SWIP: voor tandartsen en assistenten die met orthodontie willen beginnen

SWIP: voor tandartsen en assistenten die met orthodontie willen beginnen

Een vijfdelige basiscursus met 12 KRT-punten per onderdeel. Onder leiding van drs. Nico van der Werff en drs. Jan Cleyndert en bedoeld voor tandartsen en assistenten die met orthodontie willen beginnen in de algemene praktijk. De deelnemers worden opgeleid in diagnostiek en behandelplanning, omgang met apparatuur en materiaal, werken met Straight Wire 022-slot systeem en zelf-ligerende systemen.

Meer informatie SWIP: voor tandartsen en assistenten die met orthodontie willen beginnen

Locatie: Soestduinen

Deel 1: 30 januari en 31 januari 2026

Diagnostiek en Cephalometrie
McNamara, Ricketts, Woodside, Harvold, Baccetti, Garcia

Orthopedische Expansie
Bonded Expander Hyrax-type

Deel 2: 20 en 21 maart 2026

Straight Wire system
Selfligating Carrière brackets en conventionele brackets naar Mc Laughlin Bennet & Trevesi. Bogen, Legeringen en Sequenties.

Deel 3: 8 en 9 mei 2026

Klasse I, Non-extractie- en extractietherapie

Deel 4: 19 en 20 juni 2026

Klasse II, Non-extractie- en extractietherapie

Twin Block, Twin Force, Williamsons Ramp

Straight Wire system

Sagital First Concept volgens Carriere met Motion II

Deel 5: 18 en 19 september 2026

Klasse III, Non-extractie- en extractietherapie

Hyrax, Petit Mask, Expander

Straight Wire system

Sagital First Concept volgens Carriere met Motion III

Meer informatie SWIP: voor tandartsen en assistenten die met orthodontie willen beginnen

 

Bekijk ook: SWIP Advanced 2025: The Airway & Beyond

Deze vervolgcursus is bedoeld voor zowel tandartsen als assistenten die de tandarts actief begeleiden tijdens behandelingen. De cursus bouwt voort op de theoretische basis die is gelegd tijdens de SWIP Basic-cursus – voor tandartsen en assistenten die met orthodontie willen beginnen – en vertaalt deze naar de klinische praktijk. Meer over SWIP Advanced

Lees meer over: Bij- en nascholing, Kennis, Partnernieuws, Partnernieuws, Producten, Scholing
Congresverslag Gebitsslijtage 400

Congresverslag: Gebitsslijtage

De meest voorkomende afwijking in de mond is gebitsslijtage. Iedereen heeft een bepaalde mate van gebitsslijtage omdat het een fysiologisch proces is. Lees het verslag van de lezing van Luuk Crins tijdens het NVVRT-congres over welbevinden met ernstige gebitsslijtage, onderliggende medische aandoeningen en behandeling van slijtage.

Oral Health Related Quality of Life en gebitsslijtage

De tandheelkundige zorg heeft als doel het waarborgen van de functionele integriteit van het gebit. Wanneer de functies van het gebit afnemen door bijvoorbeeld gebitsslijtage, kan dit een negatieve invloed hebben op de kwaliteit van leven. De kwaliteit van leven wordt subjectief door de patiënt gerapporteerd en vormt daarmee een belangrijke patiëntgerichte uitkomstmaat.

De relatie tussen gebitsslijtage en ‘Oral Health Related Quality of Life’ (OHRQoL) is onderwerp van onderzoek. Een grootschalige studie uit het Verenigd Koninkrijk toonde aan dat patiënten met ernstige gebitsslijtage—waarbij meer dan een derde van de klinische kroon was verdwenen—een significant lagere OHRQoL rapporteerden dan patiënten met minder uitgesproken slijtage. In algemene zin kan worden gesteld dat uitgebreide slijtage de kwaliteit van leven nadelig beïnvloedt. Echter, op individueel niveau hoeft dit niet het geval te zijn. Sommige patiënten met ernstige gebitsslijtage ervaren desondanks een goede kwaliteit van leven.

Dit impliceert dat de klinische besluitvorming omtrent restauratieve interventies niet uitsluitend gebaseerd mag worden op de mate van slijtage. De perceptie en zorgvraag van de patiënt dienen hierin een centrale rol te spelen.

Gastro-oesofageale reflux (GOR(D)) en gebitsslijtage

Een medische aandoening die het risico op gebitsslijtage verhoogt, is gastro-oesofageale reflux ziekte (GORD). In de volksmond staat deze aandoening bekend als ‘brandend maagzuur’ of ‘zuurbranden’. Gastero-oesofageale reflux betreft een fysiologisch fenomeen waarbij maagzuur tijdelijk terugvloeit in de slokdarm. Dit treedt bij iedereen op en blijft vaak asymptomatisch. Wanneer de refluxfrequentie toeneemt en gepaard gaat met klachten, spreekt men van gastro-oesofageale refluxziekte (GORD).

Hoewel maagzuur in de meeste gevallen de mond niet bereikt, kan een verzuurde slokdarm resulteren in een lagere pH-waarde in de mondholte, wat op zijn beurt het slijtageproces van gebitselementen versnelt. Studies tonen aan dat een aanzienlijk deel van de GORD-patiënten (5-47%) gebitsslijtage vertoont.

Sommige patiënten beschrijven een ‘zwakke maag’ of geven aan dat hun ‘maagklepje niet goed sluit’, terwijl het hier in feite gaat om een disfunctie van de onderste oesofageale sfincter. De symptomen kunnen verergeren door de consumptie van vetrijke of gekruide voedingsmiddelen, tomaten(producten), cafeïne, alcohol, pepermunt en citrusvruchten.

Bovendien kunnen aandoeningen waarbij de intra-abdominale druk verhoogd is, zoals obesitas en zwangerschap, bijdragen aan een verhoogde frequentie van zure refluxepisodes. Langdurige GORD verhoogt tevens het risico op het ontwikkelen van een Barrett-slokdarm, een premaligne aandoening.

Symptomen van GOR(D):

  • Zuurbranden
  • Oprispingen
  • Pijn bij slikken
  • Heesheid
  • Laryngitis/faryngitis
  • Verergering van klachten tijdens de nacht
  • Halitose
  • Gebitsslijtage

In sommige gevallen is gebitsslijtage het enige symptoom van GOR(D). Dit impliceert dat patiënten zich niet bewust zijn van de onderliggende aandoening, terwijl hun gebitselementen wel progressieve schade ondervinden. Gebitsslijtage komt frequenter voor bij mannen dan bij vrouwen. Opmerkelijk is dat, hoewel vrouwen vaker klachten van zuurbranden rapporteren, de diagnose GORD vaker bij mannen wordt gesteld. Dit vormt een mogelijke verklaring voor de hogere prevalentie van gebitsslijtage bij mannen. Vrouwen zouden door de fysieke terugkoppeling hun leefstijl kunnen aanpassen om het aantal episodes van het terugstromen van maagzuur in de slokdarm te beperken en daarmee de pH-waarde in de mond niet te doen laten dalen.

Etiologie van gebitsslijtage

Gebitsslijtage is altijd multifactorieel van aard. Er wordt tegenwoordig onderscheid gemaakt tussen mechanische en chemische slijtageprocessen, waarbij de traditionele termen erosie, attritie en abrasie minder gangbaar zijn.

Het onderzoeken van causale verbanden binnen de etiologie van gebitsslijtage blijft complex en berust grotendeels op correlaties. De literatuur toont een sterke correlatie tussen een zuur dieet en de aanwezigheid van gebitsslijtage. Eveneens is er een significante correlatie tussen GORD (en GOR) en gebitsslijtage. Daarentegen is de relatie tussen bruxisme (waaronder klemmen en knarsen) en gebitsslijtage minder eenduidig aangetoond. Hoewel klemmen en knarsen logischerwijs bijdragen aan mechanische slijtage, is het onzeker of dit op populatieniveau leidt tot pathologische en ernstige slijtage.

Chemische processen spelen een doorslaggevende rol in gebitsslijtage. Zure aanvallen resulteren in de demineralisatie van het glazuur. De toplaag lost op en het onderliggende tandmateriaal wordt zachter en daarmee vatbaarder voor verdere slijtage. Chemische processen fungeren als een katalysator voor verdere slijtage. De vraag rijst dan: hoeveel slijtage zou er optreden indien er geen chemische component aanwezig zou zijn?

Het antwoord is duidelijk: chemische processen zijn de meest dominante factor in gebitsslijtage.

Binnen het Radboud Tooth Wear Project is een grote groep patiënten met gebitsslijtage prospectief gevolgd, waarbij 3D-scans inzicht boden in de progressie van slijtage over tijd. Zelfs bij patiënten met ernstige gebitsslijtage bleek de progressie doorgaans gering en binnen fysiologische grenzen te blijven. Hieruit volgt dat gebitsslijtage vaak een traag proces is. Daarom is counseling en monitoring in de meeste gevallen de eerstaangewezen behandelstrategie.

Gezien het dominante aandeel van chemische slijtage is het bij preventie van verdere slijtage essentieel om primair de zure belasting te verminderen, voordat mechanische interventies, zoals een splint, worden overwogen.

Dit geldt ook bij de aanwezigheid van zichtbare slijtfacetten, aangezien ‘fysiologische mechanische processen’

Nogmaals, hoeveel slijtage zou er optreden indien er geen chemische component aanwezig zou zijn?

Bij de overweging tot restauratief ingrijpen, dient de zorgvraag van de patiënt leidend te zijn en niet uitsluitend de mate van slijtage. Waar mogelijk wordt de restauratieve behandeling minimaal invasief en dus adhesief uitgevoerd. Wanneer er twijfel ontstaat of er nog wel voldoende oppervlakte over blijft om restauraties adhesief aan te bevestigen, dan wordt het advies om restauratief ingrijpen strenger.

Vergelijkend onderzoek binnen het Radboud Tooth Wear Project naar directe en indirecte composietrestauraties (waaronder CAD/CAM-gefabriceerde restauraties) toont een vergelijkbare en acceptabele overlevingsduur. Er kan niet eenduidig worden gesteld dat directe of indirecte restauraties, noch nano- of hybride composieten, superieur zijn. Duidelijk is echter dat patiëntgebonden factoren bepalend zijn voor zowel de levensduur van restauraties als de progressie van gebitsslijtage. Een klein aantal patiënten blijkt verantwoordelijk te zijn voor de meerderheid van restauratieve falers en progressieve slijtage.

Conclusies

  • Chemische processen vormen de dominante factor in de etiologie van gebitsslijtage.
  • Preventieve maatregelen richten zich primair op het reduceren van chemische belasting, zelfs bij zichtbare slijtfacetten.
  • De progressie van gebitsslijtage verloopt doorgaans traag.
  • Counseling en monitoring vormen een effectieve eerste behandelstrategie.
  • Composietrehabilitaties tonen goede klinische prestaties binnen deze patiëntengroep op de middellange termijn, maar reparaties en slijtage van het restauratiemateriaal komen voor.
  • Er is geen significant verschil tussen verschillende typen composieten. Het is aan te raden te werken met het composiet waarmee men vertrouwd is.

 

Luuk Crins is in 2017 afgestudeerd als tandarts aan het Radboudumc in Nijmegen. Kort na het afstuderen is hij begonnen met een promotie traject binnen het ‘Radboud Tooth Wear Project’. Tijdens zijn promotie traject heeft Luuk klinisch onderzoek gedaan naar verschillende restauratieve behandelingen van gebitsslijtage, waardoor hij ruime ervaring heeft opgedaan met het klinisch management van deze patiëntengroep. In 2024 zal hij promoveren aan het Radboudumc. Momenteel is hij betrokken bij diverse onderzoeksprojecten en bij het postacademisch onderwijs. Als ‘chef de clinique’ van de kliniek voor gebitsslijtage combineert hij onderzoek, onderwijs en patiëntenzorg. Naast zijn aanstelling op de universiteit is hij werkzaam als algemeen practicus in een verwijs- en groepspraktijk MondzorgOost in Nijmegen. Hier richt Luuk zich op de adhesieve en reconstructie behandeling van gebitsslijtage en op functionele esthetische tandheelkunde.

 Verslag door Jacolien Wismeijer, tandarts, voor dentalinfo.nl van de lezing van Luuk Crins tijdens het NVVRT-congres Be aWEAR.

 

 

 

 

 

Lees meer over: Congresverslagen, Restaureren, Slaapgeneeskunde, Thema A-Z
Valkuilen in de endodontologie

Valkuilen in de endodontologie

Waardevolle inzichten over valkuilen in de endodontologie, zoals perforeren bij kanaalzoeken, omgaan met coronaal lekkende elementen, en afgebroken instrumenten. De nadruk ligt op het belang van zorgvuldige voorbereiding en techniek om problemen te vermijden en behandelingen te optimaliseren. Verslag van de lezing van Patrick Vadasz, tandarts voor complexe endodontologie, tijdens het symposium Leerzame mislukkingen in de mondzorg.

Perforeren

Bij geoblitereerde, versleten of gemigreerde elementen ontbreken er op het eerste gezicht vaak referentiepunten die je helpen om een wortelkanaal te vinden.

Het risico om dan te perforeren kan als volgt verkleind worden:

  • Tussentijdse solo’s

Neem regelmatig tussentijdse solo’s, dan weet je of je in de mesiodistale richting goed zit. Voor de buccolinguale richting heeft dit helaas geen meerwaarde.

  • Rubberdamklem

Zorg zo mogelijk dat de rubberdamklem verderop staat, niet op het te behandelen element. Op deze manier interfereert de klem niet met het zicht van de behandelaar dan wel met de röntgenologische bevindingen.

  • CBCT

Nog niks gevonden? Dan kan CBCT een oplossing bieden. Niet iedereen heeft deze mogelijkheid ter de beschikking in de praktijk. Als het wel tot de mogelijkheden behoort dan kan een CBCT binnen 10 minuten duidelijkheid geven.

  • Dentine kleur

Kijk ook naar de dentine kleur, secundair en teriair dentine hebben vrijwel altijd een afwijkende kleur. Deze kleur kan de weg naar de bodem van de pulpakamer wijzen.

Perforatie afdichten

Mocht er onverhoopt toch een perforatie ontstaan? Dan kan deze eenvoudig afgedicht worden:

Reinig de perforatie met Hypochloriet. Verwijder hypochloriet met anesthesievloeistof  -> droogmaken (microzuiger) -> MTA inspuiten -> condenseren met Ash 49 -> overmaat wegzuigen -> klein propje tissue (Kleenex) gebruiken -> meer condenseren -> spoelen met anesthesie -> overmaat verwijderen met ultrasoon -> spoelen met MF-spuit -> MTA afdekken met (lichtuithardend) GIC.

Hierna kan de endodontische behandeling hervat worden. Bij voorkeur CBCT gebruiken om voorspelbaar het kanaal te vinden.

Coronaal lekkende elementen

Ga je een wortelkanaalbehandeling doen? Zorg er dan voor dat alle lekkende restauraties eerst vernieuwd zijn. Dan is de kans op herinfectie kleiner. Ook zullen de gerestaureerde referentiepunten handig zijn bij het uitvoeren van de endo. Ten slotte bewijs je voor jezelf en de patiënt dat het mogelijk is om het element te restaureren in het geval dat daar twijfel over is. Plaats ook bij deze stap de rubberdamklem verderop.

Inschatting

Tijdens het verwijderen van cariës en het vullen kan er een inschatting gemaakt worden wat er te verwachten valt bij de endodontische behandeling.  Zijn de kanaalingangen goed te vinden? Kan de patiënt bijvoorbeeld de mond niet lang genoeg geopend houden? Dan wordt het extra lastig om een wortelkanaalbehandeling te gaan doen.

Temporiseerbaarheid

Een goede restauratie versterkt ook de temporiseerbaarheid van het element. Mocht de wortelkanaalbehandeling gestaakt moeten worden, dan is dat geen probleem als de temporiseerbaarheid van het element gewaarborgd is.

Tijdelijk vulmateriaal

Duotemp krijgt de voorkeur als tijdelijk vulmateriaal (boven Cavit). Dit komt door de lichtuitharbaarheid. Condenseer voordat je een pre Endo-opbouw gaat maken een beetje duotemp in de pulpakamer en hard deze uit voor dat je gaat bonden. Op deze manier kan er gewerkt worden zonder contaminatie van bloed en pus bij de pre endo-opbouw. Het werkt ook de andere kant op, er komt namelijk ook geen composiet in de kanalen.

Instrumenten afbreken

Wanneer endodontisch instrumentarium afbreekt is dit het gevolg van een combinatie van metaalmoeheid en torsie-overbelasting. Moderne instrumenten (nikkel titanium) kunnen goed tegen metaalmoeheid. Tegen torsie overbelasting zijn deze instrumenten echter minder goed opgewassen. Het is dus belangrijk om dit begrip goed te begrijpen.

Metaal kan elastisch vervomen zonder dat daarbij schade optreedt. Zodra de elastische limiet overschreden wordt, bereik je de plastische fase. Hoe vaker en verder je de elastische limiet overschrijdt, hoe groter de kans dat het instrument zal breken.

Volg deze praktische wenken om vijlbreuken te voorkomen

  • Pik als een kip

In de axiale richting kun je een vijl goed belasten (zoals een spijker). De zwakte van een vijl zit echter in herhaaldelijke torsie overbelasting. Dit gebeurt snel (300 rpm = 5 rps). Je hebt dus ongeveer 0,2 seconden om weg te komen voordat de vijl een keer volledig om zijn as is getordeerd wanneer de punt vast zit.

  • Begin met EDTA 17% vloeistof

Dit maakt dentine zachter.

  • Reciproc M-wire (zilverkleurig)

De vijlen die mijn voorkeur hebben.

  • Regelmatig de vijl schoonmaken en inspecteren op vervorming

Gebruik elke behandeling nieuwe vijlen en gooi de vijlen weg als er vervorming/afwijkende lichtbreking zichtbaar is.

  • Coronale deel kanaal verwijden (gates 3)

Zorg voor een goed overzicht van het kanaal. Zorg er tevens voor dat het instrumentarium spanningsvrij in het kanaal kan.

  • Vaak EDTA vernieuwen
  • Kleine stapjes (0,5-1mm vordering per rondje pikken)

Afsluiting

Een succesvolle endodontische behandeling vereist zorgvuldige voorbereiding en techniek om complicaties zoals perforaties, coronale lekkage en afgebroken instrumenten te voorkomen. Door gebruik te maken van tussentijdse solo’s, CBCT, en specifieke vijltechnieken kunnen behandelaars deze risico’s minimaliseren. Essentieel is ook het aanvankelijk restaureren van het element om herinfectie te voorkomen. Door deze aanpak te volgen, kunnen tandartsen de duurzaamheid en voorspelbaarheid van hun behandelingen aanzienlijk verbeteren.

 

Patrick VadaszSinds vele jaren is endo mijn grote liefhebberij in de tandheelkunde. Toen ik in 1996 afstudeerde aan de Katholieke Universiteit Nijmegen was dat heel anders. Ik vond het vreselijk moeilijk en spannend. Door veel oefenen en meekijken, en door het volgen van talloze cursussen en congressen voel ik me nu volledig in mijn element als ik een endo aan het doen ben.

In mijn verwijspraktijk, Tandwerk in Nijmegen, werk ik 2,5 dag per week en doe hier voornamelijk endodontie en de daarbij horende pre- en post-endodontische restauraties. Tevens werk ik een dag per week bij Vreugdenhil Tandartsen in Geldermalsen. Hier doe ik uitsluitend complexe endodontische behandelingen.

 

Verslag door Camil Chakir voor dentalinfo.nl van de lezing van Patrick Vadasz tijdens het symposium Leerzame mislukkingen in de mondzorg.

 

 

 

Lees meer over: Congresverslagen, Endodontie, Kennis, Thema A-Z
Samenwerking tussen tandarts en tandtechnicus bij bewegingsklachten

Samenwerking tussen tandarts en tandtechnicus bij bewegingsklachten

Bij samenwerking tussen tandarts en tandtechnicus moet er met meer rekening gehouden worden dan alleen de kwaliteit van het aangeleverde werk. Er moet ook rekening gehouden worden met de gebruikte technieken, het verschil tussen analoog en digitaal en asymmetrieën binnen patiënten. Kleine onduidelijkheden hierin kunnen leiden tot grote verschillen tussen de anatomische situatie van de patiënt en het werk wat de tandtechnicus op tafel krijgt.

Verslag van de lezing van dr. Siegfriedt Marquardt, specialist in esthetische tandheelkunde en implantologie en Udo Plaster, tandtechnicus, tijdens het NVVRT-congres FACE IT.

Informatie verzamelen

Om te begrijpen welke informatie er interdisciplinair overgedragen moet worden, moet er zoveel mogelijk informatie worden verzameld. In plaats van gelijk overgaan op behandelen moet er duidelijk uitgevraagd worden wat de verwachtingen van de patiënt zijn. Er moet worden stilgestaan bij bepaalde informatie die bij het eerste consult gelijk verkregen kan worden. Denk daarbij aan:

  • Andere hulpverleners die de patiënt bezoekt;
  • Belemmeringen in het dagelijks leven;
  • Niet-tandheelkundige klachten.

Beethoogte

Bij het optreden van functieproblemen is het erg belangrijk om aandacht te besteden aan de beethoogte. In het geval van een patiënt waar sprake is van een gebrek aan beethoogte in de zijdelingse delen kan er een compensatiebeweging van de nek optreden. De oorzaak is hier het maken van contact bij een lage beethoogte en het gevolg is dat het hele postuur verandert.

Indien dit het geval is moet er initieel gekeken worden of de patiënt een vergrootte beethoogte kan accepteren. Als dit niet het geval is, zal het fabriceren van een splint of tabletops geen succesvolle behandelstrategie zijn. Om dit te achterhalen moet de spraakmotoriek getest worden. Door te kijken of de patiënt moeite krijgt met de fonetiek kan bepaald worden of de patiënt een vergrootte beethoogte accepteert.

Modeltransfer naar articulator

Wanneer de fysieke diagnostiek afgerond is en een afdruk wordt genomen is de rol aan de tandtechnicus om deze informatie in een model te verwerken. Het is belangrijk dat de juiste dimensies gehanteerd worden bij het monteren op de articulator. Bepaalde informatie moet de tandarts meeleveren. Denk hierbij aan de acceptabele beethoogte en de natuurlijke hoofdpositie (NHP). Dit wordt vertaald als de ruimtelijke positierelatie van het occlusievlak t.o.v. de schedelas. Om deze informatie te krijgen kan de tandarts anatomische herkenningspunten gebruiken in het (aan)gezicht, ofwel bekend als referentielijnen. Dit zijn denkbeeldige lijnen die als hulpmiddel gebruikt worden, deze lijnen hebben niks te maken met het gebit. Het is hierbij belangrijk om te differentiëren tussen bovenkaak en onderkaak.

Voorbeelden van transfertechnieken voor de bovenkaak kunnen zijn:

  • Facebow: referentielijnen op de schedel
  • Bonwill triangle: referentielijnen mandibula
  • Planefinder (ontworpen door Udo Plaster): fysiologisch

De Face Bow legt de relatie vast tussen de tandboog van de maxilla en het kaakgewricht. Hierbij wordt gebruikgemaakt van de gehoorgang. Als deze techniek niet gebruikt kan worden is de Bonwill triangle een goed alternatief. Dit is een denkbeeldige driehoek die tussen de beide kaakkopjes en het contactpunt tussen de centrale onderincisieven loopt. De afstand tussen de drie punten is gelijk bij de meeste mensen en komt uit op ongeveer 10 centimeter. De Planefinder gebruikt de ala-tragus line (ATL) als nauwkeurige schatting van de richting van het occlusievlak. Nadat de NHP gereproduceerd kan worden, kan de Planefinder ingesteld worden om evenwijdig met de ATL te lopen. Er kan ook een foto of scan gemaakt worden, die vervolgens meegestuurd wordt naar de tandtechnicus.

Ala-tragus line (ATL)

De ATL is een denkbeeldige lijn die loopt van de sulcus alaris van de neus (de vleugelachtige structuur aan de zijkant van de neusgaten) naar de tragus van het oor (de kleine, kraakbenige uitstulping voor de gehoorgang).

In de praktijk kan de ala-traguslijn gebruikt worden om de relatie tussen de kaken vast te stellen tijdens verschillende procedures, zoals het bepalen van de richting van het occlusievlak of het monteren van gipsmodellen op articulatoren. Het helpt om de juiste oriëntatie van de maxillaire en mandibulaire modellen ten opzichte van elkaar te bepalen, wat zorgt voor vereenvoudiging van de fabricage van tandheelkundige prothesen en orthodontische apparaten.

Door de modellen volgens de ala-traguslijn uit te lijnen, kunnen de tandarts en de tandtechnicus ervoor zorgen dat de resulterende restauratie harmonieert met de anatomie van de patiënt. Dit draagt vervolgens bij aan betere functionele en esthetische resultaten.

Jukbeen

Voor een tandtechnicus kan het erg handig zijn om te bepalen waar het jukbeen (os zygomaticum) loopt. Ook dit onderstreept het nut van het meesturen van een foto of scan. De plaats van het jukbeen kan namelijk gebruikt worden om te bepalen waar de eerste bovenmolaar zit. Dit botstuk vangt veel krachten op. Ook is het handig om bijvoorbeeld bij edentate patiënten te bepalen waar de eerste bovenmolaar hoort.

Transferfout met Facebow

Een transferfout met een facebow treedt op wanneer de NHP van de patiënt niet nauwkeurig wordt gerepliceerd op de articulator. In plaats van de positie van de patiënt direct over te brengen, wordt de Facebow naar de articulator gebracht, waardoor de positie van het hoofd van de patiënt wordt vervormd. Deze vervorming resulteert in onnauwkeurigheden in alle drie dimensies – horizontaal, verticaal en sagittaal. Het is belangrijk om hierop te letten bij het gebruik van een Facebow om nauwkeurig werk te garanderen.

Analoog en digitaal

We bevinden ons in een overgangsperiode van een analoge werkwijze naar een digitale werkwijze. Beide werkwijzen worden nog gehanteerd afhankelijk van hoe de gebruiker het heeft geleerd. Het is tijdens deze transitie belangrijk om beide werelden te kunnen begrijpen.

Voor de professionals die opgeleid worden in de digitale wereld is het belangrijk om ook de analoge wereld te bevatten. Er moet een bepaald niveau van kennis over de analoge werkwijze aanwezig zijn om de digitale werkwijze onder de knie te krijgen.

Uiteindelijk kunnen de meeste tandtechnische werken in beide formaten opgesteld worden. Het is echter belangrijk om niet achter te blijven in deze transitie om relevant en effectief te blijven.

Skeletale midline

Nadat de tandarts zaken zoals de anamnese en de verwachtingen of wensen duidelijk heeft, kan er overgegaan worden tot het onderzoek. Wanneer er in een afdrukmodel vastgesteld wordt dat de skeletale midline (gedefinieerd door de midpalatinale sutuur) en de dentale midline niet samenvallen, kan ervan uit worden gegaan dat er spiercompensatie plaatsvindt elders in het lichaam.

Asymmetrie

Het is uiterst zeldzaam dat een persoon volledig symmetrisch is. Vaak is er onderscheid tussen de twee kaakhelften. Een kleine imperfectie hoeft niet gelijk problematisch te zijn. Echter dienen zowel tandarts als tandtechnicus hier wel rekening mee te houden. De verdeling van krachten dient gebalanceerd te worden rond de skeletale midline om zo bewegingsklachten tegen te gaan.

Afsluiting

In een tijd waarin de tandheelkunde steeds meer evolueert naar digitale workflows, blijft het cruciaal om de fundamenten van de analoge werkwijze te begrijpen en te respecteren. Dit geldt met name voor het overdragen van informatie tussen tandartsen en tandtechnici, waarbij het meesturen van gedetailleerde foto’s of scans een belangrijke rol speelt. Door het gebruik van beeldmateriaal kunnen niet alleen subtiele details worden vastgelegd, maar ook asymmetrieën en andere belangrijke anatomische kenmerken worden gecommuniceerd, wat resulteert in nauwkeurigere behandelingen en restauraties.

Of men nu de voorkeur geeft aan een digitale of analoge benadering, het is van vitaal belang voor tandheelkundige professionals om flexibel te zijn en beide workflows te kunnen hanteren om hoogwaardige en gepersonaliseerde zorg te kunnen bieden aan hun patiënten.

Sprekers

Dr. Siegfriedt Marquardt, specialist in esthetische tandheelkunde en implantologie

MDT Udo Plaster, tandtechnicus

Verslag voor dentalinfo.nl door Camil Chakir, van de lezing van dr. Siegfriedt Marquardt en Udo Plaster tijdens het NVVRT congres Face It.

 

 

Lees meer over: Congresverslagen, Kennis, Restaureren, Thema A-Z
Het implantaat de diamant in de restauratieve tandheelkundige workflow

Het implantaat: de diamant in de restauratieve tandheelkundige workflow of toch een onderdeel van? Deel 2

Vader Peter Thoolen en zoon Jasper Thoolen benadrukten in hun lezing tijdens het NVVRT Restauratiefje dat implantologie een fascinerend vakgebied is, maar wilden zij ook de uitspraak ‘’Resto meets implantologie’’ kritisch benaderen. In hun lezing plaatsen Peter en Jasper de digitale tandheelkunde in een breder perspectief. Lees het verslag.

Lees ook deel 1: Het implantaat: de diamant in de restauratieve tandheelkundige workflow of toch een onderdeel van?

Create – communicate – execute

Tegenwoordig verliezen we onszelf in de digitale wereld. Digitale tandheelkunde is inmiddels alomtegenwoordig; alles moet en zal digitaal zijn. Wanneer men geen digitale tandarts is, lijkt men niet volledig te voldoen aan de huidige standaarden die de industrie soms stelt. In dit gedeelte van de lezing plaatsen Peter en Jasper de digitale tandheelkunde in een breder perspectief.

Hoewel digitale ontwikkelingen ons veel voordelen bieden en ons in staat stellen om behandelingen uit te voeren die in het verleden erg moeilijk of zelfs onmogelijk waren, is het van belang om te relativeren. Digitale tandheelkunde gaat verder dan enkel het bezit van een scanner. Wanneer een tandarts een scanner aanschaft, blijft hij of zij simpelweg een tandarts met een scanner. Echter, wanneer men zich daadwerkelijk in de digitale tandheelkunde verdiept, de technologie in de workflow integreert, de processen aanpast en het team traint zodat iedereen effectief functioneert binnen de digitale workflow, dan ontstaat er een significante verandering. Volgens hun visie omvat digitale tandheelkunde drie belangrijke domeinen:

  • het creëren van data
  • het verplaatsen en delen van data
  • de uitvoering

Ondanks de voordelen van digitale tandheelkunde blijft de patiënt zelf altijd enorm analoog.

Het waarom

Hoe wij als mensen beslissingen nemen en hoe wij met verschillende zaken omgaan, is een fascinerend proces. Het doet er voor mensen vaak niet zoveel toe wat we doen of in mindere mate hoe we het doen; het is vooral van belang waarom we het doen. Waarom maken we deze keuzes? Waarom kiezen we voor bepaalde behandelmethoden? Waarom gebruiken we specifiek restauratiemateriaal? Waarom de ene bonding boven de andere? Dit “waarom” is van cruciaal belang. Dit geldt ook voor het aspect van digitale tandheelkunde.

Digital Smile Design bestaat uit drie woorden, maar het “waarom” draait vooral om het aspect van design: Design is the intermediary between information and understanding.

Met andere woorden, design is noodzakelijk om de informatie en data die wij verzamelen te vertalen naar iets dat begrijpelijk is. Dit begrip is cruciaal in onze restauratieve tandheelkunde.
Wij zijn immers bezig met management en risicomanagement, en daarvoor moeten wij ons realiseren dat tanden en kiezen, hoe esthetisch aantrekkelijk ook, slechts een klein onderdeel zijn van een veel groter systeem.

Asymmetrie en individualiteit

Wolfgang Nkole Helzle, een Duitse fotograaf, die in 2018 de wereld rondreisde, fotografeerde in grote steden vele mensen en legde hun portretten over elkaar heen. Hij onderzocht of de combinatie van al deze portretten zou kunnen leiden tot een universeel beeld van de moderne mens. De homo universalis, de moderne mens, lijkt bij een nadere beschouwing op verschillende continenten niet één enkelvoudige identiteit te vertegenwoordigen. Zijn conclusie was: “so true face must go beyond anatomical reality.” Dit staat haaks op de benadering van Leonardo da Vinci.
Tegenwoordig worden televisieprogramma’s uitgezonden waarin spierwitte tanden en kaarsrechte glimlachen centraal staan. Er zijn patiënten die deze esthetiek nastreven en expliciet om deze behandelingen vragen binnen de praktijk van Peter en Jasper. Echter toont onderzoek aan dat dergelijke witte tanden en kaarsrechte glimlachen niet alleen verveling met zich meebrengen, maar ook na zes maanden vaak als onaangenaam wordt ervaren.

Dit roept de vraag op of wij als tandartsen niet verantwoordelijk zijn voor het toestaan van deze standaardisering. Op basis van wetenschappelijke inzichten is het wellicht niet verstandig om deze benadering te volgen.

In some ways, the asymmetries are the very thing that set the person apart, making them memorable and interesting in a positive way.

Wanneer wij kijken naar wat wij als mensen werkelijk mooi vinden en wat langdurige schoonheid vertegenwoordigt, zijn het vaak de imperfecties die ons aanspreken. De dingen die niet perfect zijn, blijven in ons geheugen hangen; dit zou wellicht de manier moeten zijn van hoe wij dingen moeten benaderen. Bij het overdenken van wat esthetiek werkelijk inhoudt, is het wellicht zinvoller om te zoeken naar schoonheid binnen deze individualiteit, binnen de biologische grenzen want uiteindelijk zijn wij allemaal uniek.

Facially guided treatment planning

Wanneer het gaat om restauratieve denkprocessen zijn er bepaalde grenzen te stellen. Dit is een onderwerp dat decennialang op podia wordt besproken en waarbij het concept van facially guided treatment planning centraal staat. Hoe verloopt dit proces? Men begint met het bestuderen van de anatomie van de schedel en het uitvoeren van een referentieanalyse. Het eenvoudigste uitgangspunt is het bepalen van het incisiefpunt.
Het vaststellen van het incisiefpunt, dat zich doorgaans tussen de 25 en 27 millimeter onder de neusbodem bevindt, kan een uitstekend startpunt zijn voor verdere overwegingen.

Tony Rotondo: “the incisal point is the starting point of all restorative dentistry.”

Interdisciplinaire strategie – oplopende moeilijkheidsgraad

  1. Orthognatische chirurgie – het verplaatsen van de kaak
  2. Orthodontie – het verplaatsen van de tanden
  3. Implantologie – het plaatsen van een implantaat
  4. Centrale relatie/verticale dimensie – het veranderen en/of aanpassen van de beet
  5. Parodontale kroonverlenging – het verplaatsen van het tandvlees
  6. Restauratieve behandeling alleen – geen verandering in de positie van de tanden, het tandvlees of de beet

Gestructureerde, interdisciplinaire aanpak

Bij het opstellen van een behandelplan in de restauratieve tandheelkunde is het van belang om een gestructureerde, interdisciplinaire aanpak te volgen. Deze aanpak, zoals ontwikkeld door onder andere Christian Coachman, helpt bij het systematisch beoordelen van de functionele en esthetische aspecten van de mond. In plaats van direct te beginnen met restauratieve ingrepen, wordt eerst de basis gelegd door te kijken naar de positie van de kaken, tanden en het omliggende weefsel. Deze methode zorgt voor een grondige evaluatie en stelt tandartsen in staat om beter geïnformeerde beslissingen te nemen die leiden tot een duurzaam en esthetisch resultaat.

De eerste vraag die je jezelf stelt is: Staan de kaken wel op de juiste plek? Als het antwoord daarop “nee” is, moet je overwegen of je hier iets aan moet doen. De tweede vraag die je jezelf stelt: Staan de tanden en kiezen op de juiste positie? Indien dat niet het geval is, moet er wellicht orthodontie geïndiceerd worden. Daarnaast onderzoek je of er tanden of kiezen ontbreken. Vervolgens kijk je naar de centrale relatie en de verticale dimensie. Misschien zijn er ook tandvleescorrecties nodig en pas als laatste stap komt de focus te liggen op de restauratieve procedures.

In de tandheelkunde lijkt de focus vaak te liggen op de laatste stap van het behandelproces, terwijl de eerste vijf stappen vaak als het meest complex worden beschouwd. Op social media, waar tandheelkundige ingrepen regelmatig worden gepromoot, wordt echter zelden aandacht besteed aan ingrijpende behandelingen zoals orthognatische chirurgie. Het is opvallend hoe weinig tandartsen bijvoorbeeld het verplaatsen van een kaak laten zien. Dit is jammer, want het bewustzijn over deze belangrijke stappen ontbreekt daardoor.

Eerst de basis optimaliseren, en pas daarna de restauratieve ingrepen uitvoeren

De kern van een succesvolle behandeling ligt echter in het zoeken naar oplossingen die zorgen voor een microbiologisch evenwicht en occlusale stabiliteit. Dit principe is toepasbaar in vrijwel elke situatie. In eerste instantie draait alles om ontstekingsmanagement. Daarna moet de uitgangspositie worden verbeterd, wat vaak het onderwerp is van langdurige discussie. Of het nu gaat om orthognatische chirurgie, orthodontie of implantologie, de volgorde blijft hetzelfde: eerst de basis optimaliseren, en pas daarna de restauratieve ingrepen uitvoeren.

Hoewel het restaureren vaak als de meest kunstzinnige stap wordt gezien, is het in feite de minst belangrijke als de andere aspecten al goed zijn doordacht en uitgevoerd.

Als tandartsen zouden we niet alleen gericht moeten zijn op het plaatsen van een implantaat, maar ook op het hele proces dat daarna volgt. Peter heeft tijdens zijn bezoeken aan collega’s in de implantologie gemerkt dat implantaten vaak worden geplaatst zonder dat de patiënten later nog worden opgevolgd. Dit is een gemiste kans, omdat juist het langdurig monitoren van patiënten waardevolle inzichten biedt.

Regelmatig terugzien van patiënten

Het regelmatig terugzien van patiënten, bijvoorbeeld om te controleren hoe een implantaat dat 35 jaar geleden werd geplaatst zich heeft ontwikkeld, biedt enorm veel leermomenten. Gaat dat nog steeds goed? Is de indicatie toentertijd juist geweest? Het helpt dus bij de evaluatie van de indicatie, en hoewel de tandheelkundige kennis en technieken in de loop der jaren zijn toegenomen, blijft het essentieel om te blijven leren van de resultaten uit het verleden.

Het lijstje dat Coachman aanreikt, hebben Peter en Jasper enigszins aangepast. Zij zijn namelijk van mening dat als het gaat om het verbeteren van de uitgangspositie het niet alleen draait om het verplaatsen van de kaken en tanden, maar dat ook het aanvullen van ontbrekende tanden en kiezen middels implantologie een cruciale rol speelt in deze fase.

Dynamische systematische diagnostische methodiek

Om een beter inzicht te krijgen in hoe wij patiënten kunnen classificeren en diagnostisch benaderen, heeft Stefan Meutermans een bijzonder interessant model ontwikkeld. In het CEPCD-programma heeft hij met veel enthousiasme en toewijding gewerkt, wat uiteindelijk heeft geresulteerd in een model dat voor elke tandarts verplichte kost zou moeten zijn.

Het “waarom” achter de behandeling

Dit model gaat uit van een aantal risicoprofielen, waarbij drie kerngebieden centraal staan: parodontale factoren, cariës en occlusale factoren. Daarnaast zijn er een aantal determinanten toegevoegd om te evalueren waar precies het risicoprofiel van de patiënt ligt en wat de behoeften en valkuilen zijn. Stefan heeft het traditionele model van “opbouwen, parkeren en afbouwen” (OPA) vernieuwd en gemoderniseerd naar “opbouwen, monitoren en afbouwen” (OMA). Het model van Stefan is waardevol omdat het de nadruk legt op het “waarom” achter de behandeling. Het dwingt tandartsen om verder te denken dan de symptomen en om oorzakelijk na te denken over de zorg die ze verlenen. Wanneer we bijvoorbeeld enkel symptomatisch handelen — zoals het vullen van tien gaatjes zonder ons af te vragen waarom de cariës is ontstaan — doen we zowel onszelf als de patiënt tekort. Zonder een diepere analyse van de onderliggende oorzaken bieden we geen causale zorg, maar lossen we slechts tijdelijk de symptomen op.

Optimaliseren van de communicatie

De oorsprong van digitale tandheelkunde en het design ligt eigenlijk in hele eenvoudige, analoge principes die we al lange tijd kennen. Als we kijken naar het concept van Smile Design, dat aanvankelijk werd gepresenteerd als een volledig nieuwe benadering, realiseren we ons dat tandtechnici dit proces al vele jaren toepasten.
De tandheelkunde was destijds ook zeer geavanceerd, alleen op een andere manier. We werkten toen voornamelijk met articulatoren en gipsmodellen, waarbij wasmodellen werden gemaakt en de communicatie plaatsvond via papieren formulieren. Met de komst van digitale technologie veranderde deze communicatie, maar het doel blijft hetzelfde: effectieve overdracht van informatie. Het gaat dus niet zozeer om het creëren van esthetische plannen, maar om het optimaliseren van de communicatie.

Startpunt

Een patiënt kwam binnen bij Peter en Jasper en was ontevreden over haar glimlach. De orthodontist had elementen verplaatst, wat leidde tot een uitdagende startsituatie omdat er veel aan de hand was. Veel collega’s zouden snel geneigd zijn om te zeggen dat we in zo’n geval veneers moeten plaatsen. Echter, dat was niet de juiste aanpak; we moesten eerst zorgvuldig analyseren wat er precies aan de hand was. Was mijn startpositie wel optimaal?
Dit vormde de eerste stap in ons proces, samen met het maken van portretfoto’s. We begonnen met het tekenen van enkele lijnen met Keynote en vervolgens creëerden we een digitale facebow en voerden we een referentie-analyse uit.

Is je startpunt toch verkeerd? Dan is alles wat daarna komt dus ook verkeerd. Hoe nauwkeuriger je bent in dit beginstuk en hoe dynamischer je geest aanneemt—het idee dat het gaandeweg ook kan veranderen—hoe voorspelbaarder het proces zal verlopen. Dit werkt veel beter dan wanneer je bijvoorbeeld uitgaat van middelwaarden en in één keer 28-delige keramieken plaatst. Aangezien Peter en Jasper werkzaam zijn in een verwijspraktijk, waar dergelijke gevallen binnenkomen, hebben zij hier inmiddels veel ervaring mee.

In een onderzoek werd gekeken naar hoeveel mensen er überhaupt baat zouden hebben bij orthodontische behandeling. Dit werd zuiver mechanisch beredeneerd, en de uitkomst was 74%. Van alle restauratieve behandelplannen zou 45% eerst baat hebben bij orthodontie, maar slechts 1% werd uiteindelijk orthodontisch behandeld. We maken dus te vaak shortcuts in restauratieve behandelplannen.

Coachman heeft hierover een treffende uitspraak gedaan:

“Every restorative case is an ortho case until proven innocent.”

Minimaal invasief

Een andere patiënt kwam bij Peter en Jasper in de praktijk met twee ontbrekende laterale incisieven. Zij begonnen met het maken van foto’s en het uitvoeren van een grondige analyse. In deze casus hanteerden ze dezelfde uitgangspositie als in de vorige casus. Ze maakten scans en werkten niet in 2D, maar gingen meteen over naar 3D. Orthodontische behandeling was bij deze patiënt niet nodig, omdat de tanden en kiezen al op de juiste plek stonden.
Een van de voordelen van direct digitaal werken is dat verschillende berekeningen kunnen worden gemaakt en zaken in een digitale omgeving kunnen worden bekeken, wat met een wasmodel lastiger is. Het digitale proces biedt meer informatie, onder andere over de beschikbare ruimtes. Bovendien konden ze binnen de digitale setting eenvoudig aanpassingen doorvoeren, wat zeer voordelig is. Tijdens het prepareren houden Peter en Jasper altijd het principe van minimaal invasief werken in gedachten.
Waarom kiezen voor een minimaal invasieve aanpak? Het is pulpa-vriendelijker en vermindert het risico op complicaties.

Peter Thoolen studeerde Tandheelkunde aan de Universiteit van Nijmegen waar hij ook enkele jaren als studentassistent in de Prothetische Tandheelkunde fungeerde. Na zijn studie volgde een lange periode van intensieve nascholing, eerst in de Parodontologie en vervolgens in de Implantologie. Dit leidde o.a. tot een medewerkerschap aan de afd. Parodontologie in Nijmegen. Vanaf 1982 tot 2004 voerde hij in Oisterwijk een algemene praktijk, die daarna werd omgezet in een verwijskliniek voor Parodontologie, Implantologie en Reconstructieve THK; de huidige Oisterwijkkliniek Tandheelkunde. Peter bekleedt vele functies in de organisatorische structuren van de Implantologie en Restauratieve Tandheelkunde in Nederland; sinds 2008 is hij lid van het Consilium Implantologicum. Ook is hij lid van de opleidingscommissie van de NVVRT. Daarnaast ontwikkelde hij het CEPID en CEPCD onderwijsprogramma.

Jasper Thoolen studeerde in 2016 af als tandarts aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Hij werkt als tandarts voor Lassus Tandartsen in Oisterwijk en daar houdt hij zich voornamelijk bezig met de restauratieve en reconstructieve tandheelkunde, digital smile design en digitale behandelplanning, orthodontie en implantologie. Jasper is veelgevraagd spreker voor verschillende internationale meetings en symposia en is als trainer verbonden aan verschillende post-academische opleidingen. Naast zijn werk aan de stoel schrijft hij artikelen voor verschillende tandheelkundige vakbladen en is hij als key opinion leader betrokken bij verschillende gerespecteerde tandheelkundige firma’s. Jasper is daarnaast een van de vijf oprichters van het online educatie platform Karma.Dentistry.

Verslag van de lezing van Peter Thoolen en Jasper Thoolen door Mina Fadhil tijdens het NVVRT Restauratiefje Resto meets… Implantologie.

Lees meer over: Congresverslagen, Implantologie, Thema A-Z
Henry Schein Dental steunt opnieuw KiKa

Het Practice Pink-programma van Henry Schein blijft de campagne tegen kanker in 2025 steunen

Versterk de hartslag van hoop: tijdens de maand oktober en daarna brengt Henry Scheins programma Practice Pink® voor 2025 wereldwijd gemeenschappen in de gezondheidszorg bij elkaar voor meer bewustwording van kanker. Met samenwerking en de aankoop van roze producten is het najaar een prachtige gelegenheid om over de hele wereld initiatieven rondom kanker te bevorderen.

Henry Schein gaf het startschot voor het programma Practice Pink® 2025, een jaarlijks wereldwijd initiatief voor het vergroten van het bewustzijn en het ondersteunen van inspanningen om kanker te voorkomen, op te sporen en te behandelen. In de afgelopen 19 jaar heeft het programma met meer dan US $ 2,1 miljoen bijgedragen aan doelen rondom kanker, waardoor vitaal onderzoek vooruit is geholpen, de toegang tot zorg is uitgebreid en de gelijkheid in gezondheid wereldwijd is bevorderd.

Roze producten

Via het programma helpt Henry Schein tandheelkundige en medische zorgprofessionals bij het vergroten van het bewustzijn en het bieden van ondersteuning om te helpen bij het vinden van een geneesmiddel voor kanker. Door haar klanten een verscheidenheid aan roze producten aan te bieden, waaronder verbruiksartikelen voor de gezondheidszorg, praktijkbenodigdheden en kleding, steunt het programma Practice Pink belangrijke inspanningen op het gebied van kankeronderzoek en -preventie.

Bij Henry Schein geloven we dat collectieve actie verschil kan maken in het leven van individuen en families die getroffen zijn door kanker“, zegt Mark Hillebrandt, Vice President en Chief Digital Officer, Henry Schein. “Practice Pink is een eenvoudige maar krachtige manier voor onze wereldwijde gemeenschap in de gezondheidszorg om samen kleine acties te ondernemen, zoals klanten die een roze product kiezen, die belangrijk werk vooruit kunnen helpen en onze gedeelde toewijding aan gezondheid, hoop en genezing weerspiegelen.

Percentage van de opbrengst van roze producten aan KiKa

Als onderdeel van het Practice Pink programma dit jaar, doneren de tandheelkundige en medische afdelingen van Henry Schein een percentage van de opbrengst van roze producten aan KiKa (Stichting Kinderen Kankervrij). De actie is te vinden op onze website en loopt tot eind december. De missie van KiKa is om het genezingspercentage voor kinderen met kanker te verhogen naar 100%. Om dit doel te bereiken, financiert KiKa wetenschappelijk onderzoek gericht op het verbeteren van de kwaliteit van behandelingen en het verminderen van bijwerkingen. Dit onderzoek draagt bij aan het vergroten van de genezingskansen van kinderen met kanker. Klanten kunnen contact opnemen met Henry Schein Dental en Henry Schein Medical voor meer informatie over de producten en de actieperiode.

Het programma Practice Pink steunt de American Cancer Society en de Joe Andruzzi Foundation in de VS, maar ook verschillende organisaties in Europa, waaronder ALADINA (Spanje), LILT (Italië) en Odyssea (Frankrijk).

Practice Pink is onderdeel van Henry Schein Cares, het wereldwijde maatschappelijke programma van het bedrijf. Via dit initiatief verenigt Henry Schein tandheelkundige en medische zorgverleners, leverancierspartners en non-profitorganisaties in Noord-Amerika, Europa en daarbuiten bij het opbouwen van gezondere gemeenschappen. Ga voor meer informatie over het Practice Pink programma van Henry Schein naar de lokale website van Henry Schein.

 

Lees meer over: Kennis, Markttrends

Nieuwe EFP-richtlijn voor de preventie en behandeling van peri-implantaire aandoeningen

De European Federation of Periodontology (EFP) heeft een derde evidence-based richtlijn over de multidisciplinaire behandeling van peri-implantaire aandoeningen gepubliceerd in het Journal of Clinical Periodontology. De nieuwe Clinical Practice Guideline (CPG) op S3-niveau is gericht op de preventie en behandeling van peri-implantaire aandoeningen.

Aan de hand van 13 systematische reviews is er een CPG gerealiseerd met een aanbeveling voor de implementatie van verschillende interventies vóór, tijdens en na het plaatsen van implantaten.

Resultaten laten zien dat de preventie van peri-implantaire aandoeningen al begint zodra de tandheelkundige implantaten worden gepland, chirurgisch worden geplaatst en prothetisch worden belast. Wanneer de implantaten belast zijn en functie hebben dient er periodieke beoordeling plaats te vinden in combinatie met een peri-implantaatzorgprogramma. Wanneer peri-implantaire mucositis of peri-implantantitis wordt vastgesteld, zal er een passende behandeling in gang moeten worden gezet.

Infographics

De EFP heeft de volgende drie nieuwe infographics geïntroduceerd om de klinische EFP-richtlijn te interpreteren en toe te passen:

  1. Primordiale preventie van peri-implantaatziekten
  2. Management van peri-implantaat mucositis
  3. Peri-implantitis behandeling

Aan de hand van deze huidige nieuwe praktijkrichtlijn worden klinische praktijken, zorgsystemen, beleidsmakers en het publiek geïnformeerd over de beschikbare en effectieve manieren om gezond peri-implantaatweefsel te behouden, maar ook om peri-implantitis te behandelen.

Bron:
The European Federation of Periodontology

Lees meer over: Richtlijnen, Thema A-Z
Onbehagen in praktijk en theorie

Onbehagen in praktijk en theorie

Paul Verhaeghe bleek een verrassing te zijn op de cursusdag over Klachten en Conflicten van ACTA. De een kon de diepgang van deze spreker die wist te boeien zonder PowerPoint erg waarderen en de ander vond het juist zweverig. Onze verslaggever vond het een aangename verrassing. De psychologie achter het onbehagen van de burger is te doorvoelen in de praktijk. Het heeft consequenties voor onze praktijkvoering en je weet deze te ontdekken als je maximaal openstaat voor deze diepgang die wel degelijk hele aardse wetenschappelijke ondergrond kent.

Harde wetenschap

Hoeveel onbehagen is er ontstaan en hoe is dit zo toegenomen? Op deze vraag probeerde Verhaeghe antwoord te geven.

De toename van onbehagen is feitelijk hard gemaakt door de psychosociale gezondheidsindicatoren waarmee onbehagen gemeten kan worden. Denk hierbij aan het aantal gevallen van huishoudelijke geweld, de stijgende uitval van scholieren, het verhoogde gebruik van psychofarmaca en het aantal mensen in TBS programma’s. De oorzaak is bekend, het hangt namelijk structureel samen met de sociaal economische ongelijkheid die ook toeneemt. Deze hangt structureel samen met een doorgeslagen vrije markt industrie. Dit is geen ideologie maar harde wetenschap.

Stijging klachten en conflicten

De evolutie blijft niet beperkt tot de psychosociale gezondheidsindicatoren maar die breidt zich ook uit naar onze identiteit en onze sociale verhoudingen. Hierdoor neemt het aantal klachten en conflicten in de praktijk ook toe.

De rol van identiteit in het onbehagen in de maatschappij

Identiteit en samenleving ontstaan en veranderen in een wederzijdse spiegeling. Dus het heeft geen zin om te zeuren over de slechte maatschappij, want wij maken die maatschappij zelf. En de maatschappij maakt ons. Dus de verandering zal van beide kanten moeten komen. Die wisselwerking vindt plaats langs zaken als opvoeding, arbeidsmarkt, onderwijs, gezondheidszorg en noem maar op. De verandering is vooral op te merken van de jaren ’80 omdat op dit moment nieuwe idealen voorgespiegeld werden. Hiermee zijn we onze kinderen gaan opvoeden. Idealen haalt men uit de maatschappij waarin men leeft, woont en werkt. Het gaat om twee centrale idealen. Deze zijn juist en zijn kloppend. Het eerste idee is van maakbaarheid en het tweede van competitie.

Het idee van maakbaarheid

Het eerste idee is dus maakbaarheid. Identiteit is maakbaar. Onze grootouders vroegen zich niet af wat ze gingen worden. Dat werd bepaald door hun geslacht en waar(in) ze werden geboren. Er kwam daardoor onderwijsdrang en sociale morbiditeit. Waar is het fout gelopen? Als identiteit maakbaar is dan moet iedereen het maken. Dan moet iedereen financieel en professioneel succes boeken. Met als keerzijde het volgende: Als je het niet gemaakt hebt, dan ligt dat dus aan jezelf, dan is het jouw schuld.

Het idee van competitie

Tweede idee is dat de mens een competitief wezen is. De mens is voortdurend overal concurrent en zal in competitie treden. Men wil winnen. Zelfs tijdens bier drinken. We zijn competitief en sociaal. Maar het samenwerken is hierbij aan het verdwijnen en willen we enkel nog maar winnen.

Alles staat in dienst van de economie

Dus op deze aarde leeft ondertussen de homo economicus. We leven in een neo-liberalistische samenleving. Alles staat in dienste van de economie. Kijk maar eens naar alle beslissingen die zijn genomen. Ook de gezondheidszorg is geëconomiseerd, is geprivatiseerd en is weggetrokken uit de basiszorg. De mondzorg heeft hier een duidelijk effect. Het levert een besparing van 2 miljard euro op, maar dit kost jaarlijks 3 miljard euro. Want mensen kunnen die tandartsverzekering niet veroorloven, mijden (preventieve) zorg en raken zo in juist veel duurdere behandelingen.

Spiegelbeeld, vertel eens even…

Identiteit is niet iets wat vaststaat maar dat zich ontplooit en in verhouding staat tot anderen. De basisverhouding binnen identiteit is de houding ten opzichte van ons eigen lichaam en dus ons lichaamsbeeld. Wat je ziet in de spiegel kan mee- en tegenvallen en in die aanblik staat er een interne dialoog en deze is altijd evaluerend. Deze dialoog gaat op de achtergrond de gehele dag door.

We zien onszelf door de blik van de abstracte maatschappelijke ander. Voldoen we aan de verwachtingen? Zo niet, dan gaan we hier aan prutsen. Nu wordt die evaluatie uitvergroot met op de achtergrond die overtuiging van maakbaarheid en dat perfectie mogelijk is.

Hierdoor zijn de eetstoornissen groeiende en als dat niet lukt dan is er nog altijd de plastische chirurgie. Door die mogelijkheden gaan we steeds meer op elkaar lijken.

Individualisme en oververmoeidheid

Wij zijn heel sterk bezig met een zelfevaluatie waarbij we willen antwoorden aan ideale verwachtingen. Dit is van alle tijden. De vraag is welke vormen dit heden ten dage aanneemt. Je moet excelleren.

Er is een verschuiving merkbaar dat de vraag wie ben ik is veranderd naar wie kan ik worden? En vooral, hoeveel afstand moet ik daarvoor nog afleggen?

Vreemd genoeg leven we nu in competitie met onszelf. En deze competitie kunnen we nooit winnen. Je kunt alleen maar verliezen. We pushen onszelf steeds maar harder om perfectie te bereiken. En zo komt het dat er inmiddels cocaïne op de Zuid-As wordt gebruikt. Ook hier zien we dezelfde grenzenloosheid. We moeten zo goed mogelijk presteren en elk jaar moet het meer zijn. Met als resultaat oververmoeide mensen.

Enkel nog concurrentie

Uiteindelijk hebben we elkaar wel nodig. We leven in groepen. Dat blijkt al uit de allerbelangrijkste uitwisseling, namelijk het geven en nemen van erkenning. Dus gezien worden en daardoor bestaansrecht krijgen. We moeten gezien worden om ons te ontwikkelen en om te bestaan. De belangrijkste uitwisselingen van vandaag zijn rationele transacties gericht op winst maximalisatie en eventuele belemmeringen worden uit de weg geruimd. Dus: Up or out. De ander wordt niet als collega gezien maar als concurrent. Dit begint al op het onderwijs waarop er een selectiesysteem is voor de arbeidsmarkt. “Kennis, kunde, kassa”, zei Balkenende al.

Het verdwijnen van vertrouwen

Hierdoor is angst en eenzaamheid ontstaan. De angst die het meest optreedt is sociale angst. Dit betekent dat je angst hebt voor de ander. Dit terwijl we in de meest veilige omgeving opgroeien. Het sociaal vertrouwen is op het ogenblik vrij laag. Deze angst kan leiden tot eenzaamheid. Dus het gaat bij eenzaam tegenwoordig niet meer om die weduwe waarvan de kinderen ver weg wonen. De nieuwe eenzaamheid staat nu op de politieke agenda en dan hebben we het over mensen die in een vaste relatie zitten en een uitgebreid netwerk hebben en zich toch alleen voelen. Ze voelen alsof ze er alleen voor staan. Het organisch vertrouwen hebben we afgeleerd. Dit niet eenvoudig op te lossen.

Vrijheid betaalt een prijs

Het laatste effect op onze identiteit kent twee centrale kenmerken. Het autonoom willen zijn en anderzijds onze behoefte om in verbinding te willen zijn. Die twee botsen dus met elkaar. Samenlevingen kunnen op dat vlak heel verschillend zijn. Hoe gaat men om met dit spanningsveld? Dit wordt maatschappelijk gekaderd. Tot 1950 lag sterk het accent op verplichte verbondenheid en autonomie kwam nauwelijks aan bod. Dit veranderde in de jaren 60 sterk. Vandaag zijn we de verbondenheid kwijt maar als bonus zijn we veel vrijer dan vroeger.

Bureaucratie, het ideaal, narcisme en faalangst

Ieder jaar krijgen we wel steeds meer regels en wordt onze autonomie wederom beperkt. Kijk maar eens hoe lang contracten tegenwoordig zijn. Hoe komt dit? Doordat we de ander niet meer vertrouwen. Door al die regels weten we hoe de ideale mens eruit ziet en wat afwijkt. En wat afwijkt is de groep waar we het minste over hebben is de groep die te goed beantwoorden aan het ideaal. Dit zijn mensen die elke eigen fout ontkennen en deze altijd bij de ander neerleggen. Ofwel: Narcisten. Een narcist kan tegenwoordig minister president van de VS worden. De andere groep is de groep die op de toppen van hun tenen staan met faalangst ten gevolg tot ze uit de boot vallen en psychische en fysieke klachten hebben.

Conclusie: De gelijkwaardigheid moet terug

Hoe kunnen we dat aanpakken? En als we deze vraag stellen dan voelt iedereen zich plotseling machteloos. Alsof ze gevraagd worden het klimaatprobleem op te lossen. Onze identiteit ontstaat in spiegeling van de samenleving en vice versa. Dus wij kunnen het ook veranderen. We moeten ons een doel stellen en samen de schouders er onder gaan zetten. De gelijkwaardigheid moet terug. Dit hebben we eerder al gedaan met een emancipatiegolf tegen opgelegde sociale verhoudingen en rolpatronen. De verandering begint altijd met de hoogopgeleiden.

Dr. Paul Verhaeghe heeft Psychologie gestudeerd aan de Rijksuniversiteit Gent. Na zijn studie is hij een aantal jaar werkzaam geweest als klinisch psycholoog-psychotherapeut, waarna hij twee doctoraatsonderzoeken heeft afgerond. Als hoogleraar in de klinische psychologie en psychotherapie ging hij in 2021 met emiraat. Paul heeft veertig jaar onderzoek gedaan naar psychoanalyse en psychoanalytische psychotherapie en ook gedoceerd in deze thema’s. Daarnaast is hij auteur van een aantal boeken over de invloed van ontwikkelingen in de maatschappij op de geestelijke gezondheid. Zijn meest recente boek Onbehagen is in 2023 is verschenen.

Verslag door Lieneke Steverink-Jorna, mondhygiënist, van de cursus Conflicten en klachten, door Paul Verhaeghe, van ACTA Dental Education

Lees meer over: Communicatie patiënt, Congresverslagen
Vragenlijst 'medewerkerstevredenheid'

Yvonne Buunk-Werkhoven stelt diverse samengestelde vragenlijsten beschikbaar voor studenten en professionals

Het academisch jaar is reeds begonnen en bachelor- en masterstudenten binnen de opleidingen Tandheelkunde en Mondzorgkunde zijn mogelijk actief bezig met hun afstudeeronderwerpen. Voor het verzamelen op systematisch professionele wijze van informatie of data wordt veelal een vragenlijstonderzoek uitgevoerd. Yvonne Buunk-Werkhoven stelt diverse samengestelde vragenlijsten beschikbaar voor toepassing binnen de studie en/of door professionals in het werkveld.

Dr. Yvonne Buunk-Werkhoven heeft binnen haar fundamenteel en praktijkgerichte onderzoekswerk op het gebied van gezondheidspsychologie, mondhygiënegedrag en mondzorg meerdere vragenlijsten als onderzoeksmethode gebruikt om de effecten van gedrag, activiteiten, projecten of campagnes te meten.

In de loop der jaren heeft zij op het gebied van “promotie van mondgezondheid en preventie van mondziekten” vragenlijsten ontwikkeld, waarbij zowel evidence-based practice (EBP) als practice-based evidence (PBE) zijn geïntegreerd, zodat de theorie aan de werkelijkheid wordt gelinkt en de actuele patiëntenzorg inzichtelijk wordt gemaakt.

Vragenlijstonderzoek

Bij het doen van (toegepast) wetenschappelijk onderzoek – gebaseerd op sociaal psychologische theorieën -, waarbij mensen worden gevraagd naar hun meningen, opvattingen en verwachtingen, of naar bijvoorbeeld hun gedragingen en/of gebeurtenissen uit het verleden, is het logisch en realistisch om mensen er (in)direct naar te vragen. Het ondervragen via interviews en/of semi-gestructureerde interviews of door middel van vragenlijstonderzoek: online, telefonisch, op papier, zijn gangbare methoden om gegevens te verzamelen en kunnen beschrijvend, analytisch of verkennend zijn.

Gebruik van bestaande gevalideerde vragenlijst

Afhankelijk van het gekozen onderzoeksonderwerp is het mogelijk om een eigen vragenlijst op te stellen of gebruik te maken van enkele meetinstrumenten (index of schaal) uit eerder toegepaste vragenlijsten, of zelfs een gehele bestaande vragenlijst opnieuw uit te vragen onder eenzelfde of onder een andere doelgroep. Hoewel het eenvoudig lijkt om vragen voor een vragenlijst te bedenken, is een betrouwbare en valide vragenlijst enkel samen te stellen of te maken als het gebaseerd is op een relevante theoretisch kader. Het advies is dan ook, om naast het ontwerpen of opstellen van een eigen vragenlijst, zo veel mogelijk te kiezen voor een bestaande gevalideerde vragenlijst uit de theorie of waarover is gepubliceerd. Deze de gebruikte meetinstrumenten in de vragenlijsten zijn al getest op betrouwbaarheid en validiteit.

Voor de betrouwbaarheid is de manier van vragen gestandaardiseerd en kan de vragenlijst op consistente wijze worden afgenomen, waardoor eenduidige antwoorden worden verkregen en willekeurige fouten worden voorkomen bij data-analyse. Voor de validiteit is het belangrijk dat de begrippen (constructen) op de juiste manier worden geoperationaliseerd, zodat er ook daadwerkelijk gemeten wordt wat de bedoeling is. Overigens, kan een bestaande vragenlijst niet zomaar worden aangepast, omdat er meestal een rationale ten grondslag ligt aan de samenstelling van de vragenlijst.

Aanvullende analyses

Als de steekproef representatief voor de doelgroep groot genoeg is, dan kunnen er naast beschrijvende statistiek, aanvullende statistische analyses uitgevoerd worden. Naast de populatie (sample/groep) kan er bijvoorbeeld naar subgroepen worden gekeken of er kan onderzocht worden of er verbanden zijn.

Bovendien, data-analyse vraagt altijd om nuance en voorzichtigheid, want gevonden correlaties kunnen interessant zijn, maar bewijzen nog geen oorzaak-gevolg relatie!
Belangrijk om te weten is dat het éénmalig invullen van een vragenlijst in het algemeen niet valt onder de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen (WMO).

 

Vragenlijsten

⭢ Download de vragenlijst behorende bij Buunk-Werkhoven YA, Buls JG, Osinga E, Bruers JJ. Diagnosis and treatment of patients with halitosis by dental hygienists and dentists in the Netherlands. Int Dent J. 2015;65(2):65-70. doi:10.1111/idj.12145 En Elsenberg CPM, Sidiqi S, Buunk-Werkhoven YAB.

⭢ Download de vragenlijst en het tweede deel van de vragenlijst behorende bij: Buunk-Werkhoven Yvonne A.B. Pick A T – Public Campaign to Promote the Use of Toothpicks: A Pilot Study. Adv Dent & Oral Health 2017; 4(5):555673. DOI: 10.19080/ADOH.2017.05.555673

⭢ Download de vragenlijst en het vervolg op de vragenlijst behorende bij: Buunk-Werkhoven YAB, Takrovskaja K, Steverink-Jorna LM. Kidsfabriek, Oral health awareness and promotion of oral self-care during a learning and play event for children and parents in The Netherlands. Ann Clin J Dent Health 2018;7:22-25.

⭢ Download de vragenlijst behorende bij: Folgerts O, Buunk-Werkhoven YAB, Batenburg R. Periodontal screening during an oral public health promotion campaign: a study among health consumers. Int Dent J. 2019;69(4):289-294. doi:10.1111/idj.12475

⭢ Download de vragenlijst: Buunk-Werkhoven YAB, Gortzak JJC, Sjoerts JE, Frederiks A. ‘Outspoken’ Oral Hygienists Promote Oral Health Care Awareness at Public Events for (Pregnant) Women and Young Mothers. J Dent Hyg Sci 2021;21:140-9. https://doi.org/10.17135/jdhs.2021.21.3.10

 

Door:
Dr. Yvonne Buunk-Werkhoven, Associate Professor (gedragswetenschapper, psycholoog en mondhygiënist) remote werkzaam aan de Medische faculteit van het Kauno kolegija in Litouwen.

Publicaties van haar hand zijn geordend op Google Scholar citation profile of op te zoeken via Pubmed

 

Geïnteresseerden kunnen voor de toepassing van en/of vragen over de vragenlijsten, inclusief codering en/of interpretaties van de uitkomsten, de auteur per mail benaderen: yvonne.werkhoven@go.kauko.lt

Lees meer over: Onderzoek, Thema A-Z
Utrecht Dental 2025

Utrecht Dental Open Huis Dagen: Maak een afspraak of kom langs op donderdag 2 oktober en vrijdag 3 oktober

Bezoek Utrecht Dental en ontvang een tegoedbon van € 200,- kleingoed! Maak iedere dag of avond een afspraak of kom langs op: donderdag 2 oktober van 10:00 tot 21:00 uur en vrijdag 3 oktober van 10:00 tot 19:00 uur. We staan de hele week voor u klaar, ook ‘s avonds en op zaterdag. Maak een afspraak in onze showroom of bij u op locatie. Neem contact op met uw accountmanager of bel naar 030 241 01 30.

Bezoek Utrecht Dental en ontvang een tegoedbon van € 200,- kleingoed!

Utrecht Dental 2025 acties

Profiteer alleen tijdens de Open Huis Dagen van deze unieke acties

Koop nu en betaal in 2026

Of € 2.500,- inruilkorting op uw bestaande behandeleenheid of OPG.
Bij besteding van € 15.000

5 jaar garantie

Bij aanschaf van een behandeleenheid of digitaal röntgen.
In combinatie met een serviceabonnement

Individuele kennissessies met Experts

  • Interieurarchitect
  • Financieel adviseur
  • Gratis businessplan

Vistascan Mini View 2.0

  • € 2.000,- korting bij inruil van een oude scanner

Melag 105

Nu € 2.990,-

Castellini sterilisator

Nu € 3.950,-

Acteon X-Mind

  • 2D – € 14.995,-
  • 3D – € 39.995,-

Retainer Hub

Nu € 19.995,-

Heeft u nog vragen of wilt u meer informatie over de aanbiedingen?

Wij helpen u graag verder!

Meer informatie op de website van Utrecht Dental

Lees meer over: Bij- en nascholing, Kennis, Partnernieuws, Partnernieuws, Producten
bas loomans 400

Nieuwe richtlijn: Diagnostiek en preventie van gebitsslijtage

Gebitsslijtage komt steeds vaker voor en vormt een groeiende uitdaging binnen de mondzorg. De nieuwe KIMO-richtlijn Diagnostiek en preventie van gebitsslijtage biedt tandartsen handvatten om slijtage systematisch in kaart te brengen, vroegtijdig te signaleren en nauwkeurig te monitoren. Prof. dr. Bas Loomans licht de kernpunten van de richtlijn toe.

Hoe ben je betrokken geraakt bij deze richtlijn?

“Ik ben al jaren intensief bezig met gebitsslijtage, zowel in onderzoek als in de praktijk. In 2007 promoveerde ik op adhesieve tandheelkunde en werk sindsdien als senior-onderzoeker en hoogleraar restauratieve tandheelkunde aan het Radboudumc in Nijmegen. Sinds 2010 leid ik daar het ‘Radboud Tooth Wear Project’, een groot klinisch onderzoek naar oorzaken en behandeling van gebitsslijtage. Daar hebben we veel kennis opgedaan over de etiologie en het monitoren van patiënten. Vanuit deze expertise ben ik gevraagd voorzitter te zijn van de werkgroep voor de KIMO-richtlijn. Het is mooi om zo bij te dragen aan een onderwerp waar ik me al jarenlang mee bezighoud.”

Waarom was het belangrijk om een richtlijn over gebitsslijtage te ontwikkelen?

“Gebitsslijtage is een groeiend probleem in de mondzorg, dat steeds vaker ook bij jongere patiënten voorkomt. Tot nu toe ontbrak een duidelijke richtlijn voor het systematisch signaleren en monitoren van deze slijtage. Deze richtlijn is daarom ontwikkeld, niet om behandelmethoden voor te schrijven, maar om mondzorgverleners praktische handvatten te bieden voor screening, diagnostiek, preventie en monitoring. Het doel is dat tandartsen precies weten waar ze op moeten letten, hoe ze slijtage herkennen en wanneer ze actie moeten ondernemen. De richtlijn begeleidt stap voor stap bij het in kaart brengen en opvolgen van slijtage, tot het moment waarop restauratieve behandeling nodig is — waarna de keuze voor verdere behandeling buiten de richtlijn valt.”

Hoe is de commissie samengesteld?

“Voor het opstellen van de richtlijn heeft KIMO een Richtlijn Ontwikkel Commissie (ROC) samengesteld met een brede vertegenwoordiging. Zo waren de drie universiteiten Nijmegen, Amsterdam en Groningen betrokken, evenals meerdere algemeen practici die hun praktijkervaring inbrachten. Ook waren afgevaardigden van meerdere wetenschappelijke verenigingen aanwezig, waaronder bijvoorbeeld die voor restauratieve tandheelkunde, Ivoren Kruis en mondzorg voor mensen met een beperking. Dankzij deze brede samenstelling is de richtlijn zowel goed onderbouwd als praktisch toepasbaar.”

Hoe is de richtlijn inhoudelijk ontwikkeld?

“De richtlijn is opgebouwd rondom vier kernvragen die de inhoudelijke basis vormen. Ten eerste: hoe kun je gebitsslijtage op een gestructureerde manier screenen, zodat mondzorgverleners vroegtijdig signalen kunnen herkennen? Ten tweede: hoe kwalificeer je de slijtage op basis van verschijningsvormen? De derde vraag richt zich op het monitoren: hoe breng je het beloop van gebitsslijtage over tijd goed in kaart? En als laatste: welke preventieve maatregelen kun je nemen om verdere slijtage te voorkomen? Door deze systematische aanpak ontstaat een duidelijk en praktisch stappenplan dat mondzorgverleners helpt om gebitsslijtage effectief te signaleren, beoordelen, volgen en behandelen.”

Hoe kun je gebitsslijtage het beste screenen volgens de richtlijn?

“Voor de screening van gebitsslijtage gebruiken we het Tooth Wear Evaluation System, ofwel TWES. Dit systeem helpt tandartsen om systematisch vast te stellen of en hoe ernstig de slijtage is. De richtlijn adviseert om deze beoordeling minstens eens per twee à drie jaar uit te voeren, tijdens de periodieke controle. Op basis van de bevindingen krijgt de patiënt een score van 0 tot 4. Bij een score van 0 of 1, wat betekent dat er geen of slechts milde slijtage is, hoef je verder geen actie te ondernemen — dan volstaat het om de situatie bij een volgende controle opnieuw te beoordelen.”

“Zodra de slijtage ernstiger wordt, of als de patiënt klachten heeft of een hulpvraag uitspreekt, kan dat een aanleiding zijn om preventieve maatregelen te nemen of aanvullende diagnostiek te verrichten. Bij de beoordeling maakt de richtlijn ook nadrukkelijk onderscheid tussen patiënten jonger dan 25 jaar en patiënten van 25 jaar en ouder. Slijtage bij jongeren hoort in principe niet voor te komen, dus als je daar al iets ziet, is dat meestal een aanwijzing dat er iets aan de hand is. Daarom zijn we bij deze groep alerter: zelfs een lage score kan dan aanleiding zijn om verder onderzoek te doen. Bij volwassenen boven de 25 wordt er iets ruimer gekeken, omdat lichte slijtage daar vaak past bij het natuurlijke verouderingsproces en dus niet meteen reden tot zorg hoeft te zijn.”

“Het is daarbij essentieel dat tandartsen hun bevindingen goed vastleggen in het patiëntendossier. Door de scores over de jaren heen te vergelijken, kun je in een vroeg stadium zien of er sprake is van progressie. Zo kun je tijdig ingrijpen bij patiënten die risico lopen op ernstige gebitsslijtage.”

Wat is het doel van de vragenlijst die jullie hebben ontwikkeld voor de diagnostiek van gebitsslijtage?

“Deze vragenlijst dient als ‘discussiehulp’ voor de tandarts om gericht door te vragen en zo een beter beeld te krijgen van mogelijke oorzaken van gebitsslijtage. Op basis van de antwoorden kan de tandarts relevante onderwerpen bespreken, zoals algemene gezondheid, reflux en maagzuur, eetstoornissen, risicofactoren als knarsen, klemmen en bijten, eet- en drinkgewoonten, en klachten over een droge mond. Dit zijn namelijk de belangrijkste risicofactoren waar tandartsen op moeten letten bij het inschatten van gebitsslijtage.”

Waarom is etiologie bij gebitsslijtage belangrijk?

“De oorzaak van gebitsslijtage is meestal multifactorieel, wat betekent dat meerdere factoren samen een rol spelen. Het is belangrijk om daarbij eerst onderscheid te maken tussen chemische en mechanische oorzaken, omdat dit helpt bij het kiezen van gerichte preventieve maatregelen. Chemische slijtage ontstaat door het oplossen van het tandglazuur door zuren. Hierbij maken we een onderscheid tussen extrinsieke en intrinsieke oorzaken. Extrinsieke oorzaken zijn zuren van buitenaf, zoals die in frisdrank, vruchtensappen en ander voedsel, die het gebit langzaam van buiten naar binnen aantasten. Intrinsieke chemische slijtage komt van binnenuit, bijvoorbeeld door maagzuur dat via reflux of oprispingen omhoog komt. Mechanische slijtage ontstaat door wrijving en druk. Ook hier onderscheiden we extrinsieke en intrinsieke factoren. Intrinsieke mechanische slijtage ontstaat door krachten door het lichaam zelf, zoals knarsen, klemmen of bewegingen van de tong. Extrinsieke mechanische slijtage wordt veroorzaakt door invloeden van buitenaf, zoals het bijten op harde voorwerpen zoals nagels of pennen.”

“Vaak spelen chemische en mechanische factoren samen, waardoor het beeld van slijtage complex kan zijn. Het is daarom belangrijk goed te letten op het uiterlijk van de slijtage, omdat dit vaak aanwijzingen geeft over de onderliggende oorzaak. Om tandartsen hierbij te ondersteunen, zijn in de richtlijn foto’s opgenomen die helpen bij het herkennen en interpreteren van verschillende vormen van gebitsslijtage.”

Welke preventieve maatregelen raadt de richtlijn aan om verdere gebitsslijtage te voorkomen?

“De richtlijn benadrukt dat preventie altijd maatwerk is en sterk afhankelijk van de onderliggende oorzaken. Als slijtage bijvoorbeeld het gevolg is van zure inwerking, is het belangrijk om de bron daarvan goed in kaart te brengen. Bij patiënten met reflux wordt bijvoorbeeld geadviseerd om door te verwijzen naar de huisarts voor eventueel medicamenteus beleid. Gaat het om een hoge consumptie van zure voedingsmiddelen of dranken, dan ligt de nadruk op het beperken van die inname.”

“Ook de rol van speeksel mag niet worden onderschat. Bij patiënten met een droge mond of verminderde speekselproductie wordt geadviseerd om de speekselstroom zoveel mogelijk te stimuleren, bijvoorbeeld volgens de KIMO-richtlijn over xerostomie en hyposialie.”

“Bij mechanische factoren, zoals klemmen en knarsen, begint het met bewustwording. Veel mensen zijn zich er niet van bewust dat ze deze gewoontes hebben. In zulke gevallen kan een beetbeschermingsplaat uitkomst bieden. Als er sprake is van functionele klachten of ernstige parafuncties, is het raadzaam om te verwijzen naar een tandarts-gnatholoog of een orofaciaal fysiotherapeut. Ook het afleren van schadelijke gewoontes, zoals nagelbijten of op pennen kauwen, is van belang.”

“Tot slot adviseert de richtlijn om de ingezette preventieve maatregelen altijd kort na de start te evalueren, bijvoorbeeld al na een maand. Zo kun je tijdig bijsturen als dat nodig blijkt.”

Hoe adviseert de richtlijn om gebitsslijtage in de praktijk te monitoren?

“De richtlijn adviseert om gebitsslijtage minstens eens per twee à drie jaar systematisch te monitoren met een screeningsindex. Als er sprake is van gebitsslijtage, moet de slijtage worden vastgelegd om later mee te kunnen vergelijken. De voorkeursmethode hiervoor is het maken van een intra-orale 3D-scan. Dat is snel, digitaal, kan direct in het patiëntendossier worden opgeslagen en eenvoudig met de patiënt worden gedeeld. Wanneer na verloop van tijd een nieuwe scan wordt vervaardigd, kan deze eenvoudig met de eerdere scan(s) worden vergeleken om zo objectief te bepalen of er sprake is van progressie van slijtage. Op dit moment beschikt ongeveer een derde van de Nederlandse tandartspraktijken over een 3D-scanner, maar ik verwacht dat dit binnen nu en vijf jaar zo’n 90% zal zijn. Ik zie het gebruik van deze technologie als een grote meerwaarde ter ondersteuning van het periodieke mondonderzoek. Naast de mogelijkheid om bijvoorbeeld studiemodellen, splints en kronen te maken, kan een 3D-scan uitstekend worden ingezet om mondaandoeningen te monitoren (o.a. cariës, recessies, tandvleesontstekingen en – natuurlijk – ook slijtage). Naar mijn mening zal dit de toekomstbestendige standaard worden.”

“Als een 3D-scan niet beschikbaar is, noemt de richtlijn ook lichtfoto’s als alternatief. Die zijn vooral nuttig als visueel geheugensteuntje, maar kleine verschillen zijn daarmee vaak lastig vast te stellen. En als laatste optie kun je nog werken met gipsmodellen, maar die zijn minder praktisch: ze nemen veel ruimte in en vergelijken over tijd is omslachtiger.”

Tot slot geeft de richtlijn ook een indicatie wanneer een restauratieve behandeling overwogen kan worden. Wat is hierover het advies?

“Het is belangrijk om te realiseren dat restauratieve behandelingen geen definitieve oplossing zijn op de lange termijn. Wie kiest voor een restauratieve aanpak, slaat daarmee een behandelpad in dat moeilijk terug te draaien is. Het is dus van belang om die keuze goed af te wegen. De richtlijn maakt hierin een duidelijk onderscheid. Bij patiënten zonder functiebedreigende gebitsslijtage en geen hulpvraag is restauratief ingrijpen in principe niet nodig. Ook bij patiënten met beperkte functieklachten, maar waarbij preventieve maatregelen nog effect kunnen hebben op het verminderen van klachten en het afremmen van verdere slijtage, is restauratief behandelen niet meteen geïndiceerd. In die gevallen heeft het de voorkeur om eerst gerichte preventie toe te passen. Pas als er sprake is van functiebedreigende slijtage met duidelijke hulpvraag én er geen reële kans meer is dat preventieve maatregelen nog effect hebben, kan een minimaal invasieve restauratieve behandeling worden overwogen. Daarbij is het belangrijk om dit zorgvuldig met de patiënt te bespreken, zodat die goed geïnformeerd is over de mogelijke consequenties van deze behandelingen op de lange termijn.”

Bekijk de richtlijn Diagnostiek en preventie van gebitsslijtage

Interview met prof. dr. Bas Loomans door Ilona van der Werf.

 

Lees meer over: Richtlijnen, Thema A-Z
Samen naar een duurzamere mondzorg Angeli

Samen naar een duurzamere mondzorg

Duurzaamheid krijgt een steeds prominentere plek binnen de mondzorg. Tandarts Angelica Setiaman is één van de kartrekkers die het belang van milieubewust werken in de sector zichtbaar maakt. In dit interview deelt zij haar visie op verduurzaming in de mondzorg en geeft zij praktische tips waarmee mondzorgpraktijken zelf aan de slag kunnen.

Hoe is jouw interesse in duurzaamheid binnen de mondzorg ontstaan?

“Ik merkte op een gegeven moment dat mijn persoonlijke keuzes op het gebied van duurzaamheid steeds moeilijker te rijmen waren met hoe het er op mijn werk aan toeging. Thuis scheidde ik zorgvuldig mijn afval, at ik vaker plantaardig, had ik ledverlichting geïnstalleerd en lagen er zonnepanelen op het dak. Toch reed ik dagelijks met de auto van Zandvoort naar Amsterdam voor mijn werk. Dat begon wrang te voelen.”

“Tijdens een werketentje bestelde ik een vegetarische maaltijd. Toen een collega vroeg waarom, raakten we in gesprek over duurzaamheid. Blijkbaar was ik niet de enige die zich stoorde aan de overvolle afvalbakken na een drukke werkdag. Dat gesprek vormde in 2017 het startpunt van onze werkgroep Duurzaam binnen Stichting Jeugdtandverzorging Amsterdam, waar ik als tandarts werkzaam ben. Sindsdien ben ik steeds meer duurzame initiatieven gaan oppakken. Zo ben ik initiatiefnemer van het Groene Zorg Festival, ambassadeur van de Groene Zorg Alliantie en één van de kartrekkers van de werkgroep Duurzame Mondzorg bij de KNMT.”

Waarom is duurzaamheid belangrijk in de mondzorg?

“Voor mij is duurzaamheid onlosmakelijk verbonden met gezondheid. De klimaatcrisis is niet alleen een milieuprobleem, maar vormt ook een directe bedreiging voor de volksgezondheid – iets wat ook door de Wereldgezondheidsorganisatie wordt onderstreept. Daarom vind ik het belangrijk dat wij als mondzorgprofessionals onze verantwoordelijkheid nemen. Door in de praktijk bewust te kiezen voor duurzame oplossingen, dragen we niet alleen bij aan een beter milieu, maar ook aan de gezondheid van onze patiënten én van toekomstige generaties.”

Hoeveel tandartspraktijken zijn naar jouw schatting op dit moment actief bezig met het verduurzamen van hun praktijk?

“Het is lastig om precies te zeggen hoeveel tandartspraktijken momenteel actief bezig zijn met verduurzaming, omdat daar nog geen concrete cijfers over beschikbaar zijn. Wel blijkt uit een recente enquête van de KNMT dat duurzaamheid de afgelopen jaren steeds meer aandacht krijgt binnen de mondzorg. Toen ik in 2017 begon, was duurzaamheid nog nauwelijks een onderwerp, maar inmiddels is er veel veranderd. Er worden nu geaccrediteerde lezingen en studiedagen over duurzame mondzorg georganiseerd, studenten krijgen – zij het nog in beperkte mate – onderwijs over de impact van praktijkvoering op het milieu en mondzorgverleners besteden steeds vaker aandacht aan duurzaamheid binnen hun praktijk. Duurzaamheid is misschien nog niet het ‘nieuwe normaal’, maar er is wel degelijk een duidelijke beweging gaande binnen onze sector.”

Wat zijn de meest voorkomende duurzame initiatieven die worden opgepakt door mondzorgpraktijken?

“In de praktijk zie ik dat verduurzaming vaak begint met de ‘quick wins’. Denk bijvoorbeeld aan het overstappen op ledverlichting of het energiezuinig instellen van de cv-installatie. Dat zijn eenvoudige aanpassingen die toch een aanzienlijk verschil kunnen maken. Daarnaast zijn er ook tandartspraktijken die verder gaan en bijvoorbeeld hun pand beter isoleren, zonnepanelen plaatsen of bij verbouwingen kiezen voor duurzame materialen. Het mooie is dat deze stappen niet alleen goed zijn voor het milieu, maar ook bijdragen aan een prettigere werkomgeving én op de lange termijn kosten besparen. Veel praktijken pakken het dan ook stap voor stap aan: eerst het laaghangende fruit, gevolgd door steeds meer duurzame maatregelen.”

In hoeverre kunnen tandartspraktijken het gebruik van disposables zoals mondkapjes, handschoenen en schorten verduurzamen?

“Disposables zijn natuurlijk lastig te verduurzamen, omdat ze eenmalig gebruikt moeten worden voor de hygiëne en veiligheid van onze patiënten.

Toch kunnen we winst boeken door kritisch te zijn op wat we echt nodig hebben en verspilling te voorkomen. Ook is het belangrijk om binnen de praktijk het afval goed te scheiden en materialen zo efficiënt mogelijk te gebruiken.

Op die manier kijken we verder dan alleen het product zelf en nemen we verantwoordelijkheid voor de hele keten. Zo geef je duurzaamheid echt een plek in je dagelijkse praktijk.”

Waar moeten praktijken vooral op letten bij het kiezen van disposables?

“Een belangrijke factor is dat disposables bij voorkeur lokaal worden geproduceerd, bijvoorbeeld in Nederland of Europa. Dat beperkt de transportkilometers en vermindert de CO₂-uitstoot flink.

Het aanbod duurzame disposables is helaas nog beperkt en fabrikanten zijn lang niet altijd duidelijk over waar hun producten precies vandaan komen.

Het zou helpen als producenten meer transparantie gaan bieden, bijvoorbeeld via QR-codes of een keurmerk waarmee je eenvoudig kunt zien waar een product vandaan komt of hoe duurzaam het product gemaakt is. Dan zou het voor praktijken veel makkelijker maken om bewust en duurzaam in te kopen.”

Welke andere knelpunten ervaren mondzorgverleners als het gaat om duurzaamheid?

“Eén van de grootste uitdagingen is dat het aanbod van duurzame producten voor tandartspraktijken nog steeds beperkt is. Daarnaast bestellen veel praktijken relatief kleine hoeveelheden, waardoor het moeilijk is om duurzame opties te vinden die meestal pas beschikbaar zijn bij grotere volumes. Zo wilden we in mijn eigen praktijk circulaire kleding aanschaffen, maar door het geringe aantal dat we nodig hadden, was dat praktisch niet haalbaar.”

Die combinatie van beperkte beschikbaarheid en kleine bestelhoeveelheden vormt een flinke drempel. Een slimme oplossing is daarom om samen te werken met andere praktijken en gezamenlijk in te kopen.

Door grotere volumes te bestellen, wordt het voor leveranciers aantrekkelijker om duurzame producten te leveren – vaak ook tegen betere voorwaarden. Zo wordt het voor kleinere praktijken veel makkelijker om duurzame keuzes te maken en draagt die samenwerking bij aan een groenere mondzorgsector.”

Je bent ook actief als beleidsadviseur Duurzaamheid bij de KNMT. Hoe ondersteunt de KNMT tandartspraktijken bij het zetten van stappen richting een duurzamere werkwijze?

“Voor de KNMT is duurzaamheid geen losstaand thema, maar een essentieel onderdeel van goede mondzorg. Daarom is het de ambitie om tandartspraktijken zo goed mogelijk te ondersteunen door praktische middelen en kennis toegankelijk te maken.”

“Een goed voorbeeld daarvan is de Milieubarometer van Stichting Stimular, die de KNMT aan praktijken aanbiedt. Deze tool helpt tandartspraktijken inzicht te krijgen in hun milieuprestaties en te bepalen welke maatregelen écht effect hebben. Daarnaast hebben we het e-handboek ‘Duurzame mondzorgpraktijk’ ontwikkeld, boordevol praktische tips en ideeën. Hiermee kan elke praktijk, ongeacht de fase waarin ze zich bevindt, direct aan de slag. Voor gebruik binnen de praktijk is er ook de checklist ‘Duurzame Mondzorgpraktijk’ – een visueel hulpmiddel om samen met het team op een laagdrempelige manier duurzame acties te inventariseren en bij te houden. Ook organiseert de KNMT regelmatig webinars, workshops en bijeenkomsten om kennis te delen, ervaringen uit te wisselen en samen te werken aan verdere verduurzaming.”

“Ook richting patiënten willen we bewustwording vergroten. Daarom hebben we de video ‘Help jij mee de mondzorg schoner en duurzamer te krijgen?’ gemaakt. Praktijken kunnen deze inzetten in de wachtkamer, op hun website of via social media.”

Voor wie hiermee aan de slag wil, is alle informatie overzichtelijk te vinden op www.knmt.nl/praktijkzaken/duurzaamheid.

Wat zijn volgens jou de eerste stappen die elke praktijk vandaag nog zou kunnen zetten?

“Je hoeft echt niet alles in één keer om te gooien om duurzamer te werken. Begin gewoon met wat vandaag al haalbaar is.

De belangrijkste stap op de circulaire ladder is ‘reduce’ – minder verbruiken dus. Daarom is het slim om eerst goed te kijken naar waar verspilling zit in je dagelijkse praktijkvoering.

Wat gebruik je uit gewoonte, maar is eigenlijk overbodig? Denk aan papieren folders die ook digitaal gedeeld kunnen worden of plastic bekertjes die je kunt vervangen door een slok kraanwater. Minder gebruiken is vaak de meest impactvolle én eenvoudigste stap – goed voor het milieu én kostenbesparend.

Ook bij de inkoop kun je veel winst boeken. Bestel kleinere hoeveelheden van producten met een houdbaarheidsdatum en juist grotere volumes van materialen die lang meegaan.

Probeer leveringen te combineren, zodat je minder vaak transport aan de deur hebt. Het zijn misschien kleine aanpassingen, maar als je ze structureel toepast, maken ze echt verschil.

Wat daarnaast vaak wordt onderschat, is het belang van preventie. Hoe minder behandelingen nodig zijn, hoe minder materialen en energie je verbruikt.

Goede voorlichting aan patiënten – over poetsgedrag, voeding of bijvoorbeeld het drinken van kraanwater – ondersteunt niet alleen hun mondgezondheid, maar draagt ook bij aan een duurzamere praktijk.”

Hoe zorg je ervoor dat duurzaamheid echt gaat leven binnen het team en niet blijft hangen bij een paar enthousiastelingen?

“Wat helpt, is laten zien dat het iets oplevert. Minder verspilling betekent ook meer rust, overzicht én vaak financiële ruimte. Dat maakt het meteen aantrekkelijker voor het hele team. En minstens zo belangrijk: betrek je collega’s vanaf het begin. Laat hen meedenken over wat er beter kan en geef ruimte aan ideeën van iedereen. In transitiemanagement weten we al jaren: als je 25% van de mensen mee hebt, kun je echte verandering in gang zetten. Dus begin met dat kwart – de mensen die willen, durven en kunnen. Hun enthousiasme werkt aanstekelijk en zorgt ervoor dat duurzaam denken vanzelf onderdeel wordt van het dagelijks werk.”

Kom langs op het Groene Zorg Festival!

Wil je meewerken aan een duurzamere zorg? Kom dan op 19 september naar het Groene Zorg Festival. Het festival, dat mede mogelijk is gemaakt door subsidie van VWS, is gratis toegankelijk en dé plek voor inspiratie, workshops, goede gesprekken en nieuwe inzichten. Maak er een teamuitje van, geniet van heerlijke hapjes, muziek en een fijne sfeer. Zo zet je samen een duurzame stap vooruit. Kijk voor meer informatie op: Groene Zorg Festival 2025 – Groene Zorg Alliantie.

Samen naar een duurzamere mondzorg

Interview met tandarts Angelica Setiaman door Ilona van der Werf.

Foto boven: met collega festivalcommissieleden: v.l.n.r. Jorinde Westra, Marleen Jans, Angelica Setiaman

Bekijk ook: Patiëntenfilmpje over duurzaamheid

Samen naar een duurzamere mondzorg

 

Lees meer over: Afvalverwerking, Duurzaamheid, Ondernemen, Richtlijnen, Röntgen en beeldsystemen
Volg dentalinfo.nl op WhatsApp kanaal

Volg dentalinfo.nl nu ook op WhatsApp kanaal

Bekijk de laatste updates van dentalinfo.nl nu ook via WhatsApp. We hebben twee kanalen: dentalinfo.nl – Tandarts en dentalinfo.nl – Mondhygiënist.

Via deze kanalen ontvang je regelmatig nieuws en artikelen van dentalinfo.nl.

Lees meer over: Scholing, Thema A-Z
kwaliteitskeurmerk ABC Mondzorgassistenten

Certificering van opleidingen: keurmerk ABC Mondzorgassistenten van start

De eerste particuliere opleiders laten hun cursussen certificeren om het kwaliteitskeurmerk ABC Mondzorgassistenten te mogen voeren. Dit keurmerk biedt studenten de zekerheid dat zij een opleiding van erkende kwaliteit volgen die wordt gewaardeerd binnen de branche. Voor werkgevers betekent het dat zij verzekerd zijn van goed opgeleide assistenten met aantoonbare bekwaamheid.

Start van erkende opleidingen

Binnenkort worden de eerste door de branche erkende opleidingen aangeboden. Mondzorgassistenten die deze opleidingen met succes afronden, worden opgenomen in het Register Mondzorgassistenten.

Register voor gekwalificeerde mondzorgassistenten

Eind deze maand wordt de website van het Register Mondzorgassistenten gelanceerd. Hierop worden onder andere alle erkende opleiders vermeld. Zodra de eerste studenten geslaagd zijn, verschijnen zij ook in het register. Werkgevers kunnen op deze manier eenvoudig controleren of hun medewerker de juiste kwalificaties bezit.

Kwaliteitskeurmerk voor mondzorgopleidingen

Het keurmerk ABC Mondzorgassistenten is ontwikkeld door de KNMT en is bedoeld voor particuliere opleidingen in de mondzorg. Het wordt toegekend aan opleidingen voor tandartsassistenten (A), preventieassistenten (B) en paro-preventieassistenten (C). Tot nu toe bestond er geen eenduidig keurmerk voor opleidingen tot tandheelkundige assistent. Het ABC-keurmerk moet zorgen voor transparantie en duidelijkheid binnen de branche.

Lees meer over: Scholing, Thema A-Z
NWVT congres 2025

NWVT Jaarcongres: Hoe blijf je relevant in een wereld waar ChatGPT het toverwoord lijkt te zijn?

Dit jaar staat ons congres in het teken van innovatie, kunstmatige intelligentie (AI) en de klinische praktijk.

Sprekers

Na onze jaarlijkse uitreikingen van de NWVT Hamer Duyvenszprijs voor het beste proefschrift en de Masterscriptieprijs voor de beste scriptie, duiken we in de toekomst van de zorg met een keynotelezing van Prof. dr. Frans Feldberg, hoogleraar Data-Driven Business Innovation aan de VU Amsterdam. Daarnaast zullen Willem Rademacher, Charlotte Jensen-Louwerse en Guido de Jong u ook van interessante en praktische tips voorzien!

De redenen om het congres bij te wonen omvatten de actualiteit van de onderwerpen op het snijvlak van technologie en tandheelkunde, presentaties van vooraanstaande sprekers en jonge onderzoekers, inspirerende en praktische inzichten voor de dagelijkse praktijk en de mogelijkheid om collega’s uit het hele land te ontmoeten in een informele setting.

Datum en locatie

27 september 2025
10:45 – 17:00

Van der Valk Breukelen
Stationsweg 91
3621 LK Breukelen

Meer informatie en aanmelden NWVT Jaarcongres

Lees meer over: Scholing, Thema A-Z
Speekseldiagnostiek geeft inzicht op dieet en cariësrisico

Speekseldiagnostiek geeft inzicht op dieet en cariësrisico

Op het Jaarcongres van het Ivoren Kruis op 12 april 2025 in Amsterdam presenteerde prof. dr. Rodrigo Giacaman uit Chili zijn keynotelezing: “Beyond a Simple Fluid: How Saliva Reflects Diet and Caries Risk”. In deze presentatie deelde hij baanbrekende inzichten over de rol van speeksel in de mondgezondheid en hoe het dient als indicator voor cariësrisico.

Speeksel: meer dan een simpel vocht

Prof. Giacaman benadrukte dat speeksel niet slechts een passief vocht is, maar een actieve speler in de mondgezondheid. Het bevat componenten die zowel de eetgewoonten als de gevoeligheid voor cariës van een individu weerspiegelen. Zo kan de samenstelling van speeksel aanwijzingen geven over het dieet en het cariësrisico van een patiënt.

Onderzoek naar speekselsamenstelling

In zijn onderzoek vergeleek Giacaman de speekselsamenstelling van individuen met hoog en laag cariësrisico. Opmerkelijk was dat personen met een hoog cariësrisico hogere niveaus van fosfaat en aanzienlijk lagere concentraties van immunoglobuline A (IgA) in hun speeksel hadden. Deze bevinding suggereert dat IgA mogelijk een biomarker is voor cariësgevoeligheid.

Dieet en speeksel

Het dieet speelt een cruciale rol in de samenstelling van speeksel. Voedingsmiddelen rijk aan dierlijke eiwitten blijken een beschermend effect te hebben, terwijl een koolhydraatrijk dieet het cariësrisico verhoogt. Vetten daarentegen hebben weinig invloed op het speekselprofiel. Deze inzichten benadrukken het belang van voedingsadvies in de preventie van cariës.

Implicaties voor de mondzorgpraktijk

De bevindingen van prof. Giacaman onderstrepen het potentieel van speekseldiagnostiek in de tandheelkundige praktijk. Door speekselanalyses kunnen mondzorgprofessionals een beter inzicht krijgen in het cariësrisico van hun patiënten en gerichte preventieve maatregelen nemen. Dit kan leiden tot meer gepersonaliseerde zorg en effectievere preventiestrategieën.

De presentatie van prof. dr. Rodrigo Giacaman biedt waardevolle inzichten in de rol van speeksel als indicator voor dieet en cariësrisico. Door speekselanalyses te integreren in de dagelijkse praktijk kunnen mondzorgprofessionals hun preventieve aanpak verfijnen en bijdragen aan een betere mondgezondheid voor hun patiënten.

Prof. dr. Rodrigo A. Giacaman Sarah is een internationaal erkend expert in de cariologie.

Verslag door Lieneke Steverink-Jorna, mondhygiënist, voor dentalinfo.nl van de lezing van prof. dr. Rodrigo Giacaman Sarah tijdens het Ivoren Kruis congres.

Bekijk hier de video van de lezing van prof. Giacaman Sarah.

Lees meer over: Cariës, Congresverslagen, Thema A-Z
Eerste hulp bij klachten van een patiënt

Eerste hulp bij klachten van een patiënt

Je doet ontzettend je best en toch zijn er patiënten die niet tevreden zijn. Hoe ga je hiermee om? Aranka Buis- de Vos, klachtenfunctionaris van ACTA, SBT en de Hogeschool InHolland, gaf ons tips. Haar kernboodschap luidde: Eerst de mens, dan het gebit en dan weer de mens. Oftewel: Eerst het contact, het contract en dan weer het contact. Verslag van de presentatie Klachten en conflicten van ACTA DE.

Waarom is het oplossen van onvrede bij de patiënt zo belangrijk?

Het werk is heel technisch, maar inmiddels ook heel sociaal. De werkdruk wordt steeds hoger en de patiënten steeds mondiger. Iedereen heeft wel eens een ontevreden patiënt in de stoel. Je hebt helemaal geen zin in klachten, want het kost je veel tijd en energie. Maar als je er op de juiste manier ermee om kunt gaan dan gaat je het minder tijd en energie kosten.

Casus

Een vrouw van 75 jaar weet niet meer wat ze moet doen; “Mijn prothese functioneert niet. Mijn tandarts maakt er een enorm plan van. Ik moest implantaten maar dat wil ik niet. Ze luisterde niet. Nu krijg ik een offerte die ik moet ondertekenen maar die wil ik helemaal niet ondertekenen. De tandarts had geen tijd voor me, ik weet niet meer wat ik moet doen”, klaag ze.
De klachtenfunctionaris ging naar deze perfectionistische tandarts en wist meteen waar ze het over had. Ze vond deze patiënt maar een zeurkous. “Ik had zo’n mooi voorstel en dat wilde ze niet maar dat is haar probleem en een ander voorstel ga ik niet doen”, aldus de tandarts. Deze patiënt is toen naar een andere tandarts gegaan.

Dit soort klachten heeft Buis- de Vos van klein tot zeer complex mogen begeleiden. “Ik doe aan hoor- en wederhoor. Ik ben er voor de patiënt en ben ik er voor de behandelaar.” Doel is om de relatie te herstellen. De laatste zes jaar is er een daling van 75% van het aantal klachten bij het ACTA. Hoe kan jij dat ook bereiken?

Wat zijn de klachten?

De meeste klachten gaan over de rekening, over een complicatie, de behandeling zelf en over de bejegening. Bijvoorbeeld: Het resultaat valt tegen en dus betaalt de patiënt niet. Dit soort zaken gaan vaak gepaard met valse verwachtingen. Mensen denken vaak dat ze korter in de stoel hebben gelegen dan het daadwerkelijk is geweest. Of mensen horen tijdens een controle: “Oei”, en verder niks. Mensen willen graag weten wat er gebeurt. Een voorbeeldje over de verwijzing naar de parodontoloog: “Ik heb nooit gehoord dat ik parodontitis heb”, zegt de klager dan. Of er is een gaatje over het hoofd gezien en nu moet er een wortelkanaalbehandeling gebeuren. “Is dat nou wel nodig?”, vraagt men zich dan af. En sommige mensen voelen zich als een klein kind behandeld.

Erkenning

Wat goed te weten is dat er van de 10 mensen die bij de klachtenfunctionaris komen er 100 zijn die je zelf al oplost en er daaronder nog 1000 mensen zijn die altijd hun mond tegen je houden maar het wel vertellen aan de buren tijdens een feestje. Dit fenomeen heet de klachtenpiramide of -ijsberg.

Wat willen mensen is een snelle oplossing en dat het anderen niet hetzelfde gaat overkomen en vooral willen ze erkenning. Iedereen wil gehoord en gezien worden. De meeste klachten draaien uiteindelijk om die erkenning.

Waarom ligt het zo gevoelig?

Stel…je telefoon wordt door iemand die je vertrouwd gepakt. Hoe voelt dat? Voel je je dan toch wat kwetsbaar. Je krijgt toch wel wat stress. Waarmee kan je de telefoon vergelijken? Je telefoon is een verlengde van je. Je kunt het vergelijken met je gebit. Vertrouwen is niet vanzelfsprekend en ondanks dat iemand vertrouwd is, is het laten zien van je gebit een vorm van overgave.

Eerste hulp bij onvrede

Je houding is van belang, je moet goed luisteren en jezelf kennen. Een klacht kan namelijk heel ongemakkelijk zijn en daardoor schiet je misschien al snel in je nukkigheid. Het kan zijn dat je daardoor een gesloten houding hebt, want je voelt het toch in je ego. Het krijgen van een klacht is nooit fijn. Het kan technisch een 10 zijn maar als het sociaal een 3 is dan krijgt die patiënt geen waardering van jou. Buis- de Vos: “Als je relatie goed is, kan je er een fietsenrek in hangen. Als de relatie slecht is, dan kan je het mooiste stukje architectuur op de slooplijst zetten.” Dus wat is wel de goede houding? Letterlijk en figuurlijk je openstellen.
Daarnaast is je kwetsbaarheid laten zien is ook goed en professioneel. Dus wees nieuwsgierig naar hoe je patiënt dit ziet maar wees ook nieuwsgierig hoe je er zelf instaat en laat dit zien.

Hoe luister je?

Luisteren betekent eigenlijk stil zijn. Dus je laat de ander volledig uitpraten en vervolgens herhaal je de kern en vraag na of je de patiënt goed begrijpt. Pas bij groen licht ga je verder. Vraag bijvoorbeeld: “Wat doet dit met je?”, dus vraag naar gevoelens. Laat emoties ook een plek krijgen in het gesprek. Vraag naar zorgen en naar wensen. Zo krijg je een compleet beeld en voelt de patiënt zich in alle opzichten erkend.

Als laatste tip

Wat is jouw eigen aandeel? Sta daar eens bij stil. Ken jij je eigen grenzen en kan je hierin ook de regie houden? Wanneer zeg je bijvoorbeeld er iets van als je patiënt steeds te laat komt? En schrijf je dit ook op in het dossier? Wat zijn jouw allergieën? Als je dat weet dan kan je er ook beter mee omgaan.

Repareren met goud

Dus omgaan met klachten en met onvrede is een sociale gelegenheid. Vandaar dat de mens altijd eerst bij je zal moeten komen en dan pas het gebit en daarna weer die mens. Weet dat de perfecte behandelrelatie niet bestaat. In Japan hebben ze zelfs kunst gemaakt van de imperfectie. Dat is een gebroken voorwerp zoals vaasje waarbij elke breuk met goud is gerepareerd. Ondanks dat het pijnlijk is, kan het groei en versteviging geven.

Een klacht die je goed oplost, kan juist een patiënt voor het leven opleveren. Wacht dus niet het gesprek met die lastige patiënt af maar ga het gesprek pro-actief aan.

Aranka Buis- de Vos, klachtenfunctionaris ACTA, SBT en Hogeschool Inholland

Verslag door Lieneke Steverink-Jorna, mondhygiënist, van de cursus Conflicten en klachten, door Aranka Buis- de Vos, van ACTA Dental Education

Lees meer over: Communicatie patiënt, Congresverslagen, Kennis
Restauratieve aspecten van gebitsslijtage 440 230

Restauratieve aspecten van gebitsslijtage

De keuze van het restauratieve materiaal hangt af van het mechanisme dat voor slijtage gezorgd heeft. Daarnaast is het bij pathologische schade belangrijk om vooruit te plannen en in te zetten op preventie. Lees het verslag van de lezing van Marco Gresnigt tijdens het NVVRT-congres over materialen voor restauratie, rubberdam en hechting bij gebitsslijtage.

Bij slijtage is het belangrijk om eerst onderscheid te maken tussen pathologische en fysiologische slijtage. Past de aanwezige slijtage bij de leeftijd van de patiënt, dan is het fysiologisch en is er in principe geen behandeling noodzakelijk.

Pathologische slijtage kan door meerdere mechanismen worden veroorzaakt, zelden is er maar één mechanische verantwoordelijk voor de aanwezige slijtage. Er kan sprake zijn van attritie, erosie, en abrasie. Bij erosie in combinatie met bruxisme, is een opbeetplaat aan te raden.

De keuze van het restauratieve materiaal hangt af van het mechanisme dat voor slijtage gezorgd heeft. Daarnaast is het belangrijk om vooruit te plannen en in te zetten op preventie. Preventie kan bestaan uit ph-controle (zuren), het dragen van een nightguard of het toepassen van botox. Daarnaast zijn counseling en monitoring van belang.

Materialen voor restauratie

  • Keramiek = porselein
    Keramiek is onder te verdelen in oxide-keramiek en glaskeramiek.
  • Polycrystalline (= zirkonium, oxide-keramiek)
    Dit is veruit het sterkste restauratieve materiaal met een gemiddelde buigsterkte van 1050 Mpa, maar het vertoont een minder voorspelbare adhesieve hechting op langere termijn. Zirkoniumdioxide restauraties hebben macro-mechanische retentie nodig, wat tegen de filosofie van minimaal invasieve tandheelkunde indruist. Het indicatiegebied voor zirkoniumdioxide restauraties kan bestaan uit volledige omslijpingen (grote oppervlaktes), bruggen, vervanging van bestaande kronen en kronen op implantaten.
  • Glaskeramiek
    Glaskeramiek heeft een lagere buigsterkte dan zirkonium. Onder glaskeramiek vallen lithiumdisilicaat (400 Mpa,), leuciet en veldspaat (150 Mpa), waarbij veldspaat het zwakst is. Glaskeramiek vertoont een (zeer) goede adhesieve hechting op langere termijn. Het indicatiegebied omvat adhesief gecementeerde partiële indirecte restauraties. Glaskeramiek vertoont een hoge overleving, minimale degradatie, een hoge esthetiek en is biocompatibel. Nadelen zijn dat het brozer is, let hierop bij patiënten die bijvoorbeeld nagelbijten. Bruxisten moeten na afloop een nightguard laten vervaardigen, om de geplaatste restauraties te beschermen tegen breuk. De restauraties zijn lastig te repareren bij breuk, het is minder minimaal invasief dan composiet, er zijn meerdere afspraken nodig en het is aanzienlijk duurder voor de patiënt.
  • Composiet
    Composiet valt onder te verdelen in direct en indirect (CAD/CAM vervaardigd), waarbij indirect vervaardigd composiet een stukje sterker is. Composiet vertoont een goede adhesieve hechting op langere termijn, waardoor er minimaal invasief mee gewerkt kan worden. Groot voordeel is dat het gerepareerd kan worden, als er iets afbreekt. Andere voordelen zijn, dat ermee tijdsefficiënt gewerkt kan worden, de kosten zijn relatief laag en de esthetiek is relatief hoog.
    Nadelen zijn dat composiet heeft meer onderhoud nodig omdat de oppervlakte-structuur na verloop van tijd degradeert; deze wordt minder egaal, er vindt plaque accumulatie plaats, en het kan verkleuren, deze dient dan weer hoogglans te worden gepolijst. Dit kan bijvoorbeeld met EVE polisher: eerst de roze en dan de groene. Het materiaal faalt altijd als eerste, niet de hechting.
    In de zijdelingse delen is er tevens sprake van een hogere chipping-rate, in vergelijking met keramiek. Tot slot vertoont het een hogere plaque-retentie en kortere overleving.

Bij minimaal invasieve behandeling moet je adhesief kunnen cementeren! Kies om die reden dus ook nooit voor ”sterke” zirkonium facings, deze vallen er na een tijdje gewoon af omdat deze weinig adhesief zijn, ook al zeggen fabrikanten anders.

Failure van zirkonium facings gaat vaak gepaard met pijnlijke pulpitis-klachten en verdrietige, ontevreden patiënten. Bij glaskeramische facings, zoals lithiumdisilicaat (eMax is een merknaam), wordt de sterkte gevormd door de hechting aan het element.

Etsbrug hoge overlevingstijd, blijft lang zitten!

Rubberdam

Het gebruik van rubberdam bij het werken met adhesieve restauraties is een absolute must. In het verleden werd rubberdam nog weleens achterwege gelaten, maar tegenwoordig heeft het gebruik gelukkig een enorme vlucht genomen.

Uit talloze onderzoeken komt naar voren dat gebruik van rubberdam zorgt voor significant minder materiaalbreuk, betere hechting en een langere levensduur van de restauratie.

Rubberdam houdt niet alleen speeksel tegen, maar voorkomt ook dat de warme vochtige adem van de patiënt de hechtingssterkte negatief beïnvloedt (tot bijna 50% van de hechtingssterkte lever je in wanneer er niet onder rubberdam gewerkt wordt!). Het gebruik van rubberdam kan soms uitdagend zijn bij een subgingivale outline, pas dan diep margin elevation toe. Kies altijd voor de rubberdamklem waarmee je het fijnst werkt, en leg een groot gebied droog om meer overzicht te creëren. Het liefst een heel kwadrant of sextant.

Hechting

Het is belangrijk het glazuur altijd apart te etchen (= gouden standaard), en niet een “all-in-one” product te gebruiken. Oppervlakte verruwing van het glazuur geeft een betere infiltratie en dus een betere hechting. Het is niet mogelijk om bij slijtage-opbouw alleen maar toe te voegen aan het element, het glazuuroppervlak dient vooraf altijd te worden opgeruwd door te zandstralen (air abrasion), of lichtjes te prepareren met een boor, of ultrasoon op te ruwen. De boor heeft hierbij de voorkeur. Daarna kan het element knobbel voor knobbel met composiet worden opgebouwd. Start bij opbouwen posterior boven (3 uur), dan palatinaal van het bovenfront (1.5 uur), dan posterior onder (3 uur), en dan de rest (4 uur).

Het is lastiger om aan dentine te hechten, omdat dentine vocht bevat. Door het gebruik van primer blijft de collageenstructuur omhoog, waarna deze laag volledig wordt geïnfiltreerd met een adhesief. Deze kan het best zachtjes worden uitgeblazen. Bij te hard blazen wordt de laag te dun, en bij te zacht blazen blijft de laag te dik.  Door het dentine direct na het prepareren op deze manier in te pakken, ontstaat er een zeer goede hechtsterkte. Deze techniek wordt IDS genoemd. Na de eerste keer uitharden moet met behulp van glycerine de zuurstofinhibitielaag ook nog volledig worden uitgehard. Bij voorkeur wordt na afloop de bonding van de glazuur outline verwijderd met een polijstboortje. Wanneer > 50% van het oppervlakte van de preparatie in dentine is, dan geeft toepassing van IDS 0 failures op 7-jarige termijn! Partiële indirecte restauraties hebben dezelfde invasiviteit als directe restauraties.

Hechting composiet aan composiet

Het is goed mogelijk om nieuw composiet aan oud composiet te hechten. Hiervoor dient het oppervlakte van het oude composiet vooraf behandeld te worden, voorheen werd dit gedaan met Cojet-zand, maar dit is sinds kort niet meer verkrijgbaar. Het kan nu met een silica-coating van 30 nMu, zoals Siljet, of Co-sil abrasive van Aquacare (géén aluminium). Dit wordt kort, zacht en van een afstandje erop gestraald. De silica blijft als laagje achter op het oude composiet waaraan kan worden gehecht met silaan (silaniseren). Het gebruik van puimsteen is een alternatief.

Hechting op deze manier van oud composiet aan nieuw composiet is heel goed, dus bij een preparatie hoeft niet al het oude composiet weg te worden gehaald! Je kan er gewoon aan vast hechten!

Na het etsen van een indirecte restauratie met gele ets, dient met fosforzuur of een gedemineraliseerd waterbadje de witte matte laag aan de binnenzijde weer verwijderd te worden. Vervolgens wordt de binnenzijde gesilaniseerd met 1 laagje silaan (vervliegt snel!).  Dan volgt het adhesief en dan volgt plaatsing. Check ook altijd de voorschriften van de fabrikant.

Bij een breuk ín het composiet, wordt er eerst gezanstraald en dan silaniseren, en dan bonden.

Marco Gresnigt is in 2005 cum laude afgestudeerd aan de Rijksuniversiteit
Groningen. In januari 2012 is hij gepromoveerd op de adhesieve bevestiging van facings. Hij is werkzaam op het centrum voor bijzondere tandheelkunde in het Martini Ziekenhuis Groningen waar hij restauratieve en esthetische behandelingen uitvoert met behulp van een operatiemicroscoop. Op de universiteit van Groningen is hij het hoofd van de restauratieve tandheelkunde en biomaterialen, verricht onderzoek op het gebied van de restauratieve/adhesieve tandheelkunde en doceert hij de esthetische en reconstructieve tandheelkunde op kliniek. Hij heeft meerdere promovendi en publiceert in internationale tijdschriften (>40 peer reviewed artikelen) met name op het gebied van de adhesieverestauratieve tandheelkunde. Hij geeft zowel nationaal als internationaal lezingen en cursussen op het gebied van esthetische en adhesieve tandheelkunde via www.summitdentistry.nl Hij heeft meerdere prijzen gewonnen zoals de GC world clinical case award, Smile award, EAED innovationaward en verschillende wetenschappelijke prijzen. Hij was voorzitter van de internationale Bio-Emulation groep en is global ambasadeur van SlowDentistry.

Verslag door Jacolien Wismeijer, tandarts, voor dentalinfo.nl van de lezing van Marco Gresnigt tijdens het NVVRT-congres Be aWEAR.

 

 

 

 

 

 

 

Lees meer over: Congresverslagen, Restauratie, Thema A-Z
Naoberschap in de mondzorg Multidisciplinaire behandeling bij kinderen

Naoberschap in de mondzorg: Multidisciplinaire behandeling bij kinderen

De term ‘naoberschap’ is diepgeworteld in de regio’s Achterhoek, Salland en Twente. Het verwijst naar de traditie waarin buren elkaar helpen, een principe dat ook in de mondzorg van onschatbare waarde is. Samenwerking binnen de tandheelkunde leidt tot betere zorg en innovatieve oplossingen voor complexe vraagstukken.

Van tandheelkundige bus tot orthodontie

Wie herinnert zich nog de dag van z’n afstuderen? De sprong van de studie naar de praktijk brengt een mix van enthousiasme en nieuwsgierigheid: hoe zal de tandheelkunde zich verder ontwikkelen? Erik Reukers begon zijn carrière in een schooltandartsbus, werkte vervolgens in Duitsland – waar kroon- en brugwerk de standaard was – en vestigde zich uiteindelijk in de Achterhoek. Hier maakte hij de transitie van amalgaam en protheses naar implantologie en orthodontie, altijd met het doel om geïntegreerde zorg te leveren.

Door de jaren heen heeft hij drie belangrijke lessen geleerd:

  1. Samenwerking is essentieel
    Naoberschap binnen de tandheelkunde zorgt ervoor dat we verder komen.
  2. Alles wat we maken, gaat ooit stuk
    Dit besef helpt om realistische verwachtingen te scheppen.
  3. Niet elk probleem is volledig oplosbaar
    We hebben een inspanningsverplichting, geen resultaatverplichting. Onze taak is om ons uiterste best te doen, ook bij complexe patiënten, en zorg te bieden die toekomstbestendig is.

Kinderen met ontbrekende elementen

Een van de uitdagingen in de praktijk is het behandelen van kinderen met ontbrekende gebitselementen. Dit kan veroorzaakt worden door trauma, extracties of agenesie – en soms een combinatie van deze factoren. Het is nooit slechts één aspect dat aandacht vraagt; een brede, multidisciplinaire benadering is cruciaal.

Bij de behandeling van deze patiënten worden drie belangrijke doelen nagestreefd:

  1. Een functioneel gezond gebit
  2. Een esthetisch verantwoord resultaat, zonder de patiënt onze tandheelkundige norm op te leggen
  3. Minimale afhankelijkheid van prothetische oplossingen

Van etsbrug naar autotransplantaat

Veertig jaar geleden vond de spreker zich met de tandartsbus op een schoolplein, waar paniek uitbrak nadat een kind was gevallen en een voortand (21) verloren had. Destijds was een etsbrug de beste oplossing. Maar hoe kijken we daar nu tegenaan?

Een casus werd besproken waarin een zesjarig kind beide centrale bovenincisieven (11 en 21) had geavulseerd. Hoewel de 11 behouden bleef na re-implantatie, bleek de 21 uiteindelijk op 11-jarige leeftijd niet houdbaar. De patiënt ontwikkelde een klasse 2 malocclusie, een diepe beet en een mediaanverschuiving – een orthodontisch probleem dat meer vereiste dan alleen een tandvervanging. Het behandelplan moest zorgvuldig worden opgesteld, rekening houdend met groei en wisseling.

De grenzen van implantologie

Implantaten worden vaak gezien als de ‘heilige graal’ in de tandvervanging, maar is dat terecht? Hoewel implantaten een permanente oplossing lijken, brengen ze uitdagingen met zich mee:

  • Ze vereisen voldoende bot of vergen extra botopbouw.
  • Osseo-integratie is een vereiste, wat betekent dat het implantaat niet kan meegroeien met de verticale ontwikkeling van de kaken
  • Interdentale papillen ontbreken vaak, wat esthetische beperkingen geeft.
  • De lange termijn prognose van implantaten wordt steeds meer naar beneden bijgesteld.

Autotransplantatie als alternatief

Idealiter zou een oplossing biologisch zijn, een natuurlijk parodontium behouden, orthodontische beweging toestaan en meegroeien met de patiënt. Dit brengt ons bij autotransplantatie, een techniek met een uitstekende prognose. Bij een vitale transplantatie is het succespercentage maar liefst 96%, waardoor het als een soort ‘kinderimplantaat’ beschouwd kan worden.

Bij de behandelingsplanning worden visuele hulpmiddelen ingezet en interdisciplinaire samenwerking is cruciaal. In deze casus werd besloten om de 25 te transplanteren naar de positie van de 21 (parodontoloog), waarna de restauratief tandarts betrokken de premolaar omvormt tot een centrale incisief. Orthodontische behandeling sloot de diastemen en zorgde voor een harmonieus eindresultaat.

Belangrijke aandachtspunten bij autotransplantatie:

  • Primaire stabiliteit
    een transplantaat is geen implantaat. Daar waar een implantaat goed primaire stabiliteit nodig heeft (zo klein mogelijk gat in het bot) moet een transplantaat, om ankylose te voorkomen, een zo groot mogelijk gat hebben zodat het parodontaal ligament niet in contact komt met het bot.
  • Opbouw processus alveolaris
    Het parodontaal ligament van het transplantaat vormt zijn eigen processus alveolaris waardoor verloren gegaan bot kan worden geregenereerd
  • Vitaliteit en obliteratie
    Een succesvol transplantaat toont obliteratie van de pulpa als teken van vitaliteit.

Na afloop van de behandeling was de beet correct hersteld en kon een spalk worden geplaatst. De patiënt hoeft nu slechts periodiek composietvervanging te ondergaan. Dit illustreert hoe autotransplantatie de restauratieve cyclus aanzienlijk kan beperken en duurzame oplossingen biedt.

Interdisciplinaire samenwerking: De sleutel tot succes

Tijdens de lezing werden meer casussen met indrukwekkende foto’s besproken, om het belang van interdisciplinaire samenwerking bij autotransplantatie te benadrukken. Het doel is daarbij om de jonge patiënt met een gemutileerd gebit zo veel mogelijk uit de restauratieve cyclus te houden door slim te plannen en optimaal gebruik te maken van elkaars mogelijkheden. Dergelijke behandelingen vergen intensief overleg tussen specialisten – vaak buiten reguliere werktijden, met live periodieke besprekingen en digitale communicatie.

Hoewel deze samenwerking tijd en energie kost, is het een investering die zichzelf terugbetaalt. Er bestaan geen ‘kookboeken’ voor complexe tandheelkundige vraagstukken; vooruitdenken en anticiperen zijn essentieel. Zoals bij een dominospel moet je vooraf weten welke richting je op gaat, want een verkeerde beslissing kan een nadelige kettingreactie veroorzaken.

Door samen te werken en kennis te delen, maken we de beste tandheelkundige zorg mogelijk – precies zoals het principe van naoberschap ons leert.

Dr. Erik Reukers studeerde in 1985 af als tandarts aan de Radboud Universiteit in Nijmegen, waarna hij aan de slag ging als algemeen tandarts. Na het voeren van een algemene praktijk specialiseerde hij zich in 1995 tot orthodontist. In 1997 promoveerde Erik met zijn onderzoek over verschillende soorten vaste beugels. Momenteel is hij werkzaam als orthodontist bij Kindt en Reukers Orthodontisten. Daarnaast is hij lid van meerdere tandheelkundige organisaties en is hij examinator voor de Specialisten Registratiecommissie. Vanwege zijn interesse in de invloed van sport op het gebit is hij lid van de Academy for Sports Dentistry (ASD). Bovendien is hij werkzaam als sporttandarts bij het Nederlands Centrum voor Sporttandheelkunde (NCST). Erik deelt regelmatig zijn expertise tijdens (inter)nationale lezingen over sporttandheelkunde en specifieke orthodontische problemen. Als orthodontist behandelt hij vaak kinderen en volwassenen die tanden hebben verloren als gevolg van sportgerelateerde trauma’s. Erik heeft dan ook veel kennis over en ervaring met de behandeling van dento-alveolair trauma bij sporters.

 

Verslag door Lieneke Steverink-Jorna, mondhygiënist, voor dentalinfo.nl de lezing van dr. Erik Reukers tijdens het NVvK & VMBZ Voorjaarscongres

Lees meer over: Congresverslagen, Kindertandheelkunde, Thema A-Z
Wetenschappelijk vragenlijstonderzoek psychometrische analyse en toepassing in de mondzorgpraktijk. Yvonne Buunk-Werkhoven licht het nader toe

Wetenschappelijk vragenlijstonderzoek: psychometrische analyse en toepassing in de mondzorgpraktijk. Yvonne Buunk-Werkhoven licht het nader toe

Dr. Yvonne Buunk-Werkhoven verkent In haar onderzoekswerk vaak het snijvlak tussen sociale psychologie en mondhygiëne, om sociaal psychologische theorieën toe te passen op het gebied van “promotie van mondgezondheid en preventie van mondziekten”. Zij ontwikkelde een vragenlijst waarbij zowel evidence-based als praktijkgerichte benadering zijn geïntegreerd. Dit verbindt zo de theorie met wat echt nodig is in de dagelijkse patiëntenzorg.

Ruim een kwart eeuw houdt dr. Yvonne Buunk-Werkhoven, gedragswetenschapper, psycholoog en mondhygiënist, zich bezig met toegepast wetenschappelijk onderzoek en richt zij zich op het bevorderen van mondgezondheid, gedragsverandering binnen het mondzorg werkveld in mondhygiënepraktijken en het begrijpen van mondproblemen. In haar fundamenteel en praktijkgerichte onderzoekswerk verkent zij vaak het snijvlak tussen sociale psychologie en mondhygiëne, op zoek naar manieren om sociaal psychologische theorieën toe te passen op klinische uitdagingen op het gebied van “promotie van mondgezondheid en preventie van mondziekten.” In dit vakgebied is de belangrijkste taak, die veelal moeilijk te verwezenlijken valt, het afstemmen van psychologische meetinstrumenten op de klinische praktijk. In de gedragswetenschappen vertrouwen we vaak op vragenlijsten en modellen, maar het toepassen van deze bevindingen in de kliniek is niet altijd eenvoudig. Een echte doorbraak komt wanneer we erin slagen om zowel evidence-based als praktijkgerichte benaderingen te integreren, en zo de theorie te verbinden met wat er echt nodig is in de dagelijkse patiëntenzorg. Hierbij schuilt de innovatie in dat dubbele perspectief: wetenschappelijke nauwkeurigheid gecombineerd met praktische relevantie.

 Yvonne ontwikkelt een betrouwbare en gevalideerde vragenlijst, de MondiX®, waarbij zowel evidence-based als praktijkgerichte benadering zijn geïntegreerd. Dit verbindt zo de theorie met wat echt nodig is in de dagelijkse patiëntenzorg. In dit artikel geeft zij een toelichting op een nieuwe schaal in deze vragenlijst.

 “A Two-Dimensional Scale for Oral Discomfort”

door Yvonne A. B. Buunk-Werkhoven, Dick P. H. Barelds, Arie Dijkstra, Abraham P. Buunk
Int. J. Environ. Res. Public Health 2025, 22(3), 415

FOTO – cover doctoraalscriptie 2005.

Van (praktiserend) mondhygiënist tot (toegepaste) gedragswetenschapper

Aanvankelijk werkte Yvonne als mondhygiënist in de algemene en parodontologie praktijk. Later maakte ze de overstap naar de sociale psychologie en werkte ze als hogeschoolhoofddocent binnen de gezamenlijke opleiding Tandheelkunde en Mondzorgkunde. “Ten tijde van mijn eind-doctoraalfase inspireerde deze combinatie van achtergronden me om beter te begrijpen hoe mensen mondhygiënegewoonten aannemen en behouden. Het veranderen van gezondheidsgedrag is zeer persoonlijk en wordt beïnvloed door vele contextuele factoren: cultuur, omgeving en individuele verschillen. Zelf word ik (persoonlijk en in mijn huidige functie als Associate Professor) vooral gemotiveerd door de noodzaak om interventies af te stemmen op specifieke doelgroepen, rekening houdend met hun unieke omstandigheden. Voor mij is mondgezondheid een essentieel onderdeel van de algemene gezondheid en het sociale welzijn.”

(Toegepast) wetenschappelijk vragenlijstonderzoek

In het begin van het millennium, tijdens mijn onderzoeksstage in een forensisch-psychiatrische zorgorganisatie in Groningen, werkte ik aan de vertaling, uitwerking van meetinstrumenten, de samenstelling van vragenlijsten en participeerde ik binnen andere (onderzoeks)activiteiten. Binnen dit afstudeerproject (onderzoek, doctoraalscriptie en publicatie in GGZ-Wetenschappelijk) werd ik voor het eerst geconfronteerd met bias; vertekeningen die tot gevolg kunnen hebben dat onderzoeksuitkomsten geen goede afspiegeling zijn van de werkelijkheid en dat ze daarmee hun nut en meerwaarde verliezen in de praktijk.

De Twee-Dimensionele Schaal voor Oral Discomfort

Binnen de mondzorg is subjectief lijden als gevolg van orale ziekten en aandoeningen geconceptualiseerd en geduid als mondgezondheidsgerelateerde kwaliteit van leven (OHQoL), en wordt dit concept vaak beoordeeld met een multidimensionale versie van het Oral Health Impact Profile (OHIP) meetinstrument. Na een 20 jarige ‘haat-liefde verhouding’ tot dit concept en deze schaal binnen internationaal wetenschappelijk tandheelkundig en mondzorgonderzoek, hebben we in een recente studie een secundaire analyse uitgevoerd van een Nederlandstalige vertaalde versie van de originele OHIP-14 in verschillende steekproeven van ongeveer 1000 deelnemers uit diverse contexten (in Nederland, het Caribisch gebied en Nepal). Ook zijn de dimensionale structuur en betrouwbaarheid van de schalen die uit deze analyses voortkwamen, onderzocht. Op basis van een aantal geavanceerde factoranalyses (CFA’s en SCA) van de OHIP-14-schaal, waarbij verschillende modellen met verschillende aantallen factoren werden getest, waren de verschillende modellen acceptabel, maar een oplossing met twee factoren, bestaande uit psychologisch en fysiek ongemak (Psychological and Physical Discomfort), was het meest bevredigend in alle drie de steekproeven. Daarnaast was een oplossing met één factor, oraal ongemak (Oral Discomfort) ook acceptabel. Dit betekent dat in plaats van een groot aantal dimensies met elk slechts enkele items te gebruiken, zoals vaak gebeurt, het dus het meest adequaat en haalbaar is, om niet meer dan twee schalen te gebruiken, namelijk psychologisch ongemak en fysiek ongemak, met in totaal elf items. Deze subschalen van respectievelijk zes en vijf items zijn niet alleen statistisch, maar ook theoretisch het meest adequaat. Bovendien zijn alle items samen, namelijk oraal ongemak als een eendimensionale schaal, nuttig en gemakkelijk toepasbaar in de praktijk. Eén recensent merkte zelfs op dat ons onderzoek een potentiële impact zou kunnen hebben op de tandheelkundige en mondzorgpraktijk.

Voorbeeld en toelichting op een vragenlijst

Deze gestructureerde vragenlijst, welke is toegepast in onderzoek van Burrekers en Buunk-Werkhoven (2025) is deels ontleend aan eerdere gebruikte vragenlijsten en/of gebaseerd op een conceptversie van de MondiX®, die onder andere subjectief mondongemak (Buunk-Werkhoven et al., 2025), de wereldwijd gevalideerde OHB-index en diverse andere meetinstrumenten omvat (Buunk-Werkhoven et al., 2009; 2011; 2012). Naast een aantal demografische vragen is de subjectieve perceptie van de gezondheid en mondgezondheid gemeten met een ‘Ladder Scale’ (Cantrill, 1965). Ervaren ongemak betreffende mond en/of gebit kan worden gemeten met de Oral Discomfort (OD) schaal, bestaande uit 11 vragen verdeeld in twee subschalen: fysiek en psychologisch ongemak. De antwoorden werden gescoord op een 5-punts schaal van 0 = nooit; 1 = soms; 2 = regelmatig; 3 = vaak tot 4 = heel vaak.  Een hoge totaalscore (0 tot 44) geeft meer ongemak door mond- of gebitsproblemen aan. De zelfzorg voor mondhygiëne (mondverzorging als gedrag) kan worden gemeten met OHB-index, die een indicatie van optimale mondzorgverzorging volgens professionele standaarden aangeeft, zowel op individueel niveau als in groepen (bijvoorbeeld een patiëntenpopulatie) is toe te passen, en uit 8 items over tandenpoetsen (frequentie, krachtmeting, tandenpoetstijd in minuten, diverse tandenpoets-methoden), interdentaal reinigen en tongpoetsen bestaat. De totale OHB-score varieert van 0 tot 16, waarbij een hoge score op een beter, meer optimale mondhygiënegedrag wijst.

Download de gestructureerde vragenlijst

Door:
Yvonne Buunk-Werkhoven, Associate Professor (gedragswetenschapper, psycholoog en mondhygiënist) remote werkzaam aan de Medische faculteit van het Kauno kolegija in Litouwen.

Geïnteresseerden kunnen voor de toepassing van en/of vragen over onderstaande vragenlijst, inclusief codering en/of interpretaties van de uitkomsten, de auteur per mail benaderen: yvonne.werkhoven@go.kauko.lt

 

Lees ook het bericht:

Praktijkstudie: Hoe ervaren patiënten hun algemene- en mondgezondheid?

En het eerder geplaatste bericht: Wetenschappelijk onderzoek in het buitenland: Yvonne Buunk-Werkhoven vertelt over haar ervaringen

 

 

 

 

 

 

Lees meer over: Onderzoek, Thema A-Z