Spelregels goede inzet mondzorgcoach gelanceerd

Spelregels goede inzet mondzorgcoach gelanceerd

KNMT en NVM-mondhygiënisten hebben een voorwaardenkader gelanceerd voor de inzet van een mondzorgcoach op het consultatiebureau. Dit kader beschrijft hoe de rol van deze coach op de juiste manier ingevuld wordt.

De mondzorgcoach geeft op het consultatiebureau preventieve adviezen aan ouders van kinderen in de leeftijd van 0-4 jaar en begeleidt het kind samen met de ouders naar een mondzorgpraktijk. Sinds 1 januari 2026 wordt de inzet van een mondzorgcoach op het consultatiebureau vergoed vanuit de basisverzekering. Het voorwaardenkader en een toolkit moeten gaan zorgen voor een goede implementatie van de coach.

In het voorwaardenkader staat beschreven hoe de mondzorgcoach op een goede manier ingezet kan worden, aan welke kwalificaties moet worden voldaan en wat de coach precies kan of gaat doen op het consultatiebureau.

Ook staat beschreven hoe het zit met de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van de coach, onder meer op het gebied van dossiervorming en verslaglegging. Verder komen de fysieke randvoorwaarden (ruimte en voorzieningen) voor het functioneren in het consultatiebureau aan de orde. En natuurlijk ook hoe de samenwerking tussen jeugdgezondheidszorg en de mondzorg vorm kan krijgen.

KNMT en NVM-mondhygiënisten geven de komende tijd voorlichting over de mondzorgcoach aan geïnteresseerden, te beginnen met een webinar op donderdag 28 mei.

Meer informatie over het webinar

Meer informatie van KNMT

Meer informatie van NVM-mondhygiënsten

Waarom is er een mondzorgcoach?

Volgens de huidige KIMO-richtlijn ‘Mondzorg voor Jeugdigen preventie en behandeling van cariës’ worden kinderen geacht vanaf het doorbreken van het eerste element naar een tandarts of mondhygiënist te gaan. Dat gebeurt echter nog te weinig. Vooral in achterstandswijken blijft de opkomst achter, wat kan leiden tot slechte mondgezondheid, veel onnodige cariës op latere leeftijd en onnodige gezondheidsverschillen. Omdat zo’n 95% van de kinderen van 0 tot 4 jaar bij het consultatiebureau komt, is dat de uitgelezen plek om ouders te helpen bij het aanleren van goed mondzorggedrag én ze te wijzen op de noodzaak om van tijdig met hun kind een mondzorgverlener te bezoeken

Er zijn 2 manieren waarop de JGZ professional (jeugdarts of jeugdverpleegkundige) tijdens de consulten kinderen kan toeleiden naar de mondzorgpraktijk: (1) door zelf rechtstreeks toe te leiden naar de mondzorgpraktijk (of (2) door toe te leiden naar een mondzorgcoach op het consultatiebureau. Die laatste heeft exclusief tijd en aandacht voor mondzorg en de verwijzing naar de mondzorgpraktijk.

Wat doet een mondzorgcoach?

De mondzorgcoach helpt ouders/verzorgers met het vroegtijdig aanleren van gezond eet- en mondzorggedrag van hun kind. Het direct aanleren van gezond mondzorggedrag is immers gemakkelijker dan het afleren van verkeerd gedrag. De coach geeft op het consultatiebureau voorlichting en begeleiding, maar voert geen curatieve behandelingen uit. Dat gebeurt in de mondzorgpraktijk. De mondzorgcoach wijst ouders er steevast op dat het belangrijk is om vanaf de doorbraak van het eerste element regelmatig voor mondonderzoek naar een mondzorgpraktijk te gaan.

Lees meer over: Kindertandheelkunde, Thema A-Z
Complexiteit vraagt om luisteren zonder vooropgestelde vragen

Complexiteit vraagt om luisteren zonder vooropgestelde vragen

“We moeten anders gaan kijken naar de psyche“. Psychiater Floortje Scheepers pleit voor een fundamenteel andere benadering van de menselijke geest. Jarenlang werden psychische problemen benaderd via een lineair model: je hebt een stoornis of niet. Dit mechanische denken — wie iets mankeert, wordt gefikst — leeft nog sterk, niet alleen onder professionals, maar ook bij verwijzers, financiers en patiënten zelf. Maar de psyche is complex en dynamisch. Tijd voor een paradigmashift.

Variatie als overlevingsstrategie

Scheepers grijpt terug op Darwin: niet de sterkste soort overleeft, maar degene met het grootste aanpassingsvermogen. Daarvoor is variatie nodig. Mensen verschillen van elkaar, en dat is precies wat ons als samenleving veerkrachtig maakt.

Sta eens stil bij je eigen eigenschappen. Hoeveel behoefte heb je aan controle? Hoe onrustig voel je je doorgaans? Hoe moedig ben je, hoe goed in taal of rekenen? En: zouden anderen jou hetzelfde scoren als jij jezelf? Waarschijnlijk niet. Eigenschappen zijn subjectief, contextafhankelijk, en veranderen door de tijd heen. Wat bij de één in een bepaalde situatie functioneel is, kan bij een ander of op een ander moment onhandig zijn.

Gedrag is functie van context

Zelfs ogenschijnlijk ‘negatieve’ eigenschappen als somberheid of angst hebben een functie. Soms heb je die terugtrekkende beweging nodig om te herstellen. En agressie? Die kan helpen om afstand te creëren als iets te dichtbij komt. Eigenschappen zijn dus niet statisch, maar afhankelijk van de context waarin ze zich uiten. Zelfs eeneiige tweelingen ontwikkelen zich verschillend, puur door omgevingsinvloeden.

De metafoor van de paardenbloem en de orchidee illustreert dat mooi. Paardenbloemen kunnen overal groeien, orchideeën hebben specifieke omstandigheden nodig — maar als die kloppen, bloeien ze schitterend. Helaas hebben we orchideeën vaak verteld dat ze mislukte paardenbloemen zijn. In plaats van aan de mens te willen sleutelen, moeten we kijken naar de context waarin iemand zich bevindt.

De psyche is een emergent verschijnsel

De psyche is geen los te analyseren orgaan, maar ontstaat uit de interactie tussen hersenen en omgeving. Zonder zintuigen geen depressie, zonder sociale interactie geen psychose. De psyche laat zich niet isoleren of reduceren. Zoals je het vloeibare van water niet begrijpt door alleen naar H₂O-moleculen te kijken, of muziek niet vindt in de houtvezels van een viool, zo moet je ook bij de psyche kijken naar het grotere geheel: de context, de interactie, de ervaring.

Wat is ervaring eigenlijk?

De ervaring van iets — écht voelen en meemaken — kan niet volledig begrepen worden via theoretische kennis. De metafoor van Mary, de wetenschapper die in een zwart-witte wereld alles leert over de kleur rood, laat dit zien. Pas als ze uit de zwart-wit wereld stapt en dan eindelijk de kleur rood echt kan zien, begrijpt ze het werkelijk. Hetzelfde geldt voor veel levenservaringen. Je moet het ervaren, erbij zijn, voelen. Daarom is de positie van de ervaringsdeskundige zo waardevol.

Ruimte voor resonantie

Scheepers pleit voor het toelaten van het niet-weten. Luisteren zonder direct te willen invullen. Echte verbinding ontstaat als we resonantie toelaten — als je het gevoel hebt écht contact te maken. Moeders die borstvoeding geven, synchroniseren letterlijk hun hartslag met die van hun kind. Dát is verbinding.

In de zorg zijn we geneigd snel onze professionele kennis in te zetten. Als de patiënt dan niet reageert, noemen we hem ‘therapieresistent’. Maar misschien hadden we eerst moeten luisteren.

Van blanco vel naar persoonlijke doelen

Er is een netwerk ontwikkeld waarin de patiënt centraal staat en zelf aan het woord komt. Geen vooraf opgestelde vragen, maar een open begin. Wat is voor jou belangrijk? Wat wil je bereiken? En hoe kan een professional je daarin ondersteunen? Niet top-down, maar samen. Dit vraagt om loslaten van kaders — spannend voor professionals die gewend zijn aan richtlijnen. Maar in complexe situaties moeten kaders niet leidend zijn.

Zorg organiseren rond mensen, niet rond diagnoses

Op mesoniveau is er ook verandering nodig. Diagnostiek wordt vaak keer op keer herhaald, alsof de vorige zorgverlener het niet begreep. We moeten samenwerken rond de mens, niet rond het systeem. Vanuit de sociale basis: gezond leven begint in een gezonde, inclusieve omgeving.

Historisch gezien zijn mensen met psychische klachten vaak buiten de maatschappij geplaatst. Vandaag de dag moeten we streven naar meedoen — in ieders eigen tempo. Variatie is essentieel voor het voortbestaan van onze soort. En dus: ruimte maken voor orchideeën.

Van bubbel naar brug

We hebben de neiging ons te omringen met gelijkgestemden. Maar alleen door bruggen te slaan (bridging capital) ontstaat een robuuste samenleving. In plaats van mensen in hokjes te duwen, moeten we verbinding zoeken over verschillen heen.

Waar vinden we elkaar? Soms bij de koffiemachine, in kwetsbare gesprekken: “Ik voel me soms niet gehoord.” “Ik heb een hond.” “Ik hou van carnaval.” – ineens blijkt: we delen meer dan we dachten of juist niet maar dat maakt het des te interessanter. Zelfs het verlies van een dierbare, dat in eerste instantie afschuwelijk is, kan een kans zijn tot verbinding en zo een positieve draai krijgen.

Prof. dr. Floortje Scheepers is hoogleraar Innovatie in de GGZ en hoofd van de medische, onderwijs- en onderzoeksafdeling psychiatrie in het UMC Utrecht.

 

Verslag door Lieneke Steverink-Jorna, mondhygiënist, voor dentalinfo.nl de lezing van prof.dr. Floortje Scheepers tijdens het NVvK & VMBZ Voorjaarscongres

 

 

 

Lees meer over: Congresverslagen, Kindertandheelkunde, Pijn | Angst
Kindergebit

Is het moment van tanddoorbraak afhankelijk van het lichaamsgewicht?

Een recent onderzoek uit India suggereert dat het doorbreken van blijvende tanden bij kinderen en adolescenten sterker samenhangt met het lichaamsgewicht dan met de lichaamslengte. Voor deze studie werden in de stad Chennai 12.650 schoolgaande kinderen en jongeren tussen de 5 en 18 jaar onderzocht. Bij alle deelnemers werd klinisch vastgesteld welke blijvende gebitselementen reeds waren doorgebroken. Deze gegevens werden vervolgens gerelateerd aan zowel lengte als gewicht.

Uit de analyse bleek dat beide factoren verband houden met het tijdstip van tanddoorbraak, waarbij het lichaamsgewicht de duidelijkste relatie vertoonde. Kinderen met een hoger lichaamsgewicht hadden gemiddeld een latere doorbraak van blijvende tanden dan leeftijdsgenoten met een lager gewicht. Dit patroon werd consequent waargenomen in alle onderzochte leeftijdsgroepen.

De resultaten zijn gepubliceerd in het American Journal of Human Biology. Het betreft een cross-sectioneel onderzoek en geen longitudinale studie, waardoor geen conclusies kunnen worden getrokken over individuele ontwikkelingspatronen. Daarnaast zijn mogelijke beïnvloedende factoren zoals voeding, sociaaleconomische omstandigheden en hormonale invloeden niet meegenomen in de analyse.

Bron:
Wiley

Lees meer over: Kindertandheelkunde, Thema A-Z
Associatie tussen aantal doorgebroken melktanden en wakker bruxisme bij jonge kinderen 400 230

Associatie tussen aantal doorgebroken melktanden en wakker bruxisme bij jonge kinderen

Een onderzoek gepubliceerd in het Journal of Oral Rehabilitation laat zien dat er een mogelijk verband is tussen doorkomende tanden en bruxisme. Het onderzoek laat zien dat het aantal doorkomende hoektanden en melkkiezen een verband kan houden met het aantal keer dat ouders wakker bruxisme (AB) melden bij jonge kinderen.

Bruxisme

Bruxisme wordt gekenmerkt door activiteit van de kauwspieren en kan tijdens de slaap optreden; slaapbruxisme (SB) en wakkerbruxisme (AB), dat tijdens het waken optreedt. Een recente systematische review laat zien dat de prevalentie van AB ongeveer 18% is en 19% bij adolescenten van 10 tot 19 jaar. Deze studie richt zich op het evalueren van het verband tussen het aantal doorgebroken melktanden en de frequentie van de door ouders gerapporteerde wakker bruxisme (PRAB).

Studie

De cross-sectionele studie is uitgevoerd tussen september 2021 en april 2022 en vond plaats in Zuid-Brazilië. Er deden 144 kinderen van 4 tot 36 maanden oud die nog geen volledig melkgebit hadden mee aan het onderzoek. De gegevens werden verzameld aan de hand van een interview met 14 vragen tijdens bezoeken aan de tandartspraktijk.

Onder andere vragen over mondgewoonten zoals het dragen van een speen, nagelbijten en tekenen van tanddoorbraak zoals prikkelbaarheid, verhoogde speekselproductie en PRAB-frequentie werden behandeld tijdens het interview. Een tandarts voerde mondonderzoeken uit om doorgebroken hoektanden en melktanden te registreren.

Resultaten

De resultaten laten zien dat de prevalentie van PRAB 16,7% is. Er werd geen significante associatie gevonden tussen PRAB-frequentie en geslacht, leeftijd, mondgewoonten of tekenen en symptomen van tanderuptie. De resultaten lieten zien dat meer doorgebroken hoektanden en melkkiezen geassocieerd waren met een lagere PRAB-frequentie.

Conclusie

Er is sprake van een associatie tussen het aantal doorgebroken melkkiezen en hoektanden en de frequentie van PRAB bij jonge kinderen. De auteurs concludeerden dat dit de hypothese ondersteunt dat AB in deze fase mogelijk adaptief gedrag vertegenwoordigt.

 

Bron:
Journal of Oral Rehabilitation

 

 

Lees meer over: Kindertandheelkunde, Thema A-Z
Kind

Nieuwe betaaltitel voor mondzorgcoach op het consultatiebureau vanaf 2026

Per 1 januari 2026 wordt een nieuwe betaaltitel ingevoerd voor de inzet van een mondzorgcoach op het consultatiebureau. Hiervoor zijn drie afzonderlijke prestaties vastgesteld, elk gekoppeld aan een consultmoment.

De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft in dit kader drie prestatiecodes opgenomen in de Prestatie- en tariefbeschikking tandheelkundige zorg: C004, C005 en C006. Deze prestaties hebben betrekking op het eerste consult van de mondzorgcoach bij kinderen jonger dan vier jaar, het eerste vervolgconsult bij kinderen van één tot en met drie jaar en een volgend vervolgconsult bij kinderen van twee en drie jaar.

Bekijk de 3 prestaties op de website van de overheid

Ontwikkeling van ondersteunende hulpmiddelen

De KNMT en de NVM-mondhygiënisten werken gezamenlijk aan een kwaliteitskader voor de inzet van mondzorgcoaches. Dit kader biedt houvast voor tandartspraktijken en consultatiebureaus die deze functie willen integreren. Verwacht wordt dat het kwaliteitskader in de eerste helft van 2026 beschikbaar komt en duidelijkheid geeft over de voorwaarden waaraan de inzet van een mondzorgcoach moet voldoen.

Rol en meerwaarde van de mondzorgcoach

De mondzorgcoach is actief op het consultatiebureau en richt zich op het geven van preventieve mondzorgadviezen aan ouders van kinderen van nul tot vier jaar. Daarnaast begeleidt de coach ouders en kind bij de toeleiding naar een mondzorgpraktijk.

Omdat het consultatiebureau een bereik heeft van circa 95 procent van de jonge gezinnen, vormt het een effectief platform om ouders en kinderen te bereiken die anders mogelijk geen gebruik maken van mondzorg. Met name in wijken met een sociaaleconomische achterstand kan de inzet van een mondzorgcoach een belangrijke bijdrage leveren aan het verbeteren van de mondgezondheid van jonge kinderen.

Lees meer over: Kindertandheelkunde, Mondhygiëne, Thema A-Z
Intra-oraal onderzoek aan de hand van smartphonefoto

Intra-oraal onderzoek aan de hand van smartphonefoto’s bij pediatrische patiënten

Volgens een recent artikel in het Journal of the American Dental Association kunnen cariës en andere intra-orale bevindingen nauwkeurig gedetecteerd worden tijdens afspraken voor tele-tandheelkunde wanneer ouders met hun smartphone foto’s maken van de mond van hun kind.

Tele-tandheelkunde

Tele-tandheelkunde verwijst naar het gebruik van telezorg in de tandheelkunde en heeft de potentie om nuttige en kosteneffectieve manier te zijn om de toegang tot mondzorg te vergroten.
Het doel van de studie is om te evalueren of de door ouders gemaakte smartphone foto’s intra-orale bevindingen zoals cariës bij kinderen met een melkgebit of gemengd gebit nauwkeurig kan worden beoordeeld.

Onderzoek

Aan het onderzoek deden patiënten mee onder de 13 jaar met een melkgebit of gemengd gebit. De ouders van de kinderen dienden intra-orale foto’s in voor het consult met tele-tandheelkunde, vóór tandheelkundig onderzoek in de operatiekamer.
Twee tandartsen registreerden de intra-orale bevindingen van harde en zachte weefsels zoals cariës, demineralisatie, plaque en gingivitis, op basis van de ingestuurde foto’s. Deze bevindingen werden vergeleken met de klinische bevindingen vastgelegd in de operatiekamer.
De ouders werden verzocht om aan de hand van een schriftelijke handleiding drie foto’s te maken, waaronder een frontale, occlusale bovenkaak en occlusale onderkaak.

Resultaten

Van de 138 patiënten die meededen aan het onderzoek had 70% een melkgebit en 30% een gemengd gebit. De fotografische opnamen hadden een hoge specificiteit voor het detecteren van cariës namelijk 97,1-100%. Echter het mandibulaire anterieure gebit had een sensitiviteit van 67,2%, terwijl maxillaire gecombineerde occlusale en frontale beelden een hoge sensitiviteit vertoonde namelijk 94,8-99,1%.
Bij het gemengde gebit werden vergelijkbare resultaten waargenomen.

Conclusie

Er kan worden geconcludeerd dat ouders nauwkeurige en klinische relevante intra-orale foto’s kunnen maken met behulp van hun smartphone door de handleiding te volgen. Op basis van deze foto’s kan detectie van cariës in het melkgebit en gemengde gebit gedaan worden. Er is echter verder onderzoek nodig om de nauwkeurigheid van de foto’s voor detectie van demineralisatie en cavitatie bij kinderen met een lager risico te detecteren.

Bron:
Journal of the American Dental Association

Lees meer over: Kindertandheelkunde, Thema A-Z
Gebruik van astmamedicatie vergroot risico op tandslijtage bij kinderen 400

Gebruik van astmamedicatie vergroot risico op tandslijtage bij kinderen

Volgens een studie gepubliceerd in Clinical and Experimental Dental Research kan langdurig gebruik van astmamedicatie leiden tot een hogere kans op erosieve tandslijtage (ETW). Het is verstandig dat kinderen met astma zure dranken vermijden.

Astmamedicatie

Astmamedicatie kan zorgen voor vermindering van speekselproductie en daarbij bijdragen aan het oplossen van glazuur bij contact. Daarnaast kan astmamedicatie het risico op gastro-oesofageale refluxziekte verhogen. Deze verschillende factoren kunnen leiden tot ETW. Het doel van de studie is onderzoeken hoe verschillende astma gerelateerde factoren de prevalentie van ETW bij kinderen met astma beïnvloeden.

Studie

379 kinderen van 6 tot 17 jaar met astma deden mee aan de studie. De kinderen werd gevraagd om een medisch bevestigde astmadiagnose te hebben en minsten een jaar dagelijks astmamedicatie gebruiken.

De Basic Erosive Wear Examination-index (BEWE-index) werd gebruikt om de aanwezigheid van ETW te beoordelen. Gegevens over onder andere demografie, medische voorgeschiedenis, medicijngebruik, voedingsgewoonten, mondhygiëne, fluoridegebruik en informatie over astmamedicatie werden via vragenlijsten voor ouders verkregen. Daarnaast werden ook medische dossiers van patiënten verkregen.

Resultaten

De resultaten laten zien dat de aanwezigheid van ETW significant hoger was bij kinderen die langer dan drie jaar astmamedicatie gebruikten, zure sportdranken dronken of inhalatiemedicatie gebruikten. Deze groepen hadden een significant hogere gemiddelde totale BEWE-index. De prevalentie van ETW onder deelnemers was 17,2% en een gemiddelde BEWE-score van 0,76.

Conclusie

Er waren echter beperkingen van het onderzoek, zo werden er vragenlijsten voor ouders gebruikt om gegevens over voeding te verzamelen. Echter kan worden getwijfeld aan de nauwkeurigheid omdat kinderen vaak buitenshuis eten.

Langdurig gebruik van astmamedicatie correleert met hogere percentages van ETW, daarom moeten tandartsen prioriteit geven aan vroege opsporing, preventieve maatregelen en behandelstrategieën gericht op het beperken van ETW bij kinderen met astma.

 

Bron: Clinical and Experimental Dental Research

Lees meer over: Kindertandheelkunde, Thema A-Z
Naoberschap in de mondzorg Multidisciplinaire behandeling bij kinderen

Naoberschap in de mondzorg: Multidisciplinaire behandeling bij kinderen

De term ‘naoberschap’ is diepgeworteld in de regio’s Achterhoek, Salland en Twente. Het verwijst naar de traditie waarin buren elkaar helpen, een principe dat ook in de mondzorg van onschatbare waarde is. Samenwerking binnen de tandheelkunde leidt tot betere zorg en innovatieve oplossingen voor complexe vraagstukken.

Van tandheelkundige bus tot orthodontie

Wie herinnert zich nog de dag van z’n afstuderen? De sprong van de studie naar de praktijk brengt een mix van enthousiasme en nieuwsgierigheid: hoe zal de tandheelkunde zich verder ontwikkelen? Erik Reukers begon zijn carrière in een schooltandartsbus, werkte vervolgens in Duitsland – waar kroon- en brugwerk de standaard was – en vestigde zich uiteindelijk in de Achterhoek. Hier maakte hij de transitie van amalgaam en protheses naar implantologie en orthodontie, altijd met het doel om geïntegreerde zorg te leveren.

Door de jaren heen heeft hij drie belangrijke lessen geleerd:

  1. Samenwerking is essentieel
    Naoberschap binnen de tandheelkunde zorgt ervoor dat we verder komen.
  2. Alles wat we maken, gaat ooit stuk
    Dit besef helpt om realistische verwachtingen te scheppen.
  3. Niet elk probleem is volledig oplosbaar
    We hebben een inspanningsverplichting, geen resultaatverplichting. Onze taak is om ons uiterste best te doen, ook bij complexe patiënten, en zorg te bieden die toekomstbestendig is.

Kinderen met ontbrekende elementen

Een van de uitdagingen in de praktijk is het behandelen van kinderen met ontbrekende gebitselementen. Dit kan veroorzaakt worden door trauma, extracties of agenesie – en soms een combinatie van deze factoren. Het is nooit slechts één aspect dat aandacht vraagt; een brede, multidisciplinaire benadering is cruciaal.

Bij de behandeling van deze patiënten worden drie belangrijke doelen nagestreefd:

  1. Een functioneel gezond gebit
  2. Een esthetisch verantwoord resultaat, zonder de patiënt onze tandheelkundige norm op te leggen
  3. Minimale afhankelijkheid van prothetische oplossingen

Van etsbrug naar autotransplantaat

Veertig jaar geleden vond de spreker zich met de tandartsbus op een schoolplein, waar paniek uitbrak nadat een kind was gevallen en een voortand (21) verloren had. Destijds was een etsbrug de beste oplossing. Maar hoe kijken we daar nu tegenaan?

Een casus werd besproken waarin een zesjarig kind beide centrale bovenincisieven (11 en 21) had geavulseerd. Hoewel de 11 behouden bleef na re-implantatie, bleek de 21 uiteindelijk op 11-jarige leeftijd niet houdbaar. De patiënt ontwikkelde een klasse 2 malocclusie, een diepe beet en een mediaanverschuiving – een orthodontisch probleem dat meer vereiste dan alleen een tandvervanging. Het behandelplan moest zorgvuldig worden opgesteld, rekening houdend met groei en wisseling.

De grenzen van implantologie

Implantaten worden vaak gezien als de ‘heilige graal’ in de tandvervanging, maar is dat terecht? Hoewel implantaten een permanente oplossing lijken, brengen ze uitdagingen met zich mee:

  • Ze vereisen voldoende bot of vergen extra botopbouw.
  • Osseo-integratie is een vereiste, wat betekent dat het implantaat niet kan meegroeien met de verticale ontwikkeling van de kaken
  • Interdentale papillen ontbreken vaak, wat esthetische beperkingen geeft.
  • De lange termijn prognose van implantaten wordt steeds meer naar beneden bijgesteld.

Autotransplantatie als alternatief

Idealiter zou een oplossing biologisch zijn, een natuurlijk parodontium behouden, orthodontische beweging toestaan en meegroeien met de patiënt. Dit brengt ons bij autotransplantatie, een techniek met een uitstekende prognose. Bij een vitale transplantatie is het succespercentage maar liefst 96%, waardoor het als een soort ‘kinderimplantaat’ beschouwd kan worden.

Bij de behandelingsplanning worden visuele hulpmiddelen ingezet en interdisciplinaire samenwerking is cruciaal. In deze casus werd besloten om de 25 te transplanteren naar de positie van de 21 (parodontoloog), waarna de restauratief tandarts betrokken de premolaar omvormt tot een centrale incisief. Orthodontische behandeling sloot de diastemen en zorgde voor een harmonieus eindresultaat.

Belangrijke aandachtspunten bij autotransplantatie:

  • Primaire stabiliteit
    een transplantaat is geen implantaat. Daar waar een implantaat goed primaire stabiliteit nodig heeft (zo klein mogelijk gat in het bot) moet een transplantaat, om ankylose te voorkomen, een zo groot mogelijk gat hebben zodat het parodontaal ligament niet in contact komt met het bot.
  • Opbouw processus alveolaris
    Het parodontaal ligament van het transplantaat vormt zijn eigen processus alveolaris waardoor verloren gegaan bot kan worden geregenereerd
  • Vitaliteit en obliteratie
    Een succesvol transplantaat toont obliteratie van de pulpa als teken van vitaliteit.

Na afloop van de behandeling was de beet correct hersteld en kon een spalk worden geplaatst. De patiënt hoeft nu slechts periodiek composietvervanging te ondergaan. Dit illustreert hoe autotransplantatie de restauratieve cyclus aanzienlijk kan beperken en duurzame oplossingen biedt.

Interdisciplinaire samenwerking: De sleutel tot succes

Tijdens de lezing werden meer casussen met indrukwekkende foto’s besproken, om het belang van interdisciplinaire samenwerking bij autotransplantatie te benadrukken. Het doel is daarbij om de jonge patiënt met een gemutileerd gebit zo veel mogelijk uit de restauratieve cyclus te houden door slim te plannen en optimaal gebruik te maken van elkaars mogelijkheden. Dergelijke behandelingen vergen intensief overleg tussen specialisten – vaak buiten reguliere werktijden, met live periodieke besprekingen en digitale communicatie.

Hoewel deze samenwerking tijd en energie kost, is het een investering die zichzelf terugbetaalt. Er bestaan geen ‘kookboeken’ voor complexe tandheelkundige vraagstukken; vooruitdenken en anticiperen zijn essentieel. Zoals bij een dominospel moet je vooraf weten welke richting je op gaat, want een verkeerde beslissing kan een nadelige kettingreactie veroorzaken.

Door samen te werken en kennis te delen, maken we de beste tandheelkundige zorg mogelijk – precies zoals het principe van naoberschap ons leert.

Dr. Erik Reukers studeerde in 1985 af als tandarts aan de Radboud Universiteit in Nijmegen, waarna hij aan de slag ging als algemeen tandarts. Na het voeren van een algemene praktijk specialiseerde hij zich in 1995 tot orthodontist. In 1997 promoveerde Erik met zijn onderzoek over verschillende soorten vaste beugels. Momenteel is hij werkzaam als orthodontist bij Kindt en Reukers Orthodontisten. Daarnaast is hij lid van meerdere tandheelkundige organisaties en is hij examinator voor de Specialisten Registratiecommissie. Vanwege zijn interesse in de invloed van sport op het gebit is hij lid van de Academy for Sports Dentistry (ASD). Bovendien is hij werkzaam als sporttandarts bij het Nederlands Centrum voor Sporttandheelkunde (NCST). Erik deelt regelmatig zijn expertise tijdens (inter)nationale lezingen over sporttandheelkunde en specifieke orthodontische problemen. Als orthodontist behandelt hij vaak kinderen en volwassenen die tanden hebben verloren als gevolg van sportgerelateerde trauma’s. Erik heeft dan ook veel kennis over en ervaring met de behandeling van dento-alveolair trauma bij sporters.

 

Verslag door Lieneke Steverink-Jorna, mondhygiënist, voor dentalinfo.nl de lezing van dr. Erik Reukers tijdens het NVvK & VMBZ Voorjaarscongres

Lees meer over: Congresverslagen, Kindertandheelkunde, Thema A-Z
Traumatologie in de kindertandheelkunde

Traumatologie in de kindertandheelkunde

Traumatologie is een complex maar belangrijk discipline binnen de kindertandheelkunde. Enerzijds is het complex voor de planning van de tandartspraktijk, omdat trauma altijd onverwachts komt en ad hoc gezien moet worden. Verslag van de lezing van dr Nitesh Tewari en Anne O’Connell over traumatologie tijdens het IAPD-congres.

Complex

Onverwachts

Enerzijds is het complex voor de planning van de tandartspraktijk, omdat trauma altijd onverwachts komt en ad hoc gezien moet worden. Hierdoor is er vaak geen of (te) weinig ruimte in de agenda voor deze spoedconsulten en behandelingen, en moeten andere patiënten door de balie-assistente afgebeld en verplaatst worden.
Anderzijds is het complex voor het betreffende kind en de ouders, omdat het kind met spoed van school of sport gehaald moet worden en de ouders van werk. Daarnaast moeten de kinderen vaak (meerdere keren) terug komen voor follow-up controles en/of behandelingen.

Emotionele component

Verder speelt er nog een emotionele component. Ongeveer 5% van de lichaamsverwondingen is aan het gebit, maar het heeft een veel grotere impact omdat het zich in het gelaat afspeelt. Voor veel kinderen en ouders voelt verlies van een (stuk) tand als verlies van een lichaamsdeel. De incidentie is hoog; 22.7% van de melkelementen en 15.2% van de blijvende elementen krijgt te maken met trauma, waarbij jongetjes een hogere incidentie hebben dan meisjes. Het meest voorkomende type letsel zijn glazuurfracturen, waarbij de bovenste centrale incisieven het vaakst werden getroffen.

Prijs

Tot slot drukt de prijs van behandeling van dentaal trauma zwaar op de gezondheidszorg en het zorgsysteem. Preventie van gebitstrauma is de meest effectieve interventie.

Speciale zorgbehoeften

Kinderen met speciale zorgbehoeften (zogenaamde special needs) hebben mogelijk hogere kans op tandletsel. Deze kinderen hebben daarnaast vaak minder toegang tot reguliere zorg, en niet elke tandarts heeft de skills en de praktijkruimte voor behandeling. Er moet gedacht worden aan kinderen met een:

  • Lichamelijke beperking
  • Motorische beperking
  • Visuele beperking
  • Auditieve beperking
  • (Licht) Verstandelijke beperking

Duimen en speengebruik

Door langdurig speengebruik of duimen bij jongere kinderen ontstaat er een open beet en vaak ook een overjet en mal-occlusie. Bij een vergrote overjet en onvoldoende lipbedekking loopt een kind meer kans op trauma van de frontelementen, omdat deze als eerste de impact van een klap opvangen. Er wordt geschat dat 21.8% van het wereldwijde tandletsel hieraan te wijten is. Vroegtijdige gedragsverandering van het spenen/duimen is erg belangrijk in de preventie.

Pubertijd

Tijdens de pubertijd ontstaat er een verhoogde kans op dentaal letsel door andere oorzaken. Zo is er meer risico op tandletsel door (beginnend) alcoholgebruik, voor het eerst dragen van hoge hakken, en het laten plaatsen van metalen orale piercings (kunststof piercings veroorzaken minder schade aan het gebit). Daarnaast treedt er ook regelmatig tandletsel op tijdens sporten, zoals hockey. Tegenwoordig is het bij steeds meer sporten verplicht om een gebitsbeschermer te dragen.

Mouthguard

Het is een goede ontwikkeling dat steeds meer sporten het dragen van een gebitsbeschermer verplicht stellen, maar het is dan wél belangrijk dat deze gebitsbeschermer ook effectief is in het voorkomen van dentaal letsel, of de ernst van de impact sterk verminderen. Een adequate gebitsbeschermer maximaliseert de preventie van dentaal letsel.

Een gebitsbeschermer moet genoeg retentie hebben, maar tegelijkertijd ook genoeg comfort bieden omdat deze anders niet gedragen wordt. De sporter moet tijdens het dragen vrij kunnen ademen.
De beschermer moet geschikt zijn voor het type sport (bij kickboksen is een ander soort bitje vereist dan bij hockey), m.a.w.: de shock absorbing capability moet adequaat genoeg zijn voor de activiteit. Tot slot moet de gebitsbeschermer gemaakt zijn van niet-irriterend materiaal en goed schoon te maken zijn.

Vaak zijn gebitsbeschermers eerder aan vervanging toe, dan dat ze daadwerkelijk vervangen worden. Laat daarom je patiënt het bitje meenemen tijdens reguliere controle voor een check.

Preventie en bescherming

Het belangrijkste is preventie van trauma, en bescherming van (jonge) kinderen:

  • Veiligheidsbewustzijn
  • Woning kidsproof maken
  • Supervisie bij spelende kleine kinderen
  • Zijwieltjes op kinderfiets
  • Gebruik van kinderzitjes in auto
  • Dragen van autogordels
  • Tijdens traplopen het vasthouden van leuning
  • Dragen van een helm op stepjes en fiets
  • Dragen van adequate gebitsbeschermer tijdens sport

Mocht er tóch dentaal trauma optreden, dan is belangrijk zo snel mogelijk een tandarts te bezoeken. Een vroegtijdige, adequate behandeling zorgt voor de best mogelijke uitkomst. Ouders en kind moeten bij trauma áltijd langskomen bij de tandarts, ook al gaat het om het melkgebit.

IADT ToothSOS app

Voor ouders bestaat de handige gratis IADT ToothSOS app, zodat zij direct weten wat ze moeten doen (en niet doen!) bij het optreden van dentaal trauma bij hun kind.

Dr Nitesh Tewari graduated and post graduated from prestigious King George’s Medical University, Lucknow. He is a clinician par excellence and an academician to the core with post graduate teaching experience of over twelve years. Dr Tewari has 94 publications in reputed national and international journals and six test book contributions to his credit till date. He has been part of expert committees of Indian Council of Medical Research and Department of Science and Technology, Government of India. As a guest speaker, he has lectured in over 90 events in national and international platforms. He was awarded with best original research award in world congress of dental traumatology, San Diego, USA (2018), Outstanding Pedodontist Award by Craniofacial and Research Foundation in Sri Lanka (2018), Jens Ove Andreasen Award twice at 27th and 28th Conferences of International Association of Pediatric Dentistry (2019, 2021) and the global first-prize in original research competition in the 12th IFEA World Endodontics Congress 2021. He is a fellow of Academy of Dentistry International (USA), Japan Dental Association, International Association of Dental Traumatology (USA), International College of Dentists (USA) and Faculty of Dental Surgery Royal College of Physicians and Surgeons (Glasgow). Presently he is working as Additional Professor in Centre for Dental Education and Research, All India Institute of Medical Sciences, New Delhi, serving as the Director of International Association of Dental Traumatology and General Secretary of Indian Society of Dental Traumatology.

 

Anne O’Connell is a Board certified in Paediatric Dentistry and is a Fellow of AAPD, and a Diplomate of the ABPD.   Anne trained at the Eastman Dental Center with a further degree in Cariology from the University of Rochester, New York.  She is past- President of the International Association of Dental Traumatology and is a Fellow of IADT.  She remains active in numerous national and international organisations including IADT, AAPD, IADR and IAPD, and was Editor of IAPD in 2015-18.  Her areas of interest include traumatic oral injuries, developmental defects of the dentition aesthetics in children, infant oral health and cariology. She has numerous publications across clinical and research topics and is a renowned international speaker.


Verslag door Jacolien Wismeijer, tandarts, voor dental INFO van de lezing van dr. Nitesh Tewari en Anne O’Connell tijdens het IAPD-congres.

 

Lees meer over: Kindertandheelkunde, Thema A-Z
Meerdere ontbrekende elementen welke behandeling bij mensen in de groei

Meerdere ontbrekende elementen: welke behandeling bij mensen in de groei?

Een jonge patiënt komt in de praktijk met ontbrekende elementen, vaak door trauma. Voordat de beslissing gemaakt wordt om te autotransplanteren zijn er veel dingen van belang. Een belangrijke vraag hierbij is: welke leeftijd heeft de patiënt? Verslag van de lezing van parodontoloog Dick Barendregt en restauratief tandarts Naomi Doelen.

Naomi Doelen is NVVRT-geregistreerd restauratief tandarts en werkt samen met Dr. Dick Barendregcht, parodontoloog NVvP, bij ProcColin in Rotterdam. Lees hier het eerste verslag van hun lezing. Binnenkort volgt deel 2.

Binnen Proclin zijn er inmiddels al meer dan 4000 elementen geautotransplanteerd. Maar voordat de beslissing gemaakt wordt om te autotransplanteren zijn er veel dingen van belang. Een belangrijke vraag hierbij is: welke leeftijd heeft de patiënt? Dit is bepalend voor een groot gedeelte van de keuzes die je gaat maken. Bij een jonge patiënt is de groei één van de belangrijkste zaken om rekening mee te houden. De vraag over de leeftijd hangt dan ook samen met de vraag: hoe ver is iemand in de groei? Loopt deze groei in lijn met de ‘normale groei’. En past deze ontwikkeling bij de normale groei?

Groei midden gezicht

Arne Bjørn heeft onderzoek gedaan naar de groei van het gelaat. Dat deed hij door implantaten te plaatsen en deze in de tijd te volgen. Hierdoor weten we dat de maxilla bij normale groei naar voren, naar beneden en in de breedte groeit. We weten ook dat de maxilla een afgevlakt groeipatroon heeft. Vanaf een bepaalde leeftijd kunnen we de maxilla niet (of nauwelijks meer) verbreden of naar voren verplaatsen, zonder gebruikt te maken van chirurgie.

De groei van de maxilla wordt door meerdere dingen beïnvloed:

  • Epigenetica (& erfelijke predispositie)
  • Tongpositie/spiertonus
  • Neusademhaling

Voorbeelden van epigenetica zijn onze voeding, (on-)gezonde buitenluncht, de mate van stress waar we aan blootgesteld worden en hoe we ademhalen.

De tong is een drijvende kracht achter de verbreding van de maxilla en het behouden van een brede bovenkaak. Hierbij moet de tong zich wel op de juiste plek bevinden: is er sprake van een lage tongpositie dan zorgt dit juist voor een smalle bovenkaak. Wanneer er sprake is van mondademhaling, is er vaak tegelijkertijd sprake van een lange tongpositie. Het risico op dentale trauma’s is bij een smalle bovenkaak vaak groter: de tanden staan vaker in een klasse II positie met de centrale incisieven in protrusie.

Op vijfjarige leeftijd is de maxilla al voor meer dan 70% ontwikkeld. Juist daarom is vroege signalering van bijvoorbeeld openmondgedrag of mondademhaling van belang. Vroeger werd nog wel eens genoemd dat kinderen vanzelf over vergrootte amandelen heen zouden groeien. Uit recenter onderzoek blijkt dat pas vanaf een jaar of tien deze vergrootte amandelen weer in omvang afnemen. Dan is een groot deel van de groei van de maxilla al achter de rug. Wil je een maxilla verbreden dan is de ideale leeftijd lager dan de leeftijd waarop wij de meeste kinderen insturen naar de orthodontist.

De mandibula heeft een ander groeipatroon dan de maxilla. Dit is ook de reden dat we rond 10/11-jarige leeftijd middels activatoren proberen de maximale groei van de mandibula te bereiken.

Gewenste uitkomsten orthodontische behandeling

Vanuit restauratief oogpunt zijn er een aantal gewenste uitkomsten aan het einde van een orthodontische behandeling:

  • Neutro occlusie van zowel de molaren als de cuspidaten
  • De middenlijn van het gezicht gelijk aan de middenlijn tussen de centrale insicieven in de bovenkaak
  • Maximaal drie millimeter afwijking van bovenstaande middenlijnen
  • Interincisale angle van ongeveer 135 graden: de hoek tussen de boven en onder incisieven
  • Verticale en sagittale overbeet van ongeveer twee millimeter
  • Intermolar width van minimaal 38-40 millimeter: de breedte van de bovenkaak. Dit wordt gemeten vanaf de zessen in de bovenkaak vanaf het smalste punt
  • Voorkeur voor gelijk volume (aantal elementen) aan beide zijdes en in beide bogen
  • Symmetrie en harmonie
  • Voorkeur voor hoektandgeleiding: dit blijft altijd een discutabel punt
  • Bij maximale occlusie geen zware contacten in het front: dit kun je meten met shimstock-folie. Deze moet vrij zijn van contact
  • Ideale interdigitatie

Voor een goede samenwerking is het vooral van belang dat je de persoon met wie je samenwerkt goed kent en regelmatig contact met elkaar hebt. Gooi niet een verwijzing over de schutting met: ‘graag orthodontisch behandeling’ en verwacht dat het automatisch goed gaat.

Eén missend frontelement

Eén cuspidaat ontbreekt

Meestal ontbreekt deze door trauma of door impactie, maar er is ook een kleine kans op agenesie van de cuspidaat. Ter vervanging hebben we de volgende opties:

  • Een implantaat
  • Een premolaar ombouwen tot cuspidaat (ook wel modified canine substitution genoemd)
  • Een brug: niet de meest voor de hand liggende optie

Eén laterale incisief ontbreekt

Laterale incisieven zijn vaker afwezig door agenesie of zijn afwijkend van vorm. Is er aan de ene kan een peglateral (kegeltand) aanwezig dan is de antagonist vaker agenetisch. Ter vervanging hebben we de volgende opties:

  • Een etsbrug
  • Een implantaat
  • Extractie van de contra-laterale zijde en canine substitution: het ombouwen van de cuspidaten naar laterale incisieven
  • Als er sprake is van een TSD het autotransplanteren van een onderincisief

Eén centrale incisief ontbreekt

Ter vervanging hebben we de volgende opties:

  • Autotransplantatie van een premolaar
  • Een palatinaal implantaat
  • Een etsbrug
  • Een implantaat
  • Een conventionele brug: geen voor de hand liggende oplossing

Meerdere frontelementen ontbreken

Wanneer er meerdere frontelementen ontbreken en zeker twee naast elkaar is het bij kinderen enorm lastig. Zonder tanden zal er geen voorwaartse groei optreden. Welke opties zijn er dan:

  • Autotransplanteren gecombineerd met eventueel adhesieve bruggen
  • Afhankelijk van de leeftijd van de patiënt en eventuele indicatie voor orthodontische behandeling: implanteren op de plek van het autotransplantaat of het diasteem orthodontisch sluiten

Bij het ontbreken van twee laterale incisieven gaat de voorkeur niet per se uit naar autotransplantatie. Ook etsbruggen zijn in zo’n geval goede opties.

Afmetingen frontelementen

Bij het vervangen van een voortand willen we minimaal invasief werken. We willen geen of zo min mogelijke slijpen aan de elementen. Daarnaast willen we de orthodontist sturing geven. Als we de juiste mesio-distale afmetingen geven dan wordt het werk van de orthodontist veel makkelijker. Daarnaast willen we zo goed mogelijk aangeven hoe de zenith eruit komt te zien na volledige eruptie.

Hoe lang en hoe breed moet zo’n element worden?

Tussen frontelementen zitten enorm veel individuele verschillen. Er zijn onderzoeken gedaan naar de gemiddelde lengte en breedte van frontelementen en de verhouding hiertussen. Je zou hierbij deze gemiddelde waardes of gouden standaard kunnen gebruiken.

Een andere oplossing is om te werken met de interaler width: dit is de breedte van de neusvleugels. Hierbij zijn er verschillende waardes. Wanneer de interaler width groter wordt, neemt ook de breedte van de centrale incisieven toe. Hierbij zijn uiteraard raciale verschillen aanwezig, waarmee rekening gehouden dient te worden.
Bij een interaler width van 40 millimeter geldt dat de centrale incisief negen millimeter breed zal zijn, de laterale zeven en de cuspidaat acht millimeter.

Weer een andere optie voor het berekenen van de lengte en breedte van de incisieven is de Bolton-analyse. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een ratio tussen de breedte van de incisieven van de onder- en de bovenkaak. De breedte van de incisieven wordt opgemeten zowel in de onder als in de bovenkaak. Daarbij wordt gebruikt dat de totale breedte van de incisieven de onderkaak 77,2% (Boltons getal) moet zijn van de breedte van de incisieven in de bovenkaak.
Zo kun je uitreken welke breedte de elementen in totaal moeten hebben en hoe veel ze uitgebouwd moeten worden om onder en boven passend te krijgen.
Het allerbelangrijkste is om het gesprek met de orthodontist aan te gaan over hoe breed de elementen moeten worden.

Parodontaal ligament

Het parodontaal ligament is de belangrijkste drijvende kracht achter de autotransplantatie. Hierdoor kunnen we tanden verplaatsen, en hierdoor worden onze kaken ontwikkeld.
Patiënten die oligodont zijn, hebben op meerdere plekken geen elementen. Daar is geen parodontaal ligament en daardoor ook geen processus. Door tanden op de plekken aan te brengen, kun je weer een processus ontwikkelen.

Implantaten staan verankerd op één plek terwijl ons lichaam ons hele leven verandert

Vroeger dachten we dat implantaten de perfecte oplossing waren voor missende elementen. Tegenwoordig weten we dat het een mooi hulpmiddel is, maar niet de ideale oplossing. Want implantaten staan verankerd op één plek. Terwijl ons lichaam ons hele leven nog adapteert en verandert. Als we kijken naar de adaptatie van de bovenkaak dan zie we dat deze zich nog naar coronaal verplaatst en dat er dorsaal afbraak plaatst vindt.
Zelfs wanneer een implantaat geplaatst wordt bij een patiënt die ‘uitgegroeid is’ zal door adaptatie dit implantaat na enkele jaren in een infrapositie en relatief gezien naar buccaal staan. Vertel dit aan patiënten wanneer je een implantaat gaat plaatsen. Ook bij patiënten van een jaar of veertig, waarbij de grootste groei geweest is, zal na verloop van tijd een infrapositie ontstaan. En daarom wordt bij kinderen absoluut niet geïmplanteerd.

Lees binnenkort op dentalinfo.nl deel 2 van dit verslag over autotransplantatie

Dr. Dick Barendregt studeerde in 1988 af als tandarts aan de Rijksuniversiteit van Groningen. In 1991 startte hij met zijn Post Academische opleiding in de parodontologie aan het ACTA. In 1996 richtte hij de Kliniek voor Parodontologie Rotterdam op. Daar houdt hij zich naast de parodontologie bezig met de implantologie als Implantoloog (NVOI). De laatste 20 jaar is in dat kader de nadruk komen te liggen op patiënten behandeling in een interdisciplinair teamverband (Proclin Rotterdam) met collega tandartsen zoals orthodontisten, endodontologen, restauratieve tandartsen, kaakchirurgen en tandtechnici. Op 4 november 2009 promoveerde hij op zijn proefschrift “Probing around teeth” aan de Universiteit van Amsterdam. Vanaf 1 Juli 2019 is hij verbonden aan de afdeling parodontologie aan de Adams School of Dentistry in Chapel Hill (UNC) als Adjunct Professor. Daarnaast is hij betrokken bij verschillende postacademische cursussen en doceert binnen de Post Graduate opleiding voor Parodontologie.

Noami Doelen studeerde in 2012 aan het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam af als tandarts. Zij richtte zich daarna op prosthodontische verdiepingen, zowel op gebied van composiet (Geneve – dr. Didier Dietschi), chirurgie (Munchen – dr. Hurzeler/Zuhr), autotransplantatie team Utrecht (PRO Rotterdam) en functionele tandheelkunde (Verenigde Staten – dr. John Kois).

Door: Paulien Buijs, tandarts, verslag van de lezing van dr. Dick Barendregt en Naomi Doelen tijdens het NVVRT Restauratiefje.

Lees meer over: Congresverslagen, Implantologie, Kennis, Kindertandheelkunde, Thema A-Z

Meerdere ontbrekende elementen: autotransplantatie als oplossing

Een jonge patiënt komt in de praktijk met ontbrekende elementen, vaak door trauma. Belangrijke vragen om te stellen: Hoe oud is de patiënt? Wat kun je nog verwachten aan groei en ontwikkeling en welke elementen zijn er nog? Verslag van de lezing van parodontoloog Dick Barendregt en restauratief tandarts Naomi Doelen over autotransplantatie bij kinderen.

Naomi Doelen is NVVRT-geregistreerd restauratief tandarts en werkt samen met Dr. Dick Barendregcht, parodontoloog NVvP, bij ProCcolin in Rotterdam.
Dit is deel 2 van hun verslag, lees ook deel 1

Autotransplantatie

Bij kinderen met (meerdere) ontbrekende elementen door trauma is er vaak een groot probleem.
We moeten onszelf de volgende vragen stellen: Hoe oud is de patiënt? Wat kun je nog verwachten aan groei en ontwikkeling en welke elementen zijn er nog?

Casus

We bespreken de casus van een jongen van negen die drie incisieven verloren is door een trap van een koe: twee centrale en één laterale. De cuspidaten zijn nog niet doorgebroken.

We weten dat we elementen nodig hebben voor de ontwikkeling van de kaak: zonder elementen geen groei.

Daarom werd in deze casus besloten om eerst twee onder premolaren te verplaatsen naar het bovenfront. Door het trauma was zo veel bot verloren gegaan dat de donorplek niet geprepareerd hoefde te worden. De transplantaten werden ingehecht in de zachte weefsels en gestabiliseerd met hechtingen. De patiënt werd teruggezien gelijk aan het protocol bij een avulsie. Na één week werden de hechtingen verwijderd, na drie weken werd een solo gemaakt om de genezing te controleren en werd er gesondeerd.

De eerste genezing zal optreden langs de glazuur-cementgrens en zal zich verder naar apicaal verplaatsen. Daarom adviseert Dick ook om bij ieder trauma te sonderen. Dan kan er een inschatting gemaakt worden of er parodontale genezing optreedt.

Na zes weken werd er een nieuwe solo gemaakt en werden de elementen omgebouwd tot incisief.

Dit is voor de patiënt fraaier en geeft de orthodontist meer informatie. Het element moet opgebouwd worden in de richting van de radix. Echt mooi zal het dan ook niet direct zijn na opbouwen. Na deze zes weken worden de elementen belast. Het parodontale ligament is een functionele eenheid en wordt dit niet belast, ontstaat het risico op ankylose.

De getransplanteerde elementen in dit geval hadden een open apex. Deze radix gaat zich afvormen en het wortelkanaal oblitereert. 2,5 jaar na het trauma is het botdefect dat aanwezig was na het trauma volledig verdwenen en is de groei van de kaak op een natuurlijke manier verdergegaan.

De twee getransplanteerde premolaren staan op de plek van de centrale incisieven en er is nu ook ruimte voor transplantatie van de laatste premolaar naar de locatie van de laterale. Nu wordt er een boven premolaar getransplanteerd. Deze heeft een prominentere palatinale knobbel dan een onder premolaar. Hierbij is de plaatsing van het transplantaat nog belangrijker: we willen deze knobbel niet (of nauwelijks) beslijpen. Wanneer er geslepen wordt tot in het dentine is de kans op necrose groot.

Ook elementen met afgevormde radix kunnen geautotransplanteerd worden

Ook elementen met een afgevormde radix kunnen geautotransplanteerd worden met een vergelijkbaar succespercentage als elementen met een open apex. Hierbij moet wel een endodontische behandeling uitgevoerd worden. Tegenwoordig wordt de endodontische behandeling eerst uitgevoerd en wordt het element daarna getransplanteerd. Dit heeft een aantal voordelen:

  • De elementen zijn vitaal tijdens behandeling waardoor het slagingspercentage van de endodontische behandeling richting de 95% gaat
  • Het element kan goed onder rubberdam geplaatst worden
  • Het element staat op ‘normale plek’ tijdens de endodontische behandeling

Resultaten autotransplantatie

De langstlopende studie die bekend is over autotransplantaten heeft als maximale succes 41 jaar.
De gemiddelde leeftijd van autotransplanteren was 11,5 jaar en de gemiddelde overleving 26,4 jaar. De onderzoekers hebben hierbij 33 elementen vervolgd bij 26 patiënten met een succespercentage van 80% na 26 jaar. Het overlevingspercentage was nog hoger. Bij de oude succespercentages werd een element niet meer als succes gezien wanneer er een endodontische behandeling nodig was. Dit is tegenwoordig geen afweging meer om succes te bepalen.

Bij Proclin zijn nu 2/3 van de autotransplantatie-casussen elementen met een open apex en 1/3 met een gesloten apex. Een element met een open apex wordt het liefst getransplanteerd als ¾ van de wortelformatie geweest is. Na transplantatie wordt de radix vaak nog maar drie tot vier millimeter langer. Daarom heeft de voorkeur om geen elementen met een te korte radix te transplanteren.

Wanneer elementen met korte apices getransplanteerd worden, worden deze het liefst op of onder gingiva-niveau getransplanteerd. Je verwacht hierbij nog iets normale eruptie. Bij afgevormde apices zullen de elementen altijd orthodontisch verplaatst moeten worden.

Autotransplantatie protocol

Bij Proclin worden ongeveer 400 element ge-autotransplanteerd per jaar. Om lange termijn resultaten te verzamelen, roepen ze deze patiënten ook na het afronden van de behandeling nog regelmatig op. Deze resultaten staan in een database en met deze informatie hebben ze inmiddels twee publicaties geschreven.
De meest voorkomende indicatie voor autotransplantatie is trauma, maar ook agenesie komt vaker voor. De patiënten worden tien jaar gevolgd en middels een Kaplan Meijer analyse wordt het cumulatief succespercentage berekend. Er werd een onderverdeling gemaakt van patiënten onder en boven de 18. De verwachting was dat het succespercentage onder de 18 hoger zou liggen dan boven de 18.

Succespercentage bij patiënten onder en boven de 18 jaar

Bij de groep patiënten onder de 18 was het succespercentage 96% na 10 jaar. Bij de groep boven de 18 was het succespercentage 87,5% na 10 jaar. In de laatste groep gingen een aantal elementen verloren door vervangingsresorptie of ankylose. Aan het begin van het verzamelen van de resultaten, werd langer gewacht voor het element belast werd: ongeveer zes weken. Tegenwoordig worden ze al met drie weken belast.

Tweede kans

Wanneer het voorstel van autotransplantatie gedaan wordt, wordt in overleg met de orthodontist bekeken of er een premolaar vrijgespeeld kan worden. In sommige gevallen zijn dat twee premolaren. De eerste premolaar wordt getransplanteerd en pas als de transplantatie succesvol is, wordt de tweede premolaar verwijderd. Zo is er altijd nog een tweede kans, mocht er iets fout gaan bij de eerste behandeling.

Botvolume

Het parodontaal ligament is de drijvende kracht achter autotransplantaten: het maakt bot, aangehechte gingiva en zorgt voor bewegingsmogelijkheid van het element. Dit ontstaat ook op plekken waar voor transplantatie geen bot of aangehechte gingiva aanwezig was. Uit onderzoeken en uit afzonderlijke casuïstiek blijkt dat het botvolume na autotransplantatie vergelijkbaar is op de plek waar van het transplantaat met het antagonerend element.

Orthodontisch voorbehandelen

Voor de autotransplantatie wordt de patiënt orthodontisch voorbehandeld. Is er sprake van een diepe beet, dan moet de beet eerst gelicht worden, anders is er geen ruimte voor het transplantaat. Veel orthodontisten beginnen de behandeling daarom ook in de onderkaak. Een Ddahlframe of een opbeetplaat kan voor snelle vermindering van de diepe beet zorgen en afbreken van de brackets van de ondertanden. Lichten van de beet gaat dan gemiddeld 2x sneller door het dragen van de voornoemde middelen.
Daarna wordt de endodontische behandeling uitgevoerd als er sprake is van een afgevormde apex. De endodontische opening mag moet bij voorkeur niet breder zijn dan het wortelkanaal wat eronder zit. Dit komt de sterkte van de kroon en het element ten goede.
Tegenwoordig wordt het element voor de chirurgische verplaatsing voorbelast. Dit gebeurt vooral door het uitoefenen van wanneer ereen extrusie-krachten op het element. Daarmee wordt het gehele parodontaal ligament van het donorelement gestimuleerd. Het ligament zal prolifereren zodat er meer cellen aanwezig zijn op het worteloppervlak en een betere genezing zullen verzorgen op de ontvangende locatie. uitgeoefend worden.
Daarnaast Het element staat het element hierdoor losser en is makkelijker te extraheren zonder veel kracht te zetten met daarmee minder schade. Een bijkomend voordeel van dit voorbelasten is dat het parodontaal ligament prolifereert. Dit gebeurt vooral wanneer er extrusie-krachten op het element uitgeoefend worden.

Extraheren

Daarna wordt het element voorzichtig geëxtraheerd. Hierbij moet de extractietang op de grootste bolling van het element geplaatst worden en deze mag absoluut niet afglijden naar de glazuurcementgrens. Gebeurt dit wel dan is er aanzienlijke kans dat het parodontaal ligament daar beschadigd raakt.
Het element wordt er voorzichtig roterend uitgehaald. Het element wordt opgemeten met een schuifmaat. Om het restauratieve gedeelte voor Naomi makkelijker te maken, wordt ook de afstand van de knobbeltop tot de glazuurcementgrens gemeten. Het geëxtraheerde element wordt het liefst bewaard in de extractie alveole. Behalve wanneer er weinig medewerking is van de patiënt of als de radix sterk gekromd is. Dan wordt het element bij voorkeur bewaard in fysiologisch zout.

Prepareren donorpleknieuwe alveole

Vervolgens wordt de donorplek nieuwe alveole op de ontvangende locatie geprepareerd. Er moet veel ruimte gemaakt worden. Anders dan bij een implantaat wil je geen primaire stabiliteit. De buccale botlamel zal dan ook bijna altijd volledig verwijderd moeten worden. De meeste transplantaten worden supra-gingivaal geplaatst. De buccale knobbel wordt net incisaal geplaatst van de incisaallijn en de palatinale knobbel wordt zo geplaatst dat er geen occlusale interferenties zijn. Het element wordt gestabiliseerdplint door horizontale matrashechtingen met een lus over het occlusale vlak (modified Laurell). Na een week worden de hechtingen verwijderd en na drie weken wordt er gesondeerd en wordt het element gereinigd. Na zes weken wordt het opgebouwd en belast. De verdere controles vinden plaatsen na drie maanden, zes maanden en één jaar. Bij iedere controle gaan de patiënten van tevoren naar de preventie-assistent om de mondhygiëne zo optimaal mogelijk te krijgen.

Na zes weken wordt de premolaar omgevormd tot een incisief.

Opbouwen van premolaar naar incisief

Een behandeling die op zichzelf al lastig is. De patiëntgroep waarbij de opbouw gemaakt moet worden, maakt het zeker niet makkelijker: kinderen van een jaar of tien die moeite hebben met lang stil zitten. Vaak hebben ze (of hun ouders) hoge verwachtingen: nu gaat het eindelijk mooi worden. Een verwachting waar vaak niet direct aan voldaan kan worden.

Opbouwen elementen

De elementen moeten opgebouwd worden in de as-richting van de radix. Een extra complicerende factor is dat de as-richting van de radix niet altijd gelijk is aan de as-richting van de kroon. Opbouwen met een mal kan dan ook niet. De opbouw moet zo gemaakt worden, dat na oplijnen door de orthodontist, de radices van de elementen niet te dicht bij elkaar komen te staan. Deze ‘root proximity’ kan anders op een later moment voor nieuwe problemen zorgen.

Afmeting

Naomi meet hoe breed de premolaar is en ze controleert de meting van Dick van de glazuur-cementgrens tot aan de knobbel. De mesio-distale afmeting van de opbouw, moet gelijk zijn aan de afmeting van het buurelement (wanneer deze aanwezig is). Het helpt om oude foto’s te gebruiken waarop de orginele voortanden nog aanwezig waren. Ook het bewaren van de incisief die verloren is gegaan, geeft veel extra informatie. Is al deze informatie niet aanwezig, dan kun je terugvallen op de Boltons analyse van de orthodontist. Deze vertelt hoe breed het element moet worden. Zo kun je beoordelen hoe veel er opgebouwd moet worden.

Onder rubberdam worden de premolaren geïsoleerd met behulp van een brinkerklem. Daarna wordt uit de hand met glazuurkleurig composiet een eerste schaal gemaakt om de richting van de opbouw aan te geven: hoe lang en hoe breed het element moet worden. Hier overheen komt een dikkere laag dentine composiet, waarbij vooral voldoende volume aangebracht wordt op het cervicale deel. In deze laag wordt ook een begin gemaakt met de mammelons. Incisaal wordt een kleine translucentie aangebracht, gevolgd door een laag body en enamel composiet. Met soflexschijfjes worden eerst de primaire, daarna secundaire en uiteindelijk ook nog de tertiaire anatomie aangebracht en het composiet wordt gepolijst.

Kleur van de opbouw

De kleur van de opbouw is een ander lastig aspect. Wanneer er een vitaal element getransplanteerd is, zal deze oblitereren waardoor de kleur direct na opbouwen goed lijkt, maar op een later moment het element grijzig kan ogen. Na het deboonderen van de beugel wordt een nieuwe composiet venneer gemaakt om de kleur aan te passen. Aan Tegen kinderen vertelt geeft Naomi aan dat iedere vijf tot twaalf jaar een nieuwe composiet veneneer nodig is/deze gepolijst moet blijven worden.
Bij volwassen patiënten geeft ze aan dat de opbouw met composiet altijd een tijdelijke fase is voor tijdens de orthodontische behandeling, zodat het element op de juiste plaatst gezet kan worden in de juiste as-richting. Als de orthodontische behandeling afgerond is, wordt gezocht oplossing met het esthetisch mooiste resultaat.

Orthodontische complicaties na autotransplantatie

Na iedere orthodontische behandeling kunnen complicaties optreden. Specifiek voor de behandeling na een autotransplantatie zijn de onderstaande:

  • Relapse van open beet (bij kleiner maken van de boog van de maxilla door extractietherapie en verlies van transversale breedte)
  • Midline shift van 2 mm. Dit valt binnen de grenzen van wat we acceptabel vinden. Een leek zal dit niet zo snel opmerken
  • CAfchippen van het composiet: wanneer er orthodontisch te weinig ruimte is en er sprake is van een resitricted envelope in het front, breken er sneller stukjes composiet af.
  • Een scheef vlak van occlusie die scheef uitkomt. Dit komt vaker voor als er alleen een premolaar aan één kant verwijderd wordt. Het liefst wordt de orthodontische behandeling niet op deze manier afgerond, maar is sommige gevallen kun je het met behoud van transversale en sagittale het restauratief corrigeren.

Restauratieve complicaties bij autotransplantaties

Het opbouwen van één enkele autotransplantatie is enorm lastig. Het is moeilijk om de zenith helemaal perfect te krijgen en ook de torque van de orthodontische behandeling. Daarnaast is composiet is een lastig materiaal om mee te werken. Het is moeilijk om perfect te polijsten en geeft soms lekkage, zeker bij een slechte mondhygiëne. Ook verkleuringen van het composiet komen vaak voor.
Wanneer het element grijzig verkleurd door obliteratie kan extern bleken een optie zijn. Echter zijn hierbij geen goede lange termijn stabiele resultaten te behalen. Een andere optie is het composiet verwijderen en met een nieuwe composiet opbouw trachten het element optisch witter te laten lijken. Ook dat is een lastige procedure. Uiteindelijk kan gekozen worden voor een venneerpreparatie om met porselein een oplossing te maken. Dit stelt Naomi wel het liefst zo lang mogelijk uit.
Bij het opbouwen van het element, bouw je op vanaf de glazuurcementgrens. De elementen lijken daardoor direct na opbouwen relatief lang. Doordat de orthodontist de elementen nog gaat torquen en verplaatsen, verdwijnt een deel van het composiet nog onder de gingiva. Dat geeft direct na opbouwen soms geen esthetisch fraai resultaat.

Het composiet kan soms na behandeling afchippen. Dit is niet altijd een restauratieve complicatie zijn, maar kan ook het gevolg zijn van de stand van de elementen na de orthodontische behandeling.

Lees ook deel 1 van dit verslag

Dr. Dick Barendregt studeerde in 1988 af als tandarts aan de Rijksuniversiteit van Groningen. In 1991 startte hij met zijn Post Academische opleiding in de parodontologie aan het ACTA. In 1996 richtte hij de Kliniek voor Parodontologie Rotterdam op. Daar houdt hij zich naast de parodontologie bezig met de implantologie als Implantoloog (NVOI). De laatste 20 jaar is in dat kader de nadruk komen te liggen op patiënten behandeling in een interdisciplinair teamverband (Proclin Rotterdam) met collega tandartsen zoals orthodontisten, endodontologen, restauratieve tandartsen, kaakchirurgen en tandtechnici. Op 4 november 2009 promoveerde hij op zijn proefschrift “Probing around teeth” aan de Universiteit van Amsterdam. Vanaf 1 Juli 2019 is hij verbonden aan de afdeling parodontologie aan de Adams School of Dentistry in Chapel Hill (UNC) als Adjunct Professor. Daarnaast is hij betrokken bij verschillende postacademische cursussen en doceert binnen de Post Graduate opleiding voor Parodontologie.

Noami Doelen studeerde in 2012 aan het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam af als tandarts. Zij richtte zich daarna op prosthodontische verdiepingen, zowel op gebied van composiet (Geneve – dr. Didier Dietschi), chirurgie (Munchen – dr. Hurzeler/Zuhr), autotransplantatie team Utrecht (PRO Rotterdam) en functionele tandheelkunde (Verenigde Staten – dr. John Kois).

Door: Paulien Buijs, tandarts, verslag van de lezing van dr. Dick Barendregt en Naomi Doelen tijdens het NVVRT Restauratiefje.

Lees meer over: Congresverslagen, Implantologie, Kennis, Kindertandheelkunde, Thema A-Z
Evita Rekkers

Tandzorg voor kinderen: Het gebruik van narcose

Evita Rekkers is een ervaren kindertandarts bij praktijk TandInZicht, waar kinderen die extra zorg nodig hebben, terechtkunnen. Naast de reguliere behandelingen heeft ze veel ervaring in het behandelen van kinderen onder narcose. In dit gesprek vertelt ze wanneer narcose de juiste keuze is voor kinderen, hoe zo’n behandeling verloopt en hoe de veiligheid van de jonge patiënt gewaarborgd is.

Waarom heeft u zich gespecialiseerd in kindertandheelkunde?

“Na mijn master tandheelkunde in 2007 begon ik in een algemene praktijk, omdat ik nog niet precies wist welke richting ik op wilde. Al snel merkte ik dat ik het meeste energie kreeg van het werken met kinderen die speciale aandacht nodig hebben. Wat ik zo bijzonder vind aan kinderen, is hun pure karakter. Het gaat niet alleen om de behandeling, maar vooral om het opbouwen van vertrouwen op een speelse manier. Door geduld en begrip kun je als tandarts echt het verschil maken. Deze ervaring inspireerde me om me te specialiseren in kindertandheelkunde, waarvoor ik verschillende cursussen volgde. Via deze weg leerde ik de heer Arie Riem, pedodontoloog, kennen. Zijn visie en manier van werken spraken me meteen aan. Toen er een vacature vrijkwam bij kinderkliniek TandInZicht, die hij samen met Daniëlle Majtlis – de Haes aan het opbouwen was, was de keuze snel gemaakt: ik vond mijn plek bij praktijk TandInZicht.”

Welke uitdagingen komt u tegen bij het behandelen van kinderen in uw praktijk?

“De grootste uitdaging is het bieden van zorg op maat voor elk kind. In onze praktijk behandelen we uitsluitend kinderen die doorverwezen zijn en speciale zorg nodig hebben, zoals kinderen met gebitsproblemen, angst, bijzondere gedragskenmerken of lichamelijke beperkingen. Het is belangrijk om geduldig te zijn en op hun niveau te communiceren, zodat ze zich veilig en begrepen voelen. Elk kind heeft unieke zorgbehoeften, vooral de kinderen die bij ons op de stoel zitten, en het vergt flexibiliteit en geduld om de behandeling uit te voeren.”

Hoe gaat zo’n eerste afspraak bij jullie op de praktijk?

“Tijdens een intakegesprek gaan we dieper in op de reden van verwijzing: wat zijn de specifieke klachten of zorgen? Dit kan bijvoorbeeld gaan om angst, problemen met de mondhygiëne of andere tandheelkundige problemen. We kijken ook naar de thuissituatie en de ontwikkelingsleeftijd van het kind. Het doel is altijd om eerst te begrijpen welk kind er in de behandelstoel zit. Pas wanneer we een compleet beeld hebben, bepalen we samen met de ouders welke koers we gaan varen. Afhankelijk van de bevindingen stellen we een behandelplan op dat het beste aansluit bij de behoeften van het kind, zowel op medisch vlak als op emotioneel of gedragsmatig gebied, aangezien dit invloed kan hebben op de behandeling.”

Wanneer kiest u voor een behandeling onder narcose?

“Wanneer andere opties, zoals behandeling in de stoel of sedatie, niet voldoende zijn om een kind veilig en comfortabel te behandelen, kan narcose als laatste middel worden ingezet. Dit geldt bijvoorbeeld voor kinderen waarbij zelfs een eenvoudig onderzoek niet mogelijk is, door extreme angst, trauma of bijzondere gedragskenmerken. Ook bij complexe tandheelkundige behandelingen die veel tijd vergen, kan narcose een geschikte oplossing zijn. Het doel is om het kind snel pijn- en behandelvrij te maken, zodat het een nieuwe start kan maken met mondzorg.”

“Het kiezen voor narcose is altijd een weloverwogen beslissing en wordt alleen als laatste optie toegepast. In ongeveer 30% van de gevallen van doorverwijzingen naar onze praktijk voeren we de behandeling onder narcose uit. We bespreken altijd zorgvuldig de situatie met de ouders en kiezen samen de beste optie voor het kind. Het draait altijd om een zorgvuldige afweging van factoren zoals angst, de complexiteit van de behandeling en het gedrag of de beperkingen van het kind.”

Wat is het proces van een behandeling onder narcose bij TandInZicht?

“Na het intakegesprek en het opstellen van het behandelplan bespreken we samen met de ouders de mogelijke alternatieven en wegen we de voor- en nadelen zorgvuldig af. Als er gekozen wordt voor narcose, tekenen de ouders voor het behandelplan en het nazorgtraject. We bespreken van tevoren de narcose-dag; wat ze kunnen verwachten en hoe ze zichzelf en hun kind kunnen voorbereiden. We hebben een speciaal boekje voor de kinderen, waarin alles op een duidelijke, kindvriendelijke manier wordt uitgelegd.”

“Voorafgaande aan de narcose-afspraak plannen we eerst een uitgebreide screening met de anesthesioloog die de gezondheid van het kind beoordeeld om te bepalen of de narcose veilig kan plaatsvinden. Wij behandelen kinderen vanaf drie jaar die minstens vijftien kilo wegen. Tevens krijgen de ouders tijdens deze screening opnieuw uitleg over het proces, de risico’s en kunnen zij vragen stellen. Pas daarna maken we een definitieve afspraak. Eén dag voor de narcose bellen we de ouders nogmaals om te controleren of alles duidelijk is. We bespreken nogmaals het nuchterheidsbeleid, geven uitleg over pijnstilling en vragen of er bijzonderheden zijn. Op de dag van de narcose controleren wij teambreed of aan de voorwaarden voor een veilige behandeling onder narcose is voldaan en behandeling kan worden gestart. De behandelplannen en eventuele bijzonderheden worden nogmaals doorgenomen met het team tijdens een briefing en geregistreerd aan de hand van een checklist.”

Welke vragen of zorgen hebben ouders vaak over narcose?

“De vraag die ik het meeste hoor is: ‘Is het veilig?’ Bij ons behandelen we alleen gezonde kinderen en staan we voortdurend in contact met de ouders om op de hoogte te blijven van zaken die invloed kunnen hebben op de narcose, zoals verkoudheid op de dag van de afspraak. Tijdens de behandeling wordt het kind continu bewaakt door ervaren anesthesiologen. De veiligheid van de patiënt gaat altijd boven het tandheelkundig behandelplan.”

Welke professionals zijn betrokken bij een narcosebehandeling in de tandheelkunde?

“Bij ons werken we op narcosedagen met twee operatiekamers tegelijk. Dit betekent dat er twee anesthesiologen en twee anesthesiemedewerkers aanwezig zijn. Het anesthesieteam richt zich volledig op de narcose en het monitoren van het kind, terwijl de tandarts en tandartsassistente zich concentreren op de tandheelkundige behandeling. Zo bestaat elk team uit vier specialisten per operatiekamer die samen zorgen voor een veilige en succesvolle ingreep. Maar er komt meer bij kijken! Vanaf het moment dat de patiënt wordt ontvangen door de receptie tot het werk van de omloopassistent, die de operatiekamer voorbereidt en zorgt dat alle materialen klaar liggen, is het een teamprestatie. In elke stap van het proces werken we nauw samen om te zorgen dat alles veilig en soepel verloopt.”

Welke opleiding is nodig om als kindertandarts behandelingen onder narcose te mogen uitvoeren?

“Voor tandartsen maakt het in principe niet uit of ze een kind onder narcose behandelen of niet; hun focus ligt altijd volledig op de tandheelkundige ingreep. Wat wel essentieel is, is dat de tandarts ruime ervaring heeft met het behandelen van kinderen en bekwaam is in alle aspecten van de tandheelkunde. Omdat het belangrijk is dat het kind zo kort mogelijk onder narcose is, wordt er van tevoren altijd een efficiënt behandelplan opgesteld, want er kunnen tijdens de behandeling onverwachte situaties optreden, waardoor de tandarts snel moet kunnen schakelen.”

“De narcose ligt volledig in handen van de anesthesiologen. De anesthesiologen die bij ons werken worden regelmatig gevisiteerd door onafhankelijke experts. Tijdens zo’n visitatie wordt gecontroleerd of we voldoen aan alle protocollen en veiligheidsnormen. Dit zorgt ervoor dat we altijd volgens de hoogste standaarden werken, net zoals in het ziekenhuis. Een goed voorbeeld hiervan is hoe zorgvuldig we omgaan met de materialen die we tijdens de behandeling gebruiken. Alles, tot de kleinste watjes toe, wordt zorgvuldig genoteerd en geteld. Zo zorgen we ervoor dat er niets achterblijft in de mond.”

Hoe verloopt de nazorg na een narcosebehandeling?

“Na de behandeling wordt het kind naar de ouderkamer gebracht om rustig bij te komen in het gezelschap van de ouders. Zodra het kind voldoende alert is en de anesthesioloog toestemming geeft, mag het kind naar huis. We geven gedetailleerde informatie mee over pijnstilling en mogelijk te verwachten klachten, zodat de ouders goed voorbereid zijn.”

“Daarna begint het nazorgtraject, een cruciaal onderdeel van de narcosebehandeling. Narcose wordt als laatste redmiddel ingezet, met het doel een frisse start te maken zodat verdere behandelingen onder narcose niet nodig zijn. Gedurende het jaar na de behandeling blijft het kind bij ons onder zorg, met regelmatige afspraken gericht op preventie, angstreductie en voorlichting. Tijdens deze afspraken leren we ouders en kind goed poetsen en geven we voedingsadviezen om de mondgezondheid te verbeteren. Als het kind het spannend vindt om op de tandartsstoel te zitten, mag het bijvoorbeeld zijn lievelingsknuffel meenemen. Zo kunnen we eerst de knuffel laten zien hoe je goed poetst of we gebruiken een klein spiegeltje om het kind te laten zien wat er gebeurt in de mond. Voor angstige kinderen of kinderen met een trauma werken we samen met een psycholoog die ervaring heeft met tandartsangst. Het opbouwen van vertrouwen is voor ons cruciaal en we doen alles om de angst te verminderen en het zelfvertrouwen van het kind te vergroten.”

Werken jullie op de praktijk ook met lachgas-anxiolyse?

“In het verleden hebben we lachgas gebruikt, tegenwoordig niet meer. In onze praktijk behandelen we kinderen van drie tot achttien jaar. Hoewel lachgas soms bij medische ingrepen wordt toegepast, kan frequent gebruik invloed hebben op de vruchtbaarheid van de behandelaar. Daarnaast vereist het gebruik van lachgas medewerking van de patiënt, zoals het dragen van een neuskapje. Voor veel van onze patiënten, vooral jonge kinderen van drie of vier jaar, is dit niet haalbaar. Daarom maken we gebruik van andere vormen van sedatie, zoals midazolam, die we vaak inzetten bij kleine en korte ingrepen.”

Hoe ziet u de toekomst van narcose in de kindertandheelkunde?

“Bij ons in de praktijk zien we dat het aantal doorverwezen patiënten toeneemt, maar het aantal kinderen dat we onder narcose behandelen gelijk blijft. Dit geeft aan dat de vele preventieprojecten binnen de mondzorg en initiatieven om tandartsangst bij kinderen te verminderen effectief zijn. Ook gaan steeds meer ouders al naar de tandarts wanneer hun kind de eerste tandjes krijgt, waardoor kinderen vroeg kunnen wennen aan tandartsbezoeken en ouders tijdig geïnformeerd worden over voeding en mondverzorging. Toch zal narcose bij bepaalde kinderen altijd nodig blijven, vooral bij kinderen met ernstige lichamelijke beperkingen, bijzondere gedragskenmerken of complexe tandheelkundige problemen. Dit geldt ook voor vluchtelingen en kinderen uit migrantengroepen, die vaak te maken hebben met trauma’s of een gebit hebben dat intensieve zorg vereist. In zulke gevallen is narcose soms de enige veilige en efficiënte manier om de benodigde behandeling uit te voeren.”

“Ons motto bij TandInZicht is om kinderkiespijn de wereld uit te helpen. De narcosebehandeling biedt het kind niet alleen de mogelijkheid om pijnloos behandeld te worden, maar ook om een nieuwe start te maken voor de mondgezondheid. Door het nazorgtraject zorgvuldig te volgen, helpen we het kind om eventuele tandartsangst te overwinnen en geven we praktische informatie over mondhygiëne, zodat toekomstige bezoeken minder ingrijpend en stressvol zijn. Mijn ervaring is dat het nazorgtraject echt een verschil maakt, zelfs voor kinderen met autisme. Ze leren steeds beter om de tandartsstoel te accepteren. Stap voor stap, op een speelse en transparante manier, zien we het kind groeien en vertrouwen opbouwen. Het is geweldig om als tandarts dat verschil te kunnen maken.”

Interview met kindertandarts Evita Rekkers door Ilona van der Werf.

Lees meer over: Interview, Kindertandheelkunde, Opinie
Uitblinkers

Uitblinkers-project: verbeteren van poetsgedrag van jonge kinderen

Het Uitblinkers-project van ACTA/HU heeft als doel het verbeteren van het poetsgedrag van kinderen tussen de 2 en 10 jaar. ‘Uitblinkers’ is een gesprekstechniek waarbij wordt geprobeerd om het poetsgedrag van 2-jarige kinderen tot 10-jarige kinderen te verbeteren, kijkend naar de opvoeding van de ouders.

De gesprekken bestaan uit 2 delen: eerst wordt met de ouders gesproken over de hobbels die ze ervaren bij het tandenpoetsen van hun kinderen. Daarna wordt samen met de ouders gekeken naar manieren om ervoor te zorgen dat het alsnog lukt, door opvoedingkundige leerprincipes toe te passen, zoals consequent en positief opvoeden en het inbouwen van gewoontes. Behandelaars krijgen daarvoor een toolkit met kaarten en een script ter ondersteuning van de gesprekstechnieken.

ACTA onderzoekt met dit project, samen met de Hogeschool Utrecht (HU), of het Uitblinkers-project effect heeft op het verbeteren van het poetsgedrag van de kinderen op de lange termijn en wordt ‘Uitblinkers’ zo aangepast dat het ook kan helpen bij het verbeteren van voedingspatronen. Ook wordt onderzocht of deze methode in de mondzorgpraktijk kan worden toegepast.

Het project is in 2017 ontwikkeled door een groep van deskundigen in de kindtandheelkunde, Public Health, ontwikkelingspsychologie en gedragstherapie. Het project geeft aandacht aan de toenemende ongelijkheid in mondgezondheid van Nederlandse kinderen en dan met name van kinderen uit de lage sociaaleconomische posities.

Het project startte in 2024 en loopt tot 1 januari 2026. De betrokken onderzoekers zijn: bijzonder hoogleraar Publieke Gezondheid en Mondzorg Katarina Jerkovic (ACTA/HU), universitair hoofddocent Denise Duijster (ACTA) en onderzoeker Maddelon de Jong-Lenters (ACTA), hoogleraar Monitoring Mondgezondheid en Preventie Monique van der Veen (ACTA/InHolland) en promovendi Pomme van Maarschalkerweerd (ACTA) en Denise Leusink (HU).

Lees ook:

Uitblinkers training, 11 april 2025

Interview met Maddelon de Jong-Lenters over de Uitblinkers-interventie

Lees meer over: Communicatie patiënt, Kindertandheelkunde, Thema A-Z
Tandontwikkeling in de baarmoeder onderzocht bij muizen

Tandontwikkeling in de baarmoeder onderzocht bij muizen

Uit een dierstudie gepubliceerd in Nature Cell Biology blijkt dat snijtanden zich ontwikkelen als gevolg van een opbouw van mechanische druk in het weefsel. Dit onderzoek kan leiden tot een beter inzicht in hoe geboorteafwijkingen ontstaan.

Embryonale ontwikkeling

Tijdens de embryonale ontwikkeling is de glazuurknoop, die gevormd wordt als gevolg van een opbouw van mechanische druk in het weefsel, erg belangrijk voor de groei en vorming van het tandglazuur. De glazuurknoop is het belangrijkste signaalcentrum voor de tandontwikkeling. Een menselijke foetus begint ongeveer zes weken na de zwangerschap tandvlees te vormen en na negen weken ontwikkelt de foetus knoppen waaruit de uiteindelijke tanden groeien.

Onderzoek

Om het proces van tandontwikkeling in een embryo te onderzoeken werden laboratoriumstudies uitgevoerd bij een muizenfoetus. Een muizenfoetus ontwikkelt zich namelijk op dezelfde manier als een mensen, maar in een veel kortere tijd. Tijdens de ontwikkeling van de glazuurknoop werden weefsels die de tandknop van de foetale muis bevatten verzameld om verschillende experimenten uit te voeren. De locatie van de cellen en de signalen die worden uitgezonden werden bestudeerd.

Resultaten

Uit het onderzoek is gebleken dat wanneer een tandknop gaat groeien en delen, deze een mechanische druk uitoefent in het midden van het weefsel. Rondom de plek waar de glazuurknoop zich vormt, liggen celkernen en filamenteuze actinevezels in een cirkelvormig patroon. De kracht leidt tot het stoppen met delen van deze cellen waardoor de glazuurknoop wordt gevormd. Volgens onderzoekers zorgt de celproliferatie voor stressaccumulatie in het weefsel waardoor omringende cellen zich mechanisch verzetten tegen deze spanning. Dit leidt uiteindelijk tot het ontstaan van een cirkelvormig patroon van de structurele en mechanische weefsels.

Conclusie

Er is meer onderzoek nodig om de specifieke mechanismen van de druk die ontstaat te begrijpen.

Bron:
Nature Cell Biology

 

Lees meer over: Kindertandheelkunde, Thema A-Z
Applicatie van zilverdiaminefluoride bij pediatrische patiënten om cariës te voorkomen

Applicatie van zilverdiaminefluoride bij pediatrische patiënten om cariës te voorkomen

Volgens een studie gepubliceerd in JAMA pediatrics kan Zilverdiaminefluoride (SDF) net zo goed werken als tandheelkundige afdichtingsmiddelen om cariës te voorkomen bij pediatrische patiënten.

Onderzoek

Er is onderzoek gedaan naar het verschil in effectiviteit van SDF en sealants voor het stoppen en voorkomen van cariës bij schoolgaande kinderen met ouders met een laag inkomen. Er is een klinische studie uitgevoerd van februari 2018 tot juni 2023 op basisscholen in New York. Kinderen van 5 tot 13 jaar werden gerandomiseerd om SDF of glasionomeercement restauraties en atraumatic restaurative treatment (ART) te ontvangen. 4100 kinderen werden uiteindelijk opgenomen in de analyse.

Resultaten

In totaal werden 7418 kinderen ingeschreven en gerandomiseerd. Na de eerste behandeling voltooiden 4100 deelnemers de follow-up. De prevalentie van cariës aan het begin van de studie was 27,2% voor de experimentele groep en 26,2% voor de controlegroep. De prevalentie van deelnemers zonder nieuwe cariës of vullingen bij elke observatie was vergelijkbaar in beide groepen. De incidentie van cariës bij kinderen behandeld met SDF was 10,2 per 1000 tandjaren en in de groep behandeld met glasionomeercement en ART 9,8 per 1000 tandjaren.

Conclusie

Volgens de auteurs kunnen meer kinderen snel met SDF worden behandeld omdat het een korte inwerktijd per tand heeft. Het onderzoek kent een aantal beperkingen waaronder het afhaken van deelnemers. De toepassing van SDF resulteerde in een vrijwel gelijke cariësincidentie vergeleken met behandeling met glasionomeercement en ART. SDF is dus effectief en kan gebruikt worden bij de preventie van cariës bij pediatrische patiënten.

Bron:
JAMA pediatrics

 

Lees meer over: Kindertandheelkunde, Thema A-Z
Lieneke Stevrink-Jorna, Evaluatie Elke Peuter- en Kleutermond Gezond zeer positief

Evaluatie Elke Peuter- en Kleutermond Gezond zeer positief

Meer dan twee jaar geleden startten mondhygiënisten Silvia Van Hagen en Lieneke Steverink-Jorna op twee consultatiebureaus in Doetinchem en Wehl. Lieneke zocht al sinds 2011 een manier om samen te werken met het consultatiebureau. Zij zocht de samenwerking op met Regionaal Overleg Mondzorg Achterhoek. Hierbij zijn onder andere de GGD Noord -en- Oost Gelderland en Yunio betrokken.

Om voor een wetenschappelijke inslag te zorgen, werd de methode Uitblinkers gevraagd. De zorgverzekeraars kregen zij hierna ook mee. Ook besloot Gemeente Doetinchem na een motie de tandheelkundige preventie voor kinderen te garanderen en kon het project daadwerkelijk uitgerold worden.

Evaluatie

Na twee jaar werd de pilot geëvalueerd door Evaluatiebureau Publieke Gezondheid met als opdrachtgever Gemeente Doetinchem. Een korte samenvatting:

In november 2020 startte de gemeente Doetinchem de pilot “Elke peuter- en kleutermond gezond!” om de mondzorg voor kinderen toegankelijker te maken. Hoewel mondzorg voor kinderen vergoed wordt via de basisverzekering, bleek dat 16-36% van de kinderen geen preventieve mondzorg had ontvangen. Het doel van de pilot was om dit percentage te verminderen door mondhygiënisten in te zetten op consultatiebureaus.

Doelen

De pilot had vier hoofddoelen:
1. Het bereik van kinderen voor mondzorg vergroten.
2. Ouders bewust maken van het belang van goede mondzorg.
3. Gedragsverandering bevorderen, zoals tandenpoetsen en het vermijden van gezoete dranken.
4. Ouders ondersteunen bij mondzorgopvoeding met de Uitblinkers methodiek.

Elke Peuter- en Kleutermond Gezond

Uitvoering

Twee mondhygiënisten waren tussen april 2022 en juni 2024 op consultatiebureaus in Doetinchem en Wehl aanwezig. Ouders werden uitgenodigd om een mondzorgconsult te bezoeken. Tijdens het consult werden kinderen geïnspecteerd, tandenpoetsen werd gedemonstreerd, en zo nodig werd doorverwezen naar een mondzorgpraktijk. De Uitblinkers methodiek werd gebruikt om barrières voor tandenpoetsen bij ouders te identificeren en weg te nemen.

Resultaten

  • 866 kinderen in de leeftijd van 0-4 jaar bezochten de mondhygiënist.
  • Bij 49 kinderen werd actieve of behandelde cariës gevonden.
  • 606 adviezen over tandenpoetsen en 248 adviezen over speengebruik werden gegeven.
  • Meer dan de helft van de kinderen die de mondhygiënist bezochten, gingen later ook naar de tandarts.

Waardering

De betrokken zorgprofessionals en ouders waren zeer positief over de pilot. Ouders waardeerden het consult bij de mondhygiënist met een gemiddelde score van 8,8, en 94% van de ouders vond de adviezen bruikbaar. De laagdrempelige aanpak op het consultatiebureau en de speelse manier van tandenpoetsen werden als positieve punten genoemd.

Conclusie

De pilot toont aan dat mondhygiënisten op consultatiebureaus effectief zijn in het vergroten van het bereik van kinderen voor mondzorg. Er wordt geadviseerd om deze werkwijze voort te zetten en uit te breiden naar andere gemeenten, met een focus op samenwerking tussen consultatiebureaus en mondhygiënisten.

Dit project laat zien hoe preventieve mondzorg een belangrijke rol kan spelen in het bevorderen van mondgezondheid bij jonge kinderen, door ouders op een laagdrempelige manier te betrekken bij de zorg voor het gebit van hun kinderen.

Vervolg

De twee mondhygiënisten gaan door met hun project en hopen dat binnenkort de landelijke betaaltitel komt. Yunio (Jeugdgezondheidzorg door de hele regio) wenst namelijk op meerdere van haar consultatiebureaus de inzet van mondhygiënisten. Dit kan alleen als VWS hiertoe besluit. Waarschijnlijk zal dit rapport, naast het onderzoek van Gezonde Peutermonden, daartoe een zetje kunnen geven.

 

Lees meer over: Communicatie patiënt, Kindertandheelkunde, Thema A-Z
Molar Incisor Hypomineralisation

Molar Incisor Hypomineralisation: de inzichten en uitdagingen

Molar Incisor Hypomineralisation (MIH), of te wel kaasmolaren, is  een glazuurontwikkelingsstoornis  waarbij één of meerdere eerste blijvende molaren en frequent ook de blijvende incisieven zijn aangedaan. In Nederland spreken we van kaasmolaren omdat de elementen vaak de kleur van oude Nederlandse kaas hebben. Het glazuur is wit-creme tot geel bruin van kleur, is brozer en poreuzer, en hierdoor gevoeliger voor stimuli van buitenaf (koud, warm, zuur) en voor cariës. Soms is het zo ernstig, dat kinderen amper kunnen poetsen vanwege de gevoeligheid.

Hypomineralised Second Primary Molars

Hypomineralised Second Primary Molars (HSPM), oftewel kaasmolaren in het melkgebit (kaasvijven), is een glazuurontwikkelingsstoornis bij de 2e melkmolaren. Naar deze aandoening is veel minder onderzoek gedaan dan naar MIH. Er is een significant verband tussen beiden; kinderen met HSPM hebben een grotere kans op MIH in het blijvende gebit. Als er meer melkmolaren zijn aangedaan, neemt vaak de ernst van de HSPM vaak toe, én neemt ook de kans op MIH toe.

Prevalentie

De prevalentie van MIH is 13.8% wereldwijd, waarbij er significante verschillen bestaan tussen regio’s en landen. Zo wordt de hoogste prevalentie in Latijns Amerika  gevonden en de laagste in Afrika. Ondanks dat er geen onomstotelijk bewijs is dat de prevalentie toeneemt, hebben veel tandartsen het gevoel meer patiënten met MIH te zien, met name ook ernstige gevallen van MIH. De prevalentie van HSPM is 10% wereldwijd, ook met grote verschillen tussen onderzoeken, van 1,6% tot bijna 55%.
Per jaar komen er op basis van de huidige prevalentiecijfers 5 miljoen mensen met MIH bij. Hiervan heeft  27,4% een behandeling nodig vanwege pijn, hypersensitiviteit, post-eruptief glazuurverlies en/of cariës. Hoe meer molaren zijn aangedaan, hoe ernstiger de aantasting is, én hoe groter het aangedane oppervlakte is, des te ernstiger zullen de laesies zijn.

Kenmerken MIH

  • Witte, cremekleurige en/of geel-bruine, begrensde opaciteiten
  • Post-eruptief glazuurverlies
  • Atypische cariës
  • Atypische restauraties
  • Atypische extracties

Uitdagingen bij MIH

  1. Hypersensitiviteit; door toename in porositeit van het glazuur.
  2. Pijncontrole; anesthesie werkt minder goed. Lokale verdoving heeft een langere inwerkingstijd bij elementen met MIH
  3. Afbrokkeling van het glazuur van de aangedane elementen; problemen met esthetiek en beethoogte kunnen ontstaan.

MolarIncisor Hypomineralisation – Treatment Need Index (TNI)

In Duitsland is er een index gemaakt, in de literatuur bekend als de Würzburg index, om de behandeladviezen in de verschillende gevallen overzichtelijker te maken. Er zijn vier groepen, gebaseerd op wel of geen glazuurverlies en wel of geen gevoeligheid. Daarnaast zijn de mogelijke behandelingen ingedeeld in:

  • preventie
  • sealen
  • tijdelijke restauratie voor korte termijn
  • tijdelijke restauratie voor langere termijn
  • definitieve restauratie
  • extractie

De beste behandeling is afhankelijk van meerdere factoren en zal per kind en per element worden bepaald waarbij deze index een goede leidraad.

Preventie

In de preventie is het gebruik van fluoride bij MIH-elementen is extra belangrijk, omdat de elementen een ruw oppervlakte hebben, hypersensitief zijn, een hoog cariës-risico hebben en vaak barstjes en breuken vertonen. Toediening van fluoride kan thuis worden gedaan, door te poetsen met adequate fluoride-houdende tandpasta waarbij de ouders (na)poetsen. Tandpasta voor gevoelige tanden kan worden aangeraden om de gevoeligheid te verminderen.
Lokale applicatie van een hoog-percentage fluoride kan worden toegediend in de praktijk. Door het verhoogde cariës -risico is het belangrijk de patiënt elke 3 maanden voor controle terug te zien.

Helaas werkt fluoride niet altijd goed bij MIH, omdat er in de aangedane elementen weinig calcium en fosfaat aanwezig is. Tooth mousse (CPP-ACP, caseine fosfopeptide – amorf calcium fosfaat) kan aanvullend thuis gebruikt worden, wanneer er sprake is van hypersensitiviteit. Hierdoor kan de gevoeligheid afnemen, wat een toename in de kwaliteit van leven voor het kind betekent. Maar er vindt ook een aanvulling van het calcium plaats in het remineralisatieproces.

Zilverdiamide fluoride

Wanneer de MIH molaren al op jonge leeftijd zijn gecaviteerd, kan een tijdelijke restauratie voor de kortere termijn nodig zijn. Het kan uitkomst bieden om SDF (Zilverdiamide fluoride) te gebruiken. Applicatie van de SDF vindt plaats met een micro-brush, en de cariës kleurt na 1 minuut zwart. Droog blazen van het element is vaak onmogelijk omdat dit te gevoelig is, dus is het beter het droog te maken met een wattenbolletje. Na applicatie met SDF kan er GIC worden gebruikt om tijdelijk te restaureren. Op deze manier is er geen anesthesie nodig.

Restaureren

Hoe ernstiger de hypomineralisatie is, des te lastiger is het om een element goed en duurzaam te restaureren omdat er haast geen hechting te verkrijgen is aan het overgebleven gezonde glazuur. Het aangetaste glazuur lijkt qua hechtingskenmerken en hardheid meer op dentine dan op glazuur. Om het element dan toch voor een langere termijn te restaureren kan gekozen worden om roestvrijstalen kronen te plaatsen.

Wanneer er later wel een definitieve restauratie wordt gemaakt, is anesthesie onontbeerlijk. Er kan, afhankelijk van de omvang van het restaureren defect, gekozen worden voor composiet of een indirect vervaardigde restauratie (door laboratorium vervaardigde kroon).

Wanneer het kind 9-10 jaar oud is, kan worden overwogen of extractie mogelijk een optie is. Hiervoor is een OPT nodig om de ontwikkeling van de P2, M2 enM3 te beoordelen op ligging en ontwikkeling. Het kan verstandig zijn om een orthodontist te betrekken in het besluit of en wanneer de kaasmolaren geëxtraheerd kunnen worden.

Prof. Dr. Norbert Krämer promoveerde in 1997 aan de Universiteit van Erlangen. Tussen 2006 en 2009 was hij hoofd van de afdeling Kindertandheelkunde in Dresden. In 2009 werd hij benoemd tot directeur van de polikliniek kindertandheelkunde aan de Universiteit van Gießen. Hij was voorzitter van de Duitse Vereniging voor Kindertandheelkunde (GSPD), bestuurslid van de Europese Academie voor Kindertandheelkunde (EAPD), lid van de raad van bestuur van de International Association of Pediatric Dentistry (IAPD). Prof. Krämer is redacteur en redactielid van verschillende internationale tijdschriften. Hij heeft ca. 170 onderzoekspapers/boeken/artikelen geschreven. Zijn expertise ligt op het gebied van tandheelkundige materialen, tandheelkundige volksgezondheid en klinische onderzoeken.

Dr. Marlies Elfrink studeerde in 2004 als tandarts af aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Aansluitend volgde ze het masterprogramma tot tandarts-pedodontoloog  aan ACTA, waar ze in 2007 haar diploma kreeg. Naast haar werk als tandarts werkte ze aan haar promotieonderzoek naar kaaskiezen in het melkgebit – Hypomineralised Second Primary Molars (HSPM). Op 1 juni 2012 promoveerde ze aan ACTA.

Tegenwoordig werkt ze bij  Mondzorgcentrum Nijverdal, en Mondzorgcentrum Wiranto&Go in Almelo,  participeert in een onderzoeksgroep van tandarts-pedodontologen – Pediatric REsearch Project (PREP), is section-editor bij European Archives of Paediatric Dentistry (EAPD), publiceert artikelen en geeft met regelmaat lezingen in binnen- en buitenland, met name over kaaskiezen.

Dr. Piero Altieri studeerde af als tandarts in Rome in 1990. Daarna behaalde hij zijn master in kindertandheelkunde en orthodontie. In 1993 richtte hij Primi Sorrisi op, een orthopedisch tandheelkundig centrum in Rome. Sinds 2000 is hij docent en geeft hij daarnaast veel (internationale) lezingen.

Verslag door Jacolien Wismeijer, tandarts, voor dentalinfo.nl van de lezingen van prof. dr. Norbert Krämer, dr. Marlies Elfrink en dr. Piero Altieri tijdens het IAPD-congres.

 

Lees meer over: Congresverslagen, Kennis, Kindertandheelkunde, Thema A-Z
open mond - gebit

Een goede vertrouwens relatie: dé basis voor een gezond gebit

Niemand wil een slecht gebit. De tandarts niet, de ouders niet en ook het kind niet. Het is dus zaak stevig in te zetten op preventie. Het directe contact met de patiënt en de vaak langdurige vertrouwensrelatie vormen de basis hiervoor. Hoe bouw en onderhoud je deze vertrouwensrelatie?

Verslag van de lezing van Ingrid van Essen, gedrag- en communicatiedeskundige.

Anders kijken naar probleemgedrag met een systemische blik

– Zie het gedrag als een onderdeel van het grote geheel

– Heb aandacht voor de wisselwerking van het kind en zijn omgeving

– Begrijp dat mensen onderdeel zijn van een systeem

– Mensen zijn loyaal aan hun systeem

– Besef dat veel van onze reacties in het ‘hier en nu’ geworteld zitten in het verleden

Mensen zijn meer dan alleen hun gedrag. Systemisch kijken wil zeggen:

Zie het gedrag als een groter geheel. Vanuit systemische blik ga je net wat verder en dieper in op wat gaat hieraan ten onder gaat.

Wat je denkt dat je ziet, is meer wat je denkt dan wat je ziet – Kees de Wolf

Je kan pas echt goed met kinderen werken als je de ouders respecteert.

Stuur ouders dus niet naar de wachtkamer tijdens de behandeling.

Vraag ouders naar hun verhaal en ervaringen bij de tandarts. Ouders meenemen bij behandeling van kinderen is belangrijk. Het kan een oplossing zijn dat het kind met zijn/haar vader die geen angst heeft, naar de tandarts gaat in plaats van met de moeder die veel angst heeft voor de tandarts.
Voor een zorgprofessional gaat het erom dat je uitstraalt naar de patiënt: ‘ik zie jou, het is oké’. Medemenselijkheid is belangrijk, iedereen heeft een verhaal. Wees bewust van de wisselwerking tussen het kind en de omgeving, er is zoveel meer dan alleen de persoon waarmee je praat. Er zit een hele familie achter en reacties zijn diep geworteld in systemen. Deze komen vaak uit het verleden.

Er zit een systeem in

Er ontstaat een systeem wanneer een groep mensen met elkaar een relatie aangaat.

Kenmerken:

  • ‘wij’ versus ‘zij’ gevoel
  • Patronen en dynamieken zijn veelal onbewust
  • Eigen regels, waarden, normen en overtuigingen

Ieder heeft zijn eigen regels en overtuigingen. Voor de één is het heel belangrijk om goed voor het gebit te verzorgen, maar bij een ander hoeft dat helemaal niet zo te zijn.

Samenwerking is cruciaal, een kind is een onderdeel van een familiesysteem.
Je wil het beste voor het kind en dat hij positieve ervaringen opdoet en vrij van angst naar de tandarts gaat.

Samenwerking cruciaal

 

Ouders van een kindje met veel cariës de les lezen door te zeggen ‘uw kind heeft veel cariës, dat kan echt niet’ is misschien menselijk, maar niet wenselijk. De ouder zal het vanuit hiërarchie niet accepteren. De tandarts kan nooit ‘de betere ouder’ zijn, vanuit de wetmatigheden van het familiesysteem.

Basisbehoeften van ieder mens

Basisbehoeften van ieder mens

Verbondenheid, autonomie en competentie, verhogen het welbevinden.

  •  Verbondenheid

    Ieder mens heeft de behoefte gehoord en gezien te worden. Hoe vind je het om hier te zijn? Is een voorbeeld van een vraag die je kunt stellen aan een kind. Kinderen zijn vaak eerlijk. Train jezelf om kinderen een vraag buiten de mondzorg te stellen en daar later op terug komen, dat is echt oprechte interesse.

  • Autonomie

    Als mondzorgprofessional zou je de vraag kunnen stellen: ‘wat zou hiervoor de oplossing zijn?’ Soms kan je veel stress wegnemen door uit te leggen wat je gaat doen.

Gebruik het woordje “nog”. Dus niet: waarom lukt het poetsen niet?
MAAR: waarom lukt het poetsen NOG niet. Erkenning is KEY!

Leer kinderen vaardigheden aan en vraag bijvoorbeeld: ‘wat heb je al gedaan?’

6 uitgangspunten van een goede vertrouwensrelatie

6 uitgangspunten van een goede vertrouwensrelatie

  1. Gedrag

    Mensen zijn zoveel meer dan hun gedrag

  2. Gevoelens en behoeften

    Soms moet je stilstaan om te versnellen

  3.  Kwaliteiten talenten en vaardigheden

    Mensen beschikken over eigen hulpbronnen om het gewenste resultaat te bereiken. Het is erg onnederlands om je kwaliteiten tentoon te stellen door onze calvinistische cultuur. Vraag bijvoorbeeld:
    Wat lukt jou wel?
    Wat gaat wel goed?
    Sta stil bij wat wel goed gaat want dat werkt verbindend.

  4.  Identiteit / zelfbeeld

    Ik ben oké, jij bent oké.
    Mijn waarheid is niet de waarheid.

  5. Mensen wil wel veranderen maar niet veranderd worden

  6. Effectief communiceren

    Het is belangrijk om je te realiseren dat je niet alleen met taal maar ook non-verbaal communiceert. En ook als je niets zegt, communiceer je toch. Je kunt niet niet communiceren.

Ruis

Communicatie vind je op:

  • Inhoudsniveau
  • Betrekkingsniveau

Ruis kan onder andere ontstaan door gebrek aan transparantie, onduidelijkheid en vertrouwen. Als mondzorgprofessional kun je ruis voelen.

Vraag jezelf af: ‘Heb ik een ruis veroorzaakt?’.

Vragen die goed zijn om te stellen:

‘Hoe vindt u mij als tandarts?’
‘Is er iets wat ik moet weten?’

Gedrag lokt emotie uit. Het is goed om te weten waar een reactie vandaan komt en dat iedereen een koffer met zijn verhaal heeft. Besef: mijn waarheid is niet dé waarheid.

Kijk naar je eigen opvoeding. Welke ervaringen heb ik? Welke overtuigingen heb ik? In een praktijk zal je merken dat de samenwerking vaak makkelijker verloopt wanneer je patiënten behandeld met ongeveer dezelfde normen en waarden als jij. Het wordt een uitdaging om in contact te blijven met mensen die er andere waarden en normen op nahouden.

Reflectie oefening

  • Welke waarden en normen zijn voor jou belangrijk als het gaat om mondhygiëne?
  • In hoeverre conflicteren deze met het gedrag van bepaalde patiënten?
  • Wat wordt er dan getriggerd?

Valkuilen in de communicatie

  • Te snel advies geven of oplossingen aandragen
  • Dreigen
  • Overtuigen
  • Belerend toespreken
  • Bagatelliseren

In je communicatie is het goed om:

  • Perspectief te bieden
  • Competentiegevoel te geven

Vergeet dat je als mondzorgprofessional alleen aan het zenden bent.
Pubers leven heel erg in het hier en nu. Als je tegen hun zegt: ‘als je niet gaat poetsen, krijg je gaatjes. En veel zoete drankjes zijn ook slecht’, dan komt dit waarschijnlijk niet over. Pubers boeit het niet. Maar zeg je:
‘Je krijgt een slechte adem, dat zoent niet lekker’. Dan is dat veel effectiever.

Samengevat

  • Investeer in een goede relatie
  • Respecteer de drie universele basisbehoeften van ieder mens
  • Houd rekening met de onbreekbare band tussen ouder en kind (loyaliteit)
  • Zet elke dag weer je systemische bril op
  • Mensen zijn zoveel meer dan hun gedrag
  • Zie het goede, ook als het goede klein is

Ingrid van Essen is gedrag- en communicatiedeskundige. Opgeleid bij onder anderen Phoenix Opleidingen is zij gespecialiseerd in Transactionele Analyse, Systemisch werken, NLP en Lichaamswerk. Vanuit haar eigen bedrijf is zij werkzaam als coach en trainer op het gebied van persoonlijk leiderschap, communicatie en teamontwikkeling binnen (zorg)organisaties. Zij traint en begeleidt mensen en organisaties op het gebied van gedrag en communicatie. Daarnaast is zij een veelgevraagd spreker op congressen en schreef zij meerdere boeken over gedrag, relatie en communicatie. Haar nieuwste boek ‘Communicatie zonder frustratie in het gezin’ verschijnt binnenkort.

Verslag voor dental INFO door Joanne de Roos, tandarts, van de lezing van Ingrid van Essen tijdens het congres Kindertandheelkunde van Bureau Kalker.

 

 

Lees meer over: Communicatie patiënt, Congresverslagen, Kennis, Kindertandheelkunde, Thema A-Z
GiGaGaaf 400

GigaGaaf-to-go! – een samenwerking tussen Jeugdgezondheidszorg (JGZ) en mondzorgpraktijken

GigaGaaf-to-go! is het project van het Ivoren Kruis, UMCG en TNO om de mondgezondheid bij de jongste kinderen te verbeteren.

Met GigaGaaf-to-go!:

  • Komen consultatiebureaus en mondzorgpraktijken met elkaar in contact en maken samen afspraken over de samenwerking.
  • Horen ouders van jonge kinderen op het consultatiebureau over het belang om vanaf de doorbraak eerste tand (vanaf circa 6 maanden oud) met regelmaat voor controle naar een mondzorgverlener te gaan.
  • Krijgen ouders advies over welke mondzorgpraktijken zij kunnen bezoeken.
  • Zijn er meer kinderen in Nederland met een gaaf gebit!

Van 2014 – 2023 is door UMCG en TNO het onderzoek GigaGaaf! uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de GigaGaaf!-aanpak, waarbij de jongste kinderen bij het consultatiebureau worden toegeleid naar de mondzorgverlener, effectief is. De kinderen hadden op 5-jarige leeftijd minder beginnende cariës dan kinderen die pas op latere leeftijd bij de mondzorgverlener kwamen. Met hulp van onder andere het Ivoren Kruis wordt daarom gestart met GigaGaaf-to-go!

Samenwerking mondzorgverlener en consultatiebureau

Mondzorgverleners worden uitgedaagd om de samenwerking op te zoeken met de consultatiebureaus uit de buurt. Ook JGZ-medewerkers kunnen de eerste stap zetten om samen te werken met mondzorgverleners, zodat zij ouders advies kunnen geven over het bezoeken van mondzorgpraktijken. Op de website van het Ivoren Kruis is een toolkit beschikbaar. Hier kan men met behulp van een stappenplan en diverse materialen aan de slag met GigaGaaf-to-go!

Lees meer over GigaGaaf-to-go!

 

Lees meer over: Kindertandheelkunde, Thema A-Z
Tape

Kinesiotaping helpt mogelijk tegen complicaties na extractie van aangetaste derde ondermolaren

Door naast niet-steroïde anti-inflammatoire geneesmiddelen (NSAID’s) ook kinesiotaping te gebruiken hebben patiënten mogelijk minder last van postoperatieve complicaties na de extractie van een derde molaar. Volgens een publicatie in het Journal of Clinical Medicine hielp het tapen bij het vergroten van de mate van kaakopening, het verminderen van de pijnintensiteit en het verminderen van de NSAID-dosering.

Impact op kwaliteit van leven

Het verwijderen van derde molaren is een standaardprocedure, maar heeft vaak negatieve gevolgen voor de kwaliteit van leven van de patiënt. Om postoperatieve complicaties als pijn, zwelling en trismus tegen te gaan worden vaak NSAID’s toegediend. Hoewel dit effectief is gebleken vertonen de medicijnen meerdere bijwerkingen.

Alternatieve methodes

Om deze reden worden alternatieve methodes gezocht, waaronder het gebruik van kinesiotaping. Dit is een niet-invasieve methode om complicaties die verband houden met ontstekingen te verlichten. De toepassing van tapes beperkt het bewegingsbereik niet en heeft daarom geen invloed op de dagelijkse routines. De tape werkt op de huid-fascia correlatie, vergemakkelijkt de onderlinge verplaatsing van de weefsels en de onderhuidse doorstroming, en elimineert zowel stagnatie als lymfatisch oedeem.

NSAID’s verminderen

Mogelijk kan door het tapen de inname van NSAID’s worden verminderd. De resultaten van eerdere onderzoeken zijn echter dubbelzinnig. Daarom hebben onderzoekers uit Polen de effectiviteit van kinesiotaping naast NSAID’s vergeleken met het gebruik van alleen NSAID’s bij de behandeling van postoperatieve complicaties na extractie van geïmpacteerde derde ondermolaren.

Tape- en controlegroep

In totaal deden dertig patiënten mee aan het onderzoek. Bij de helft werd onmiddellijk na de extractieprocedure tape aangebracht, bij de andere helft niet. De tapegroep kreeg de raad om niet te veel zorg te besteden aan het verband en om de tape minimaal drie dagen en maximaal vijf dagen te behouden, aldus de studie.

De visuele analoge schaal (VAS) werd gebruikt om pijn te beoordelen, en een schuifmaat werd gebruikt om trismus te meten. Dit werd gedaan op de dag van de operatie, op de tweede dag na de operatie en op de zevende dag na de operatie. Beide groepen mochten indien nodig 100 mg NSAID’s nemen tegen de pijn.

Minder ernstige complicaties door tapen

Een dag na de operatie was de door de patiënten volgens de VAS gerapporteerde pijn significant lager (p = 0,0114) bij de patiënten bij wie kinesiologietape was aangebracht dan bij degenen bij wie dat niet het geval was. Bovendien meldden patiënten uit de testgroep een dag na de operatie (p = 0,0102) en twee dagen na de operatie (p = 0,0131) een significant lagere inname van NSAID’s in vergelijking met degenen die geen kinesiotaping ondergingen, schreven de auteurs. Daarnaast konden degenen met tape op de zevende dag na de operatie hun mond verder openen vergeleken met de controlegroep. Ook dit verschil tussen de groepen was volgens de auteurs significant.

Kleine steekproefomvang

Desalniettemin had de studie beperkingen, waaronder de kleine steekproefomvang. Beperkte kennis over het gebruik van kinesiologietape beperkte het aantal patiënten dat bereid was deel te nemen aan het onderzoek.

Meetbare voordelen

Ondanks dit nadeel blijven onderzoekers het gebruik van kinesio-taping op grotere schaal bestuderen met een grotere steekproefomvang. Deze studie benadrukt meetbare voordelen, waaronder de aanzienlijke vermindering van het gebruik van NSAID’s, wanneer kaakchirurgen samenwerken met fysiotherapeutische teams, schreven de onderzoekers.

Nieuwe standaard

“Kinesiotaping is een relatief goedkope en eenvoudige procedure, die het gebruik van medicijnen vermindert en bemoedigende vooruitzichten biedt voor de postoperatieve zorg na extractie van geïmpacteerde derde molaren in de onderkaak. […] Het zou als standaard moeten worden ingevoerd bij de operatie van geïmpacteerde ondermolaren”, concludeerden ze.

Bron:
Journal of Clinical Medicine

Bekijk een voorbeeld van kinesiotaping in bovenstaande bron.

Lees meer over: Kindertandheelkunde, Restaureren, Thema A-Z