doel heeft. Ze volgde, na uitgebreid trainen in Nederland, in de VS een cursus Motivational Interviewing (MI) en werd toegelaten tot het internationale netwerk van trainers: MINT. Een officiële bevestiging van haar expertise.

Van angstige patiënt tot strenge mondhygiënist

Als kind vond Marit de tandarts verschrikkelijk. Ze wilde kinderen en hun ouders graag besparen wat zij zelf had meegemaakt. Daarbij maakte ze de klassieke fout te denken dat wat jij wil, iedereen wel zou willen. Projectie dus.

Ze werkte hard om te voorkomen dat haar patiënten tegen “die beroemde steen” zouden lopen. Maar ja: sommige ezels moeten nu eenmaal zelf hun hoofd stoten. Marit zelf liep ook tegen die steen aan. Haar preken hielpen geen steek.
“Ik stond bekend als die strenge mondhygiënist. Sommige patiënten wilden echt niet meer bij mij terugkomen.”

Waarom Motivational Interviewing niet landde tijdens de opleiding

Had Marit dan net als ik niks geleerd over MI tijdens de opleiding? Jawel, maar anders dan wat ze nu weet. Bovendien vond ze de methode destijds behoorlijk spannend.

“Het lijkt alsof je er minder controle over hebt,” vertelt ze. “Als je gewoon zegt wat iemand moet doen, is het voorspelbaar. Je draait je script af. Maar je legt geen echte verbinding en houdt geen rekening met de wensen van de patiënt.”

Toen ik vroeg of ze dan niet simpelweg vroeg wat de patiënt wilde, vertelde ze dat die vraag vaak te groot was voor mensen die daar nooit over nadenken. Ook zijn mensen in veel gevallen ambivalent: er zijn twee zijden aan de verandering, ze willen het niet en toch ook wel. Als twee kanten van dezelfde medaille: Behoudtaal en Verandertaal. Dat staat echte verandering in de weg.

Marit had dus wel les gehad in MI, maar niet op een manier die haar hielp het echt toe te passen. Ze wilde geen strenge mondhygiënist meer zijn. Ze herinnerde zich nog het ‘Stages of Change model’ uit de opleiding. Iets met precontemplatie, contemplatie, ambivalentie, actie… maar dat is iets anders dan MI. Het model kan MI wel ondersteunen.

“MI gaat over een nieuwsgierige, accepterende basishouding, kernvaardigheden zoals reflecteren en verandertaal ontlokken,” zegt ze. “En dat heb ik gemist.”

De worsteling met controle

Marit wilde als student dat haar patiënten precies deden wat ze zei. Ook uit perfectionisme. Ze vond het spannend om vragen te stellen, omdat ze geen invloed had op het antwoord.
“Als ik het niet vroeg, was het er niet,” zegt ze. “En wat moest ik doen als een patiënt nee zou zeggen? Dat stond niet in het script.”

Ik herken dit direct van stagiaires en beginnende collega’s die vragen:

“Hoe overtuig ik de patiënt?”
Mijn antwoord : “Niet”, vond niemand ooit bevredigend.

“Er zijn mensen die motiverende gespreksvoering van nature al meer in zich hebben,” zegt Marit, “maar je kunt het ook gewoon leren. En elk gesprek blijft een experiment.”

Van overhoring naar echt contact

Marit herkent het patroon dat veel professionals volgen: de mondhygiënische anamnese als overhoring. Vragenlijst afwerken, vinkjes zetten.

“Maar hoe stel je dan de goede vragen?”, vraag ik. “Iemand moet zich eerst gezien en gehoord voelen,” legt ze uit.
“Begin bijvoorbeeld met: Hoe tevreden ben je over je mondgezondheid? Dat is veel opener. En deel wat je observeert zonder oordeel. Daarna komt reflectie en dat vond ik in het begin van mijn leerproces het moeilijkste, maar ook het meest waardevol.”

Mensen veranderen wanneer er een discrepantie ontstaat tussen hun gedrag en hun waarden. En wat ze zichzelf horen zeggen (of denken) heeft voorspellende waarde voor het gedrag van de toekomst, dat noemen we de zelfperceptietheorie. Daarom is de glimmende kant van de medaille van ambivalentie Verandertaal zo belangrijk.

Reflectie: hoe werkt dat dan?

Wanneer doe je wat? Is daar een script voor?

“Hmmm… nee,” lacht Marit. “Het is een vorm van luisteren. In een gesprek kun je vragen stellen, of je kunt iets teruggeven zonder dat het een vraag is. Dat kan letterlijk of wat je tussen de regels door aanvoelt of denkt dat er speelt. Een goede reflectie helpt iemand dieper in zijn eigen denkproces, terwijl een vraag je vaak juist uit je denken haalt. Vaak doe je dit al zonder dat je het doorhebt. Als je het bewust kunt inzetten, kan je er je voordeel mee doen.”

Je hoeft niet ervaren of superzelfverzekerd te zijn om MI te leren, zegt ze. Je moet vooral willen en durven reflecteren op jezelf.

Marit nam zelfs haar eigen consulten op, om terug te zien wat ze deed. “Je ziet je eigen fouten. Dat is niet altijd leuk. Maar alles wat je extra doet, helpt al.”

Structuur: ORBBS + I

Om MI tastbaarder te maken legt Marit ORBS uit:

  • Open vragen stellen
  • Reflecteren
  • Bevestigen & Bekrachtigen
  • Samenvatten

En de extra I: Informatie uitwisselen.
Niet zenden, maar afstemmen. Niet de perfecte oplossing presenteren, maar opties verkennen.

Welke oplossingen ziet iemand zelf? En vraag na een voorlichting of instructie: “Hoe klinkt dit voor jou?” Zo denkt iemand zelf na en hoort hij zichzelf terug, dat geeft een grotere kans op gedragsverandering.

De juiste basishouding

MI werkt alleen als je houding klopt:

  • Wees oprecht geïnteresseerd.
  • Accepteer autonomie: iemand mag kiezen om iets niet te doen.
  • Toon compassie.
  • Werk vanuit gelijkwaardigheid:
    “Ik weet veel, maar de patiënt weet alles over zijn eigen leven.”

Dat is niet altijd makkelijk, je kunt niet doen alsof. Kun je echt accepteren en compassie voelen als bijvoorbeeld ouders niet napoetsen? Juist als je dat echt voelt kom je veel verder met mensen. Motivatie kun je ontlokken, niet opleggen. De motivatie zit al in de ander, de truc is om het boven te halen.

De weg naar MINT

Na jarenlang MI workshops gegeven te hebben wist Marit dat ze verder wilde. Ze kwam niet verder in haar gesprekken en liep er steeds tegenaan dat haar patiënten ‘Ja’ zeiden en ‘Nee’ deden. Na haar trainingen in Nederland bij Stijn van Merendonk (Lezing NVM congres 2023) richtte ze haar pijlen op het Internationale Netwerk van Motivational Interviewing Trainers (MINT).

MINT is serieus: je komt er niet zomaar in.
Marit moest een portfolio aanleveren en een gesprek voeren met een acteur over stoppen met roken, gecodeerd door professionals. Niet de uitkomst van de verandering telt, maar je trouw aan de methode.

De acceptatie voelde voor Marit als een bevestiging: “Zo kunnen collega’s zien hoe mooi het kan zijn en dat het dus anders kan.”

Meer werkplezier, meer resultaat

Wat Marit nu ervaart, is bijna opvallend simpel:
Ze werkt minder hard, met betere resultaten. Patiënten blijven bij haar, ook degenen die eerst afhaakten.

En als iemand niet wil?
“Dan neem ik dat niet meer persoonlijk. Ik kan het loslaten. Ook komen de patiënten bij me terug als ze wel zover zijn. Omdat ze acceptatie hebben ervaren en dat geeft vertrouwen.”

Heeft MI invloed op de rest van haar leven?

Tijdens ons gesprek proef ik dat Marit zorgvuldig naar woorden zoekt. Daarom vraag ik of MI nu ook buiten het werk invloed heeft.

“Nee hoor… niet alles hóeft MI te zijn,” zegt ze lachend.
“Maar het er zijn wel facetten die ik breder inzet. Ook bijvoorbeeld bij mijn kinderen. Reflecteren is een andere manier van luisteren. Ik ben nieuwsgieriger geworden, oordeel minder, ook minder perfectionistisch, minder schreeuwerig. Ik kijk meer naar wat ons verbindt.”

Ook aan de slag met MI?

Marit geeft trainingen binnen én buiten de mondzorg, onder andere via:
• Johnny Joker
• haar eigen LinkedIn (met korte voorbeelden). Je kunt haar daar een bericht sturen om te kijken welke mogelijkheden bij jou passen.

Interview door Lieneke Steverink-Jorna, mondhygiënist, met Marit Verschuuren-Kuijer.

 

Lees meer over: Communicatie patiënt, Interview, Opinie, Thema A-Z
Blog Jerry Baas

Blog: Holisme de baas

Hocuspocuspilatespas, ik wou dat ik een holistische tandarts was. Met de boor als toverstaf de hele mens helen; lichaam en geest. Gaatjesvuller, dokter, zielenknijper en sjamaan ineen. Ik wou dat ik kon toveren!

Maar wat blijkt; ook zonder toverspreuken kan de boor de hele mens helen. Althans, een gezonde mond heeft invloed op de algehele gezondheid en dit geldt ook andersom. Dit is zelfs al aangetoond voor ziektes als diabetes type 2, hart- en vaatziekten en kanker en ook de positieve invloed van een pijnvrije mond en een mooie lach op het geestelijk welbevinden is moeilijk te weerleggen.

We kunnen ons dus gewoon met ons vak bezig houden om holistisch te werken. We hoeven geen arts of psycholoog te worden en we hoeven ons zeker niet te verdiepen in ‘zorg’, waarbij de influencers op social media de specialisten zijn en waar vooral de fabrikanten van de pillen, poeders en andere prullaria beter van worden. Schoenmaker, houdt u bij uw leest!

Toch is het opvallend dat maar enkele tandartsen zich profileren als een genezer van de hele mens. Misschien is de gemiddelde tandarts wars van pretentie of zijn ze al zo trots een eenvoudige  gaatjesvuller te zijn, dat ze al het andere wat we kunnen, liever onbenoemd laten. Bescheidenheid siert de mens.

We zijn dus allemaal holistische tandartsen, al is onze invloed op de algehele gezondheid slechts bijvangst van onze inspanningen in de mond. Ook weten we pas van enkele ziektes dat we er ook echt invloed op hebben, dus misschien is het maar beter om voorlopig niet te koop te lopen met hocus pocus holisme. We kunnen dan wel toveren met onze boor, maar we kennen nog lang niet alle toverspreuken.

 

Jerry Baas, tandarts
Lees meer blogs

Lees meer over: Blog, Opinie
Blog Yvonne

Van Groningse kraan tot Banda Neira bron: schoon drinkwater en tandenpoetsen

In de aanloop van een mogelijke 5-daagse verblijf op Banda Neira – een klein eiland in de Molukken (Indonesië), het eiland waar opa Piet Jacob Jansen is geboren, gedoopt en getogen, en alwaar zijn ouders Bertrand Albert Jansen en Francina Suzanna de Klerk, beiden zijn geboren, opgegroeid en getrouwd – daagde ik mezelf uit om mee te doen aan de Week op Water, met als persoonlijke titel: “air minum untuk air minum bersih”. Ofwel ‘drinkwater voor schoon drinkwater’

10 jaar geleden, in november 2015 deed ik mee aan de 10 K run tijdens de Curaçao, Marathon, en dat was “my best time ever”. Ter voorbereiding rende ik in het Central Park in New York City, en liep ik voor de eerste keer de hele rit van 10 km uit. Met een euforisch gevoel over die prestatie heb ik hetzelfde rondje herhaald om vitaal voor de dag te kunnen komen voor een sponsorloop ‘Run, Laugh and Feel Good’. Toentertijd koppelde ik die challenge aan een gezondheidsevenement/campagne om het bewustzijn te vergroten dat de consumptie van soft- en energydrinks negatief van invloed kan zijn op de mondgezondheid.

Enfin, vijf dagen lang, van 3-7 november jl., mocht ik alleen water te drinken – geen koffie, thee, frisdrank, sapjes of andere alcoholische drankjes. Wel mocht ik gewoon eten, dat dan wel. Het klinkt relatief eenvoudig, maar het bleek toch verrassend confronterend.

Op meerdere eilanden in Indonesië, op de Molukken, en in het bijzonder op Banda Neira, is schoon drinkwater niet vanzelfsprekend. De lokale bevolking gebruikt meestal gekookt of gebotteld water, niet alleen om te drinken, maar ook om het gebit te poetsen en fruit of groenten te wassen.

Kraanwater kun je er niet zomaar drinken; het is niet veilig voor consumptie en het kan schadelijk zijn voor de (mond)gezondheid.

Welnu, wat in eerste instantie simpel leek, werd toch snel een kleine ontdekkingstocht, zowel lichamelijk als mentaal. De eerste dag viel echt niet mee, echter, ik was gemotiveerd om door te zetten, en terugkijkend waren de eerste drie dagen het zwaarst. Ik had voortdurend hoofdpijn en voelde me opvallend moe – signalen dat mijn lichaam moest afkicken van cafeïne en suikers, die ik normaal zonder nadenken binnenkreeg. Gewoon een glas water voelde op die momenten eerder als een gemis dan als verfrissing. Mijn bloeddruk schommelde en ik voelde me lamlendig,

Op de vierde dag merkte ik dat de hoofdpijn wat afnam en dat mijn energieniveau langzaam terugkwam. Het leek alsof mijn lichaam zich aanpaste aan de eenvoud en even tot stilstand kwam. Op de vijfde dag werd het nog beter en voelde ik me licht en helder – geen hoofdpijn meer, geen loomheid. Alleen een rustig, redelijk stabiel gevoel van aanvaarding en verzadiging.

Deze ervaring maakte me bewuster van hoe afhankelijk ik ben van koffie en andere dranken, het leerde me niet alleen iets over mijn eigen lichaam, maar ook van hoe vanzelfsprekend schoon drinkwater – een glas schoon, veilig water – voor mij normaal gesproken is. Op Banda Neira en eigenlijk dus in heel Indonesië is dat een luxe waarvoor mensen dagelijks moeite doen: water koken, flessen kopen en sjouwen, voorzichtig omgaan met elke druppel.

In Groningen, waar ik af en toe weer woon, dacht ik aan dat contrast. Op veel OV-plaatsen staan drinkwaterpalen. Je kunt bij zo’n watertappunt gratis en zonder nadenken je fles vullen met schoon, koud water.

Zelden stond ik er echt bij stil; zo vanzelfsprekend was het veilig drinkwater, altijd beschikbaar!

Deze weekervaring leerde me dus niet alleen iets over mijn eigen gewoontes, maar ook over wat we in Nederland vaak voor lief nemen: dat er bijna overal, zelfs bij de P&R en bushalte, bij het treinstation en op het vliegveld schoon drinkwater zomaar uit de grond of de muur komt.

Van Groningse kraan tot Banda Neira bron

Door:
Dr. Yvonne Buunk-Werkhoven is Associate Professor (gedragswetenschapper, psycholoog en mondhygiënist) remote werkzaam aan de Medische faculteit van het Kauno kolegija in Litouwen.

Lees meer blogs

Lees meer over: Blog, Opinie
Blog Lieneke

Blog: Boekt jouw praktijk voldoende gezondheidswinst?

Als je stilstaat bij waarom jij je werk doet als behandelaar in de mondzorg dan zal dat waarschijnlijk zijn omdat je de gezondheid van jouw patiënten wilt bevorderen. We willen niet alleen maar ziekte en klachten oplossen maar ook voorkomen. Daarom beschikken de meeste praktijken niet alleen maar over tandartsen maar ook mondhygiënisten en (paro)preventieassistenten. Met zijn allen kunnen we het doel bereiken, maar bereiken we het doel wel echt? En in welke mate? Is het voldoende om het protocol te volgen of is er meer nodig? In dit blog zoeken we de weg om een duidelijk doel te zetten, deze te meten en te monitoren. Maar we vragen ons ook af of dit echt het antwoord op de vraag geeft of dat we nog iets dieper moeten kijken.

Alles begint bij een startpunt

Heb jij enig idee hoe gezond jouw patiënten zijn? Zijn jouw patiënten er beter aan toe dan in andere praktijken of loop je achterop? Of framen we het nu verkeerd en is het niet zo eenvoudig? Kijk, daar gaan we al. Is jouw praktijk überhaupt te vergelijken met een andere praktijk en is dat eerlijk?

Als ik iets heb geleerd in de afgelopen 25 jaar dat ik praktijken heb mogen beleven dan is het wel dat elke praktijk zijn eigen patiëntenpopulatie heeft die niet te vergelijken is met een andere praktijk. Zelfs niet met die praktijk die misschien wel aan jouw praktijk vastgeplakt zit. Dat komt bijvoorbeeld doordat de praktijk zit ‘opgescheept’ met de patiënten van de vorige eigenaar. Die hebben zich (vrijwillig of onbewust gedwongen) gevoegd naar de praktijkcultuur. Zo kenden we vroeger de typische ziekenfondspraktijk en de praktijk voor particulier verzekerden. En dat ebt nog na in jouw praktijk. Je kunt dit soms herkennen aan de taal die je patiënten gebruiken. Zo spreken patiënten uit de ene praktijk nog over ‘de wolf’ en in de andere praktijk over ‘gouden onlays’. De mate van de mooie term dentalminded-heid kan dus per praktijk enorm verschillen.

Sturen op cijfers

Dus, ik zou willen zeggen: Het gaat er niet om over hoe je goed of slecht je er bij staat, maar ken wel je 0-punt. Pas als je weet wat je getallen nu zijn, kan je gaan inschatten wat een reëel doel is. Je kunt dan bedenken waarmee je tevreden zal zijn en binnen welk termijn. Je hoeft dus geen oordeel te vormen over je data die je kunt verzamelen uit de software. Niks is slecht of goed, het is enkel de startlijn waar vanaf je de wedstrijd aangaat.

Het is wat anders als je cijfers na je inzet de verkeerde kant op hollen. Het is de bedoeling dat als je gaat evalueren je trots kunt uitspreken dat je richting de finish aan het gaan bent. Dus je startpunt is puur een cijfer ter referentie voor in je eigen praktijk, niet meer niet minder.

Probeer niet klakkeloos een vinkje neer te zetten als blijkt dat je op de goede weg zit naar de finishlijn. Het is juist de bedoeling om te bekijken hoe je daar bent gekomen. Wat is de exacte reden van het succes? Welke acties hebben jullie ondernomen dat waarschijnlijk tot dit succes heeft geleid? Pas als je dit in beeld hebt, dan is er sprake van een nuttige evaluatie. Je kunt dan deze actie behouden of nog meer uitwerken.

Ik wil graag benadrukken dat juist de samenwerking tussen tandarts, mondhygiënist en (paro)preventieassistent cruciaal is om cijfers goed te duiden. Want wie trekt welke conclusies? Wordt het beleid afgestemd of blijft het hangen bij losse cijfers zonder gezamenlijke interpretatie?

Welke getallen?

Maar over welke getallen hebben we het dan? Dat ligt in wezen aan je ambitie. Misschien is het te veel gevraagd om meteen alles van stal te halen en wil je alleen de getallen weten van wat je werkelijk op dit moment van belang vindt. Of wat je überhaupt lukt om in beeld te brengen. Want het vergt wel enige handigheid en know-how van software. Een trucje is om aan bepaalde behandelcodes een voorloopcode te plaatsen zodat je het voortaan wel lukt om het uit je software te trekken. Want het moet dus wel terug te vinden zijn. Niet ingevoerd betekent, niet terug te vinden. Een aantal voorbeelden van getallen die interessant kunnen zijn:

  • Hoeveel restauraties worden er gelegd per leeftijdscategorie?
  • Hoeveel PPS3 hebben we in onze praktijk?
  • Naar welke behandelaars gaan de patiënten met PPS3?
  • Hoeveel patiënten zitten er in de T-codes?
  • Hoeveel T32 zijn er dit jaar (of de afgelopen) jaren gedaan?
  • Hoeveel procent bloeding is (in bepaalde tijd) er bij patiënten in de M-codes?
  • Hoeveel procent plak is er bij patiënten met M-codes?
  • Bij hoeveel volwassen patiënten die bij de preventie-assistent komen, is de bloedingsindex gescoord?
  • Hoeveel procent bloeding is er bij de patiënten in de nazorgcodes?
  • Hoe diep zijn de pockets bij patiënten met een recente T12 code?
  • Hoe diep zijn de pockets bij patiënten met een recente T32 code?
  • Hoeveel endo’s zijn er het afgelopen jaar gedaan?
  • Hoeveel kronen?
  • Hoeveel protheses?
  • Hoeveel implantaten?
  • Hoeveel extracties?
  • Hoeveel van de patiënten met implantaten gaan er naar de mondhygiënist?
  • Hoe vaak worden er röntgenfoto’s gemaakt?
  • Hoe vaak wordt de anamnese ingevuld?
  • Hoeveel Mcodes werden er gedeclareerd ten opzichte van de ingeplande tijd?
  • Hoeveel ouderen zijn er dit jaar naar de praktijk gekomen en hoeveel niet?

Een en een is niet altijd twee

Je ziet, je kunt van alles meten. Maar…sommige dingen laten zich moeilijk of slecht meten. Dus we adviseren om je getallen te kennen, maar maak ze niet belangrijker dan ze zijn. Hou ook oog voor hetgeen dat zich niet of moeilijk laat meten.

Het streefgetal kan moeilijkheden opleveren als het niet behaald wordt. Want de verleiding zit erin om dan te bekijken wat er verkeerd is gegaan. Maar misschien is er niks verkeerd gegaan maar juist goed. En dit is een spannend stukje waar je als manager zonder tandheelkundige achtergrond niet uit zal komen. Dit vergt een kritisch dentaal oog. Zo is het logisch dat als je patiëntenpopulatie uit veel ouderen bestaat er sprake zou kunnen zijn van veel spacing, van veel solitaire elementen, patiënten die niet gewend zijn aan regelmatige röntgenfoto’s en deze weigeren en van zeer stabiele gebitten. Allemaal hele goede redenen om die röntgenfoto juist niet te maken. Je snapt dat het uiterst vervelend kan zijn als de behandelaar die het ALARA-principe ter harte neemt, wordt aangesproken op het aantal foto’s. Of neem die mondhygiënist die bij een aantal PPS3 patiënten geen T-codes hanteert en bestraffend zou worden aangesproken terwijl ze dit zorgvuldig heeft afgewogen, omdat er bijvoorbeeld enkel een M3 verdiept was, of deze patiënten nog in een gedragsverandering zitten, niet in het bezit zijn van een fijne motoriek, of er voor gereguleerde afbouw is gekozen of er een endo-paro was.

Complexe casussen

Verder kunnen casussen erg complex zijn. Dan is stilstand of glijdende achteruitgang soms al een hele prestatie. Even een noot qua parodontologie hierbij: in het stellen van de diagnose kunnen sommige casussen hierbij als complex uit de bus komen. Persoonlijk vind ik dit nogal een foute manier. Er wordt dan enkel bekeken hoeveel elementen er nog zijn, hoeveel plak/tandsteen en of er sprake is van roken en diabetes. Terwijl parodontitis zeer duidelijk multicausaal is en er in werkelijkheid zoveel meer factoren kunnen meespelen dan die gevangen (kunnen?) worden binnen deze formuleringen. Het idee dat er dan per definitie een parodontoloog nodig is, kan ook over gediscussieerd worden. Wat mij betreft kan hier gezegd worden dat we tegen de rand van de mogelijkheden van wetenschap oplopen en we meer moeten leunen op wijsheid. Want kan een parodontoloog meer mentale steun geven dan een mondhygiënist? Moeten we iemand die overloopt van het werk, het gezin, het mantelzorgen ook nog een extra reistijd geven naar de parodontoloog?

Wat is kwaliteit?

En zo lopen we zo zachtjes tegen de vraag aan wat goede zorg nu eigenlijk is.

Al eerder werd aangegeven dat niet alles zich in cijfers laat vangen. En misschien zal je nu denken dat een behandelaar die zijn zachte kant kan inzetten en de patiënt het perfect naar het zin maakt toch ook de kwaliteit bepaalt? Zeker, alleen vergeten we een ding. Een tevreden patiënt is nog niet een goed verzorgde patiënt. Uit een patiëntenenquête kan veel gehaald worden, maar veel hiervan is subjectief of nog erger…nog niet eens subjectief. De patiënt heeft regelmatig geen vergelijkingsmateriaal, weet dus ook niet of het beter zou kunnen of hoe heel erg slecht het er dan uit zou zien. En meten we niet juist alleen maar welke verwachtingen een patiënt had en of ze zijn uitgekomen? Een patiënt met lage verwachtingen is niet zo moeilijk tevreden te stellen. Een patiënt die gewend is om op vakantie te gaan in een 5-sterren hotel en champagne bij de kapper te krijgen, is moeilijker tevreden te stellen en je kunt jezelf afvragen of je diegene wel tevreden zou moeten willen stellen.

Welke praktijk je ook meet met een enquête, er komt waarschijnlijk een 8 uit. Bovendien, moeten we af en toe niet soms onvriendelijk zijn? Zeker als je je met gedragsverandering bezigt dan is het voor de patiënt zeker niet altijd even prettig om zichzelf in de spiegel te zien. We hebben vele plichten die nu eenmaal patiëntonvriendelijk zijn. Bijvoorbeeld als je iemand naar huis moet sturen omdat de INR-waarde niet is bepaald of een andere reden waarom behandelen niet verstandig is. Of als iemand moet wachten omdat er een spoedgeval tussendoor kwam. Of als iemand jou heel respectloos behandelt, mag je dan nog een grens stellen of zijn we bang voor een slechte review? Moet alles wijken voor de patiënt en voor kwaliteit? Mag jouw rug naar de knoppen gaan omdat anders de patiënt niet zo lekker ligt? Dan kennen we ook nog het spreekwoord zachte heelmeesters maken stinkende wonden. Want als je elke keer de patiënt maar over de bol aait terwijl het gebit op instorten staat, zal de patiënt je fantastisch vinden maar is je tandheelkunde beroerd.

Natuurwetenschap versus menswetenschap

Onze manieren van meten en handelen binnen de mondzorg die veelvuldig besproken worden op congressen liggen vaak binnen de natuurwetenschap. De natuurwetenschap is objectief, probeert waarnemingen en metingen te doen los van meningen of emoties. Het gebruikt onderzoek in gecontroleerde omstandigheden en zoekt naar wetten en patronen die herhaalbaar (!) zijn. Het ontdekt universele regels die overal gelden. Nou, hier zijn zorgverzekeringen dol op. Je komt vast ook vaak uit met de UPT-codes en vergoedingen, maar vaak ook niet, toch? En dat je dan een aanvraag moet doen op een vast format. Alsof je een mens van A tot Z kunt doormeten en ook nog eens in concrete taal kunt formuleren. Alsof je een mens door een computer kunt halen en er dan een kloppend papiertje uit komt rollen zoals tegenwoordig uit de zij van een serveerster voor de rekening.

Elke behandelaar weet dat elke patiënt anders is en de toekomst niet zo eenvoudig is om te voorspellen. De patiënt heeft passende zorg nodig. De juiste zorg in de juiste stoel. Daar heeft zelfs de politiek het hart van vol.

Binnen de menswetenschap wordt de mens, menselijk gedrag, cultuur, taal, geschiedenis, denken en samenleven onderzocht. Dit raakt het multicausale karakter toch veel meer, zou je zeggen. Het is interpretatief, dat wil zeggen dat het vaak gaat om het begrijpen van betekenissen, overtuigingen en context. Het is dus contextgebonden als in wat waar is in de ene cultuur/tijd is dat niet altijd in de andere. Het is niet altijd meetbaar, maar werkt met interviews, observaties of teksten en dus niet alleen cijfers. De onderzoeker beïnvloedt het proces meer omdat de mens zelf het onderwerp is. Het doel van menswetenschap is begrijpen en interpreteren. Maar het is nu juist de politiek die louter meetbare kwaliteit wil en aanstuurt op vaste kwaliteitsindicatoren.

Bijvoorbeeld: een patiënt met lage bloeding maar ernstig angstig. Het cijfer lijkt goed, maar gezondheidswinst nihil. Of juist een PPS3-patiënt met stabiel maar niet perfect resultaat, waarbij de winst juist zit in gedragsverandering en therapietrouw. En denk ook eens over deze na: Een praktijk met zeer lage bloedingsscores en waar vrijwel iedereen de mondhygiënist of preventieassistenten bezoekt…is dit kwaliteit of is dit overbehandeling?

Speur de afwijking op

Het interessante is dus om niet alleen maar te juichen bij vooruitgang in de cijfers maar ook eens uit te diepen welke patiënten niet zijn meegekomen in het succes.

Dit zijn uitstekende voorbeelden om eens met het hele team te bespreken. Om ook eens professionals te betrekken buiten je praktijk, zoals de huisarts, de logopedist, de diëtist of psycholoog. Bekijk hierin vooral hoeveel de context meespeelt. En wie weet, kom je er achter dat je de politiek / de gemeente nodig hebt om je doel bij sommige patiënten echt te bereiken. Want context gaat ook vaak om omgeving en deze speelt een grote rol in gedragsverandering. Ook zou je je casus op Mondzorgforum kunnen plaatsen als je advies wil van tandartsen, mondhygiënisten of (paro)preventieassistenten van buiten je praktijk.

Conclusie

Dus we willen heel graag grip krijgen en cijfers lijken ons dat te geven. We krijgen het idee dat we dan de controle kunnen pakken en zaken vergelijkbaar kunnen maken. Maar, juist als we kwaliteit willen, zullen we moeten kijken naar de menselijke bejegening, vertrouwen, angstvermindering en mooie gesprekken. Zorg is meer dan een getal.

Een patiënt die zich gehoord voelt en serieus genomen voelt, zie je niet terug in M-declaraties. En wat bij deze specifieke patiënt blijkt te werken, kan bij een andere patiënt totaal het tegenovergestelde opleveren. Een goede mondzorgverlener leest niet alleen het dossier, maar ook de mens achter de mond.

Kwaliteit betekent voor de ene patiënt een stralende lach en voor de andere geen pijn of angst. Als je je kwaliteit wilt leveren, zal je je cijfers wel moeten weten maar deze ook op de juiste manier moeten interpreteren. Het zijn stukjes van een grotere puzzel. Zonder inzicht in de achterliggende omstandigheden, het patiënttype, de behandeldoelen of zelfs de communicatiestijl van de zorgverlener, kunnen cijfers misleiden in plaats van verhelderen. Goede mondzorg betekent dus meer dan scoren op meetbare indicatoren. Het vraagt om klinisch redeneren, empathie, ethiek en het vermogen om cijfers te interpreteren in het licht van het individuele verhaal van de patiënt.

Je moet weten wat je meet, maar vooral begrijpen wat die meting wel en niet zegt.

Goede mondzorg vraagt om een combinatie van harde data én zachte vaardigheden. Alleen door beide te integreren, kunnen we échte gezondheidswinst boeken.

Dit stuk werd mede geïnspireerd door het boek Wijsheid van Paul Verhaeghe

Lieneke Steverink-Jorna, mondhygiënist
Lees meer blogs

Lees meer over: Blog, Opinie
blog bram

Blog: Ondankbaar, geestdodend en lichamelijk vermoeiend.

Een sluimerende eenzaamheid tijdens het grootste gedeelte van de dag. Alleen zijn samen met de viezigheid en een kritisch en negatief uitpubliek. Een afgesloten hokje. Een isoleercel. Steeds maar hetzelfde. Opnieuw en opnieuw en opnieuw en opnieuw. Op de radio hoor je: “I Say a Little Prayer” met later in de middag het nummer “Think”, Van wie zijn die nummers ook alweer? Je eigen gedachten houden je gezelschap. Leuk joh.

Wat doe je de hele dag? Nou, alles wat met het opruimen van smerige rotzooi te maken heeft. Een soort vuilnisman. Of afwasser in een restaurant waar alles met vis, knoflook en Franse kaas bereid wordt. Of schoonmaker in zorginstellingen waar demente ouderen met hun doorligplekken vastplakken aan de lakens en de diarree van eergisteren. En dan dierenartsen. Die hebben in hoge mate last van depressieve gedachten en plegen vaak zelfmoord.

Maar… dit is allemaal eigenlijk illustratief voor één soort werk… Even een raadsel: Wat is het toppunt van viezigheid? De vuilnisbelt. Haha, maar wie hangt er de hele dag boven de vuilnisbelt? De mondhygiënist. Wie moet dat schoon maken met gebogen rug? De mondhygiënist. En wie moet de hele dag een innemende vriendelijke en liefst ook nog mooie glimlach opzetten? De mondhygiënist. Jazeker, want anders is ze direct een akelige heks. Heksen bestaan alleen in sprookjes. En in sprookjes moet je geloven. Anders werken ze niet.

Dus lachend zeg je: “Knibbel knabbel knuisje, kan ik je mond uitknijpen? Het ruikt als een puistje.” En de betweterige mond van de patiënt antwoordt:  “De wind, de wind dat hemelse kind.” (want dat zeggen Hans en Grietje) ‘Wind?’ denk je bij jezelf, ‘die winden van m’n vent onder de dekens stinken nog niet zo erg als die bek van jou. Jezus Christus, wat een paardenmest. Wat een bedorven moerasgeur. Onzichtbaar, maar oh zo ranzig. Zuurstof arme zwavellucht. Bah. Bezwete sokken die twee weken vacuüm verpakt zijn gebleven. Gadverdamme. Dit wil ik niet ruiken.’ De scherp zurige babypoepgeur wanneer je lucht blaast tussen die vla kleurige 25 en de dof wit met donker grijs metalen 26. Tot overmaat van ramp blaas je daarmee nog een gelig wit stukje etensrest weg. Dicht gaat de mond. Godzijdank, denk je, dat wordt doorgeslikt. Echter, ineens komt de tong tussen de lippen door. Met daarbovenop een beige verfrommeld kipstukje. Heel blij wordt je aangekeken. Met de houding: ‘toe maar, ik help je wel even’. En je wil het niet zeggen, maar onvrijwillig zeg je toch: “Dank je.” Terwijl je buikspieren zich heel kort om je maaginhoud aanspannen, neem je het klontje weg met je spiegeltje. Maar er wordt alweer gedirigeerd. Gebiedend gewezen. Grote ogen met de mond open. Achter in de keel wordt de boodschap kracht bij gezet door een rochelend geluid alsof er een buitenboordmotor aan wordt gezet. ‘Hej jij, zuig eens op’ is de boodschap. ‘Ik heb 100 liter water en speeksel in mijn keel en ik verdrink als jij dit niet snel doet.’ Gedienstig zet jij de plastic slurf in de beerput met het kleine beetje lichaamsvocht. Je hoort “Chain of Fools” als je aan het laatste spalkje van de dag begint. Je zakt nog iets verder ineen op je krukje. En dan moet je eigenlijk nog over het stoken beginnen. Stoken. Stoken in je eigen relatie als mondhygiënist met de patiënt zeker. Want beter wordt het niet. En hoe vaker je er over begint. Des te geërgerder word je aangekeken. En jij die nog steeds de mooiste glimlach acteert terwijl de patiënt zijn afkering spuwt: “Ik heb hier dus helemaal geen zin in.” Jij glimlacht stralend. “Ik móest naar de mondhygiënist.” Jij glimlacht als een zon tussen de wolken. “Ik haat dit, maar het is niet persoonlijk hoor.” Jij glimlacht met je mond en kijkt met ogen als onweer.

Je moet wel sterk in je schoenen staan om je leven lang als mondhygiënist te kunnen blijven werken. Alles is relatief. En juist daarom dus: wordt geen mondhygiënist. Doe het niet. Wordt vrachtwagenchauffeur. Dan kan je lekker de hele dag tegen je medeweggebruikers schelden. Of relatietherapeut, lekker stoken. Of de vreugde gevende kapper of gelukkige bloemist. Maar geen mondhygiënist. Doe het niet. Nu het nog kan.

Haal je echter als werkzaam mondhygiënist dankbaarheid in plaats van ondankbaarheid uit je baan? Vind je het levendig, in plaats van geestdodend? Is het comfortabel, in plaats van zwaar? Ja? Dan verdient dat RESPECT. En de muziek van Aretha Franklin.

 

Bram Koolstra, tandarts
Lees meer blogs

Lees meer over: Blog, Opinie

Johan Oost over mondgezondheid als deel van de algehele fysieke gezondheid: “Ik zie de mond als een ‘venster’ naar de rest van het lichaam”

We praten met drs. Johan Oost die een holistische kijk heeft op mondgezondheid.  Hij ziet grote potentie in de rol die de mondzorgpraktijk kan spelen als het gaat om preventieve aanpak van de algehele gezondheid van de patiënt. Hij zou graag zien dat meer gebruik gemaakt kan worden van interventies buiten het vakgebied en periodieke metingen in de praktijk die een algeheel beeld schetsen van de gezondheid.

Hoe kijk je naar mondgezondheid in relatie tot de algehele gezondheid?

“Ik bekijk mondgezondheid vanuit een holistisch oogpunt; de mens als geheel zien en de mond maakt daar deel vanuit. Ik zie de mond als een ‘venster’ naar de rest van het lichaam. Zo kun je op basis van ‘indicatoren’ zoals de conditie van het tandvlees veel aflezen en een link leggen naar bijvoorbeeld een verstoorde stofwisseling of stress. De meeste patiënten staan open voor informatie en advies. Ik leg uit dat de signalen die ik waarneem in de mond kunnen duiden op problemen elders in het lichaam. Op basis van mijn waarneming zet ik uiteen wat de mogelijke lichamelijke klachten kunnen zijn die samenhangen met de indicatoren binnen hun mond. Als ze een klacht herkennen geef ik advies op welke manier deze verholpen kunnen worden.”

Past jouw intakegesprek met de patiënt ook bij jouw visie?

“Zeker! Ik kijk dan al naar de leefstijl die invloed heeft op algehele gezondheid. Zoals bijvoorbeeld voeding, beweging, het werk van de patiënt, of er stress in het spel is en het slaappatroon. Ik ga een gesprek met ze aan een geef soms al advies. Dit advies heeft vaak niet direct met de mond te maken, wat voor patiënten vaak raar of confronterend kan overkomen. Als de patient al langere tijd bij mij onder behandeling is, krijgt deze een bepaalde mate van vertrouwen en is de kans groter dat ze mijn advies opvolgen.”

Hoe staan collega’s in de mondzorg tegenover jouw manier van werken?

“Ze zien me soms wellicht een beetje als een vreemde eend in de bijt. Het interdisciplinair werken is al een gemeengoed in de mondzorg. Het is logisch bijvoorbeeld dat je een patiënt doorstuurt naar een implantoloog, maar het vakoverschrijdend werken is vaak (nog) een brug te ver. De materie buiten het vakgebied mondzorg is ook nog niet opgenomen in de opleiding Tandheelkunde. Ze begrijpen mijn aanpak wel steeds beter. De bewustwording is in gang gezet. Zo wordt al het verband gelegd tussen de tongpositie en verstoorde gebitsontwikkeling, waardoor er in een eerder stadium al een mogelijke oplossing middels logopedie wordt voorgesteld. Zo kan het zijn dat daarmee de noodzaak voor een orthotraject wordt verkleind of zelfs verdwijnt.”

Werk je samen met partners die aanvullende zorg kunnen verlenen die passen bij jouw aanpak en visie? 

“We werken samen met een diëtiste, vanwege het feit dat het voedingspatroon in nauw verband staat met de algehele gezondheid. Ik verwijs de meeste nieuwe patiënten waar een hoge cariësactiviteit aanwezig is naar haar door. Een toenemend aantal collega’s ziet ook de toegevoegde waarde in van haar kennis en informeren de patiënten waarom een consult aan haar verstandig is. Ze motiveren de patiënt er gebruik van te maken, het is eigenlijk ‘laaghangend fruit’. Een relatief kleine stap naar bewustwording en verandering van eetpatroon kan van grote invloed zijn op de leefstijl en daarmee de algehele gezondheid. Indien er geen mondproblemen aan de orde zijn is het een preventieve aanpak om later (grote) problemen te voorkomen. Een andere indicatie op basis waarvan ik eigenlijk altijd een patiënt doorstuur naar de diëtiste is parodontitis.”

Hoe wordt de verdere administratieve afwikkeling geregeld van de doorverwijzing?

“De diëtiste maakt een verslag en plaatst dit in het patiëntendossier. De werkzaamheden van de diëtiste worden verwerkt in haar eigen systeem. Dit wordt vergoed vanuit de basisverzekering en verrekend met het eigen risico en dat vormt soms een drempel om gebruik te maken van deze interventie. Er is in de mondzorg nog geen aparte code vastgesteld door de NZa die gebruikt kan worden voor de declaratie. De code M01 (algehele voorlichting) is een mogelijkheid maar er geldt een maximum voor het gebruik ervan. Dat maximum wordt al snel overschreden als voedingsadvies daarin opgenomen wordt. Het wordt dus tijd dat er een specifieke code komt voor deze component.

Ongeveer 80% van mijn tijd besteed ik aan het herstellen van schade in de mond dat veroorzaakt wordt door een ongezonde leefstijl. Dit benadrukt het belang van het opnemen van deze interventie in de mondzorg en alles wat daarbij hoort om dat mogelijk te maken. Ik pleit daarom voor een vaste plek voor een diëtiste in de tandheelkunde.”

Welke bijzondere interventie kan een rol spelen om (mondzorg)problemen te voorkomen of te behandelen?’

“Een ademcoach kan bijvoorbeeld helpen om (mond)gezond te positief te beïnvloeden. Mondademhaling kan zorgen voor het feit dat de patiënt vaak verkouden is. Het aanwennen van neusademhaling is de manier om lucht te zuiveren en te verwarmen. Tevens droogt een mondademhaling de mond uit, wat het tandvlees en tanden negatief kan beïnvloeden. Speeksel heeft namelijk een smerende en bufferende werking.

Voor kaakproblemen bijvoorbeeld kan een verwijzing naar de gnatholoog een oplossing bieden en een psycholoog kan helpen om de tandartsangst aan te pakken met bijvoorbeeld EMDR als het gaat om een trauma.”

Hoe zie je de mondzorg in de toekomst?

“De mondzorgpraktijk zou een poortwachtersrol moeten spelen in het voorkomen en vroegtijdig herkennen van gezondheidsproblemen. We zijn de enige zorgverleners die een patiënt met enige regelmaat zien. Hier zouden we veel meer gebruik van kunnen maken door het geven van advies.  Zo zou bijvoorbeeld heel goed diabetes voorkomen of omgekeerd kunnen worden. Door periodiek waardes te meten zoals bloeddruk, cholesterol en suikerspiegel kunnen we een goed beeld schetsen van de basisindicatoren van de algehele gezondheid.”

Zijn er al ontwikkelingen in gang gezet om dit vorm te gaan geven?

“Ik ben al eens in gesprek gegaan hierover met mijn werkgever Dental Clinics. Ze zijn al warm gemaakt voor het draaien van een pilot.

Mijn ideaalbeeld is de mondzorgpraktijk te beschouwen als een soort ‘consultatiebureau’ waar belangrijke parameters worden vastgelegd in een EPD waar ook een huisarts toegang toe heeft. Als er op grond van de metingen blijkt dat er iets in het lichaam niet goed gaat kun je bijvoorbeeld de patiënt adviseren om meer te gaan bewegen door bijvoorbeeld zich aan te sluiten bij een wandelgroep. Als we te lang wachten met deze preventieve aanpak stevenen we af op een zorginfarct over enkele decennia. Het zou goed zijn om de gezondheidszorg helemaal anders aan te pakken en preventief te werk te gaan. Op basis van statistische parameters is de verwachting dat de duur van het leven in goede gezondheid korter wordt terwijl de uiteindelijke levensverwachting stijgt dus we leven gemiddeld gezien inmiddels langer met ziekte dan in volledige gezondheid. Een relatief simpele aanpak is het veel duurder maken van geraffineerde voedingsmiddelen. Ik zie hier een taak weggelegd voor de overheid om meer aandacht te besteden aan gezonde voeding.

Zo kan er bijvoorbeeld op scholen al aandacht besteed worden aan het algehele voedingspatroon, de lunchpauzes de lengte te geven die het gezondheid technisch verdient of scholen subsidies te geven om een gezonde maaltijd aan te bieden. Dit komt ook de concentratie en het functioneren van de leerling ten goede.”

Je volgt de opleiding Integrative Medicine en Leestijlgeneeskunde, wat is jouw motivatie daarvoor?

“Ik zie het als een missie om de holistische aanpak op de kaart te zetten. Ik ben die opleiding gaan doen om meer wetenschappelijke onderbouwing te hebben over leefstijl en algemene gezondheid, zodat ik dat kan implementeren in de algemene (tandarts)praktijk.”

Wat is nu de volgende concrete stap?

“Indien Dental Clinics wil meewerken aan mijn plan in de vorm van de pilot is het belangrijk om deze een goede invulling te gaan geven zodat deze eenvoudig is, zonder te tijdrovend te zijn en geïmplementeerd kan worden in het preventief mondonderzoek.

We hebben dan een goede onderbouwing om de zorgverzekeraar ervan te overtuigen dat de holistische aanpak in mondzorg een deur kan openen naar kosteneffectieve preventie.”

 

 

Johan Oost werkt bij de mondzorgketen Dental Clinics en volgt vanuit interesse de tweejarige opleiding Integrative Medicine en Leefstijlgeneeskunde aan het AIM.

 

Interview door Petra van der Zwan, van Gezond & Inzetbaar – auteur | Leefstijlinterventies | Trainer, voor dentalinfo.nl met Johan Oost.

 

 

 

Lees meer over: Interview, Opinie
Blog Jerry Baas

Blog: Quiz

Petje op, wij behandelen patiënten of, petje af, we behandelen cliënten. Petje op toch, want cliënten klinkt zo commercieel! We zijn toch geen winkeliers of stiekem toch wel? Wat is het verschil eigenlijk tussen patiënten en cliënten?

‘Patiënten zijn zorgbehoevend en worden daarvoor behandeld (petje op) en cliënten in de zorg krijgen een behandeling die niet gericht is op genezing van een aandoening of ziekte (petje af).’ Cariës en ontsteking (gingivitis, parodontitis, enzovoort met -itis) zijn volgens mij de enige echte ziektes in ons vak, maar als je niet goed kunt kauwen, lachen of praten levert dat ook een zorgvraag op. Aan patiënten geen tekort dus.

Toch zijn er tegenwoordig praktijken waar misschien wel de helft van de omzet wordt gemaakt met preventieve mondzorg bij cliënten, die dus niet zorgbehoevend zijn. Voorkomen is namelijk beter dan genezen en een goed verdienmodel bovendien. Bijna al mijn cliënten gaan in ieder geval regelmatig naar de mondhygiënist of preventie assistent of er nou een tandvlees ziekte is of niet en met als steeds weer terugkerende onderdeel: de mondhygiëne-instructie. Net zolang, totdat er niets meer te verbeteren valt, ze er gek van worden en gaan klagen over betutteling. Doel bereikt.

Er zijn ook praktijken die onder preventieve tandheelkunde nog iets anders verstaan. Daar worden ‘gezonde’ vullingen en kronen vervangen voor nieuwe, mooiere en duurdere exemplaren. Dit is ook een uitstekend verdienmodel, maar levert geen gezondheidswinst op en soms zelfs (weefsel-)verlies. De (onwetende) cliënten worden hier weliswaar niet betutteld, maar wel ingepakt door een als tandarts vermomde winkelier.

Echte preventie zorgt gelukkig wel voor gezondere monden, maar helaas wordt deze winst steeds meer gecompenseerd  door de toegenomen functionele en esthetische wensen van de patiënten. Dus hoe commercieel sommige mondzorgverleners  ook zijn en (preventieve) zorg verkopen aan gezonde cliënten, aan echte patiënten valt nooit te ontkomen.

Mijn antwoord op de vraag (Petje op; wij behandelen patiënten of Petje af; we behandelen cliënten.) is dan ook: ik reken beide goed.

Jerry Baas, tandarts

Lees meer blogs

 

Lees meer over: Blog, Opinie
Blog Bart Admiraal - 400

Blog: Verzopen Cat

Pestbericht. Op 16 mei 2025 heeft de Algemene Leden Vergadering van het College Adviserend Tandartsen (CAT) besloten de vereniging na 76 jaar op te heffen. Wij danken u voor de jarenlange prettige samenwerking”

Nu zullen vele collegae verbaasd de wenkbrauwen fronsen “CAT CATS wat zou dat zijn geweest? Was dat niet die palingpopgroep uit Volendam, ooit? Of die Cats van de musical van de briljante Andrew Lloyd Webber over de jellicle cats, die magische stam van pratende katten levend op een vuilnisbelt? Het zal wel die laatste zijn, past het best bij de mondzorg, vuilnisbelt variëteit van langs elkaar levende wezens.

Het CAT, die zichzelf op 16 mei met veel perspoeha heeft verzopen, staat voor een zeer nuttig en gewaardeerd gebleken college.

Het College van Adviserend Tandartsen (CAT) werd in 1948 opgericht door en voor tandartsen met controlerende werkzaamheden voor de ziekenfondsverzekerden. Zij waren in dienst van het Tandheelkundig Controle Instituut (TCI) dat gelijkwaardig bestuurd werd door de NMT en de ziekenfondsen.

So far so good maar in 1990 is er een grote misser gemaakt. Toen hield dit instituut op te bestaan en kwamen de adviserend tandartsen in dienst van de ziekenfondsen, His Masters Voice, en later de zorgverzekeraars. Kortom, weg onafhankelijkheid. Verzekeraars bepaalden de koers en inhoud van de mondzorg, gecontracteerde tandartsen aan de verstikkende leiband.

De krokodillentranen worden nu geplengd door de oudere veelal gepensioneerde tandartsen, want het was een zeer nuttig instituut met vingers in de pap.

Met een probleem, een vraag, een verzoek om behandeling van ziekenfondsverzekerden was die adviserend collega onder handbereik, per telefoon, brief of zelfs met huisbezoek op de koffie. Zoals die boulimia patiënte, sterk vermagerd, met veel weggekotst glazuur, met hulp terugkrabbelend naar ja, naar wat eigenlijk, als jonge vrouw? Totaalextractie en immediaat conform Systematische Rationele Beginselen met eenvoudige middelen, het ziekenfonds mantra? Uitgebreide anamnese, behandelingsplannen, modellen, kleurendia’s (geen tarief voor) en een consult bij de adviserend tandarts (AT). Een wat knorrige bozige man, maar ook hij had een hart en stemde in met een plan: rehabilitatie met goudporselein. Toen waren er nog ziekenfondsen met hart voor de zorg. Dankzij een AT. Overigens het kroon en brugwerk 1985-2025 in functie. Naar tevredenheid. Matig betaalde behandeling met ongekend veel immateriële voldoening.

En die AT die op een regionale lezing fel aansloeg bij de opmerking van de spreker dat “er voor een goede endo zeker wel 7 foto’s noodzakelijk waren” en ook de in de zaal aanwezige voorzitter NMT tekeer ging over dit gezondheidsschadelijk immoreel gedoe  “er is een code voor dus het mag”. Samenwerking op locatie tussen NMT en TCI, om nooit te vergeten.

En dan die lezing van een AT over tandheelkundige zorg aan jeugdigen: Het was mogelijk kronen te plaatsen op eerste molaren die al ver heen waren…. Over een regionale kronen kampioen, een zeer hoog percentage van alle regiokronen bij jeugdigen op zijn naam. Nodig of niet, het zit in het pakket dus het mag.

Gelukkig zie je dat niet meer….

Tegenwoordig klaagt men steen en been over het machtigingsbeleid dat uitermate frustreert, niet alleen over de openeind code inzake de “preventie per 5 minuten” (vraagt om overbevissing) want, gelet op het Koninklijke Marine adagium “de dag heeft 24 uur en de nacht” dat is héél veel preventie. Sommigen zien het als het ingooien van eigen glazen.

De aanvragen moeten aan alle gestelde eisen voldoen, de betaler bepaalt. Elke verzekeraar heeft de adviserend tandarts vervangen door een functionaris mondzorg. Dat zal geen adviserend tandarts zijn, die heeft zichzelf net verzopen op 16 mei, maar is vervangen door een ongeschoolde TA, een Tandheelkundig Afwijzer.

Een Tandheelkundig Afwijzer zal vast wel goedkoper zijn qua scholing, met als opleiding een module mondzorg bij instituten die ook assistentes in een paar dagen leren boren?

Er is gelukkig zicht op snelle verbetering, de beroepsorganisatie richt een meldpunt op, waarna vermoedelijk een commissie zal worden ingesteld, een klankbordgroep en wie weet een TAM, Taskforce Afgewezen Machtigingen.

De algoritmesectie van NZa/Verzekeraars Big Band zal er wel wat op gevonden hebben: aanvragen afwijzen totdat suïcide volgt en aftoppen tarieven van veelplegers, bovennorminkomens afromen ten behoeve van een fonds voor patiënten die het niet meer kunnen betalen. Solidariteit. Naam van dat fonds?

Ziekenfonds…en zo komt de CAT weer op de pootjes terecht.

Bart Admiraal studeerde Tandheelkunde & Recht in Utrecht, werkte als tandarts. Als jurist adviseert hij zich gedupeerd voelende patiënten en tandartsen met JURISPREVENTIE.

Lees meer over: Blog, Opinie