Duimen of een speen? Een mondgewoonte met diepe evolutionaire wortels

Fopspeen

Vrijwel iedere mondzorgverlener krijgt vroeg of laat de vraag: “Wat is beter: een speen of een duim?” Meestal verschuift het gesprek al snel naar de gevolgen voor de occlusie, het gehemelte of de spraakontwikkeling. Toch begint het verhaal veel eerder. Duimen en zuigen zijn geen aangeleerde gewoonten, maar behoren tot de oudste gedragingen van de mens. Sterker nog: ze ontstaan al vóór de geboorte.

Wanneer we zuiggedrag uitsluitend beschouwen als een schadelijke gewoonte voor het gebit, doen we tekort aan de biologische en psychologische functie ervan. Tegelijkertijd weten we dat langdurig niet-voedend zuigen de ontwikkeling negatief kan beïnvloeden. Zo kan het consequenties hebben op het gebit maar het kan ook ziekte veroorzaken door mondademhaling, slechte slaap en zuurstof tekort voor de hersenen. De uitdaging voor mondzorgprofessionals is daarom niet alleen om de gewoonte te beëindigen, maar vooral om te begrijpen waarom een kind blijft zuigen.

Duimen begint al in de baarmoeder

Met moderne echografie is al tientallen jaren zichtbaar dat foetussen vanaf ongeveer 13-16 weken zwangerschap zuig- en slikbewegingen maken. Rond de vijftiende zwangerschapsweek worden deze bewegingen steeds beter gecoördineerd. Sommige baby’s worden zelfs geboren met kleine zuigblaasjes op de duim of vingers als gevolg van intensief zuigen in utero.
Deze vroege activiteit is geen toeval. Zuigen vormt een essentieel onderdeel van de neurologische ontwikkeling en bereidt het kind voor op drinken, slikken, ademhalen en zelfregulatie na de geboorte. Bij prematuur geboren kinderen wordt de kwaliteit van het niet-voedende zuigen (non-nutritive sucking; NNS) zelfs gebruikt als indicator voor de rijping van het centrale zenuwstelsel.

Niet alleen mensen duimen

Ook bij chimpansees, bonobo’s, gorilla’s en orang-oetans wordt duim- en vingerzuigen waargenomen. Bij jonge mensapen vervult dit dezelfde functie als bij menselijke baby’s: troost, ontspanning en ondersteuning van de neurologische ontwikkeling.

Een opvallend verschil is echter dat deze gewoonte bij mensapen vrijwel altijd spontaan verdwijnt wanneer de dieren volledig overgaan op vaste voeding en onafhankelijk worden van de moeder. Bij mensen ligt dit anders. Onze uitzonderlijk lange kindertijd, de grote hersenontwikkeling na de geboorte en de complexe sociale omgeving zorgen ervoor dat niet-voedend zuigen soms jarenlang kan blijven bestaan.

Dit betekent overigens niet dat langdurig duimen “onnatuurlijk” is; het betekent vooral dat de menselijke ontwikkeling veel langer afhankelijk blijft van sociale en emotionele factoren.

De natuurlijke zuigbehoefte neemt af

Baby’s beschikken bij de geboorte over krachtige zoek- en zuigreflexen. De zoekreflex verdwijnt doorgaans rond zeven maanden, terwijl de primaire zuigreflex geleidelijk plaatsmaakt voor een willekeurig aangestuurd zuigpatroon gedurende het eerste levensjaar. Rond de leeftijd van ongeveer negen maanden neemt de aangeboren behoefte aan niet-voedend zuigen bij de meeste kinderen duidelijk af, hoewel individuele verschillen groot zijn. Ook dit moment valt samen met het aanbieden van vaste voeding zoals we bij de apen al zagen.Vanaf dat moment wordt zuigen steeds minder een reflex en steeds meer een strategie om spanning, vermoeidheid of emoties te reguleren.

Waarom werkt zuigen zo kalmerend?

Niet-voedend zuigen activeert verschillende neurologische systemen.

Onderzoek laat zien dat zuigen:

  • de hartslag verlaagt;
  • stressreacties vermindert;
  • pijn dempt;
  • de vagale activiteit verhoogt;
  • de overgang tussen waak- en slaaptoestand ondersteunt.

Bij prematuur geboren kinderen verbetert niet-voedend zuigen bovendien de coördinatie tussen zuigen, slikken en ademhalen.

Vanuit neurobiologisch perspectief is het daarom logisch dat een vermoeid, gespannen of overprikkeld kind zijn duim zoekt.

Wanneer werd de fopspeen geïntroduceerd?

De fopspeen is in de loop der eeuwen geëvolueerd van eenvoudige, soms onhygiënische lapjes stof tot de veilig en ergonomisch ontworpen exemplaren van vandaag. De voornaamste reden voor het uitvinden en gebruiken van een fopspeen was en is nog altijd het kalmeren van baby’s door het stillen van hun natuurlijke zuigbehoefte, zonder dat ze daarvoor voeding nodig hebben. Historisch gezien moesten ouders (vaak moeders) zwaar werken op het land of in fabrieken. Een hulpmiddel om de baby stil te houden en af te leiden was noodzakelijk om te kunnen overleven en werken. Vroeger werd er ook op harde voorwerpen gekauwd om de pijn van doorkomende tandjes te verlichten.

Oudheid en middeleeuwen

In de oudheid en middeleeuwen gaven moeders hun baby’s vaak een stukje textiel, zoals een knoop in een doek, om op te zuigen. Om het aantrekkelijker te maken, werd de stof vaak gedoopt in honing of suikerwater (de zogenaamde sugar tits). Soms werden er zelfs stukjes zoethout of in honing gedrenkte dierlijke huidjes gebruikt. Dit was echter verre van hygiënisch.

Fopspeen uit rubber

Met de uitvinding van gevulkaniseerd rubber in de 19e eeuw kwam er een revolutie in babyartikelen. In 1901 werd de eerste moderne fopspeen gepatenteerd. Deze bestond uit een rubberen speen bevestigd aan een schildje of knoop. Het nadeel van deze vroege exemplaren was dat ze vaak uit één stuk massief rubber bestonden en de ontwikkeling van het gehemelte en de kaak konden belemmeren.

Doorbraak

De echte doorbraak naar de fopspeen zoals wij die kennen, vond plaats in Duitsland in 1949. Twee artsen, tandarts Wilhelm Balters en kinderarts Adolf Müller, ontwikkelden toen een fopspeen met een schuine, platte bovenkant en een holle onderkant. Deze vorm volgde de anatomie van de moedersborst tijdens het zogen. Hierdoor werd de zuigbehoefte op een gezonde en hygiënische manier vervuld en stond de natuurlijke groei van de tanden en kaak minder in de weg.

Tegenwoordig

Tegenwoordig worden spenen gemaakt van hoogwaardige materialen zoals siliconen (vaak doorzichtig, slijtvast) of natuurrubber/latex (flexibel, zachter). Ze zijn verkrijgbaar in verschillende maten die aansluiten op de leeftijd en de ontwikkeling van de kaak.

Speengebruik beschermt tegen wiegendood

Een van de sterkst onderbouwde voordelen van speengebruik betreft de bescherming tegen Sudden Infant Death Syndrome (SIDS).

Meerdere grote case-controlstudies en twee meta-analyses laten zien dat een speen tijdens slaap het risico op wiegendood met ongeveer 50-90% vermindert. Daarom adviseert de American Academy of Pediatrics ouders om vanaf het moment dat de borstvoeding goed verloopt een speen aan te bieden tijdens slaapmomenten.

De precieze verklaring is nog niet definitief vastgesteld. Mogelijke mechanismen zijn:

  • gemakkelijker ontwaken uit diepe slaap;
  • betere openhouding van de bovenste luchtweg;
  • gunstige invloed op de autonome regulatie.

Voor duimzuigen bestaat veel minder bewijs. Slechts twee onderzoeken hebben dit bestudeerd, met tegenstrijdige resultaten. Daarom kan momenteel niet worden geconcludeerd dat duimzuigen dezelfde beschermende werking heeft als een speen.

Wanneer wordt zuigen emotieregulatie?

Na het eerste levensjaar verandert de functie van zuigen geleidelijk.
Waar de aangeboren zuigreflex afneemt, blijft het gedrag bestaan omdat het spanning vermindert. Vanuit de ontwikkelingspsychologie wordt dit gezien als een vorm van zelfregulatie.

Het is vergelijkbaar met:

  • wiegen;
  • friemelen;
  • haren draaien;
  • nagelbijten.

Al deze gedragingen helpen het autonome zenuwstelsel terug te keren naar een toestand van rust.

Daarmee is langdurig duimen niet per definitie een gedragsprobleem. Vaak is het een signaal dat het kind nog behoefte heeft aan een effectieve manier om zichzelf te kalmeren.

Welke rol speelt de emotionele beschikbaarheid van ouders?

Hier ontstaat een belangrijk onderscheid tussen populaire aannames en wetenschappelijk bewijs.

Binnen de hechtingstheorie is veel onderzoek gedaan naar de invloed van sensitief ouderschap op emotieregulatie. Kinderen met emotioneel beschikbare ouders ontwikkelen gemiddeld sneller zelfstandige regulatievaardigheden.

Voor langdurig duimen of speengebruik is het bewijs echter veel minder sterk.

Onderzoeken laten zien dat:

  • temperament waarschijnlijk een belangrijke rol speelt;
  • sommige kinderen een sterkere aangeboren behoefte aan orale regulatie hebben;
  • stressvolle omstandigheden het zuigen kunnen versterken.

Er is geen overtuigend bewijs dat langdurig duimen rechtstreeks veroorzaakt wordt door een minder beschikbare ouder.

Waarschijnlijk is het samenspel veel complexer, waarbij genetische aanleg, temperament, stress, slaap, prikkelverwerking en opvoedingsstijl elkaar beïnvloeden.

Neurodiversiteit

Bij kinderen met autisme, ADHD, verstandelijke beperkingen en sensorische verwerkingsproblemen worden orale zelfstimulerende gedragingen vaker gezien.

Dat betekent niet dat elk langdurig duimend kind neurodivers is.

Wel lijken sommige neurodivergente kinderen langer behoefte te houden aan proprioceptieve en orale prikkels. In de ergotherapie worden daarom regelmatig kauwmaterialen (“chewelry”), siliconen kauwsieraden of ander veilig kauwmateriaal ingezet als alternatief voor vingers of kleding.

Opvallend genoeg is hiernaar nog relatief weinig hoogwaardig onderzoek verricht. De meeste aanbevelingen zijn gebaseerd op klinische ervaring.

Problemen met de speen of duim door verkorte tongriem of strak frenulum

Baby’s en dreumesen met een verkorte tongriem (ankyloglossie) of een kort lipbandje lopen bij spenen of duimen vaak tegen specifieke anatomische problemen op. De beperkte beweeglijkheid van de tong en de lippen beïnvloedt namelijk de manier waarop zij zuigen.
Dit uit zich in de praktijk op de volgende manieren:

Een baby heeft de tong en de lippen nodig om een vacuüm te creëren. Bij een orale restrictie (zoals een strakke riem of band) is dit erg lastig.

  • De speen valt constant uit de mond: Omdat de tong niet goed omhoog kan liften om de speen tegen het gehemelte te drukken, verliest de baby snel de grip.
  • Klemmen in plaats van zuigen: Om de speen toch binnen te houden, gaan deze baby’s vaak met hun kaken klemmen of bijten. Dit kan leiden tot vermoeidheid in de kaakspieren.
  • Smakkend geluid: Je hoort vaak een typisch ‘klakkend’ of smakkend geluid omdat het vacuüm telkens wordt verbroken.
  • Weigering: Veel van deze baby’s weigeren de fopspeen uiteindelijk volledig, omdat het hen simpelweg te veel moeite kost.

Opvallend is dat baby’s met een verkorte tongriem of een strak lipbandje vaker de voorkeur geven aan duim- of vingerzuigen boven een fopspeen.

  • Mechanisch voordeel: Een duim of vinger is groter en vult de mondholte beter op.
  • Minder vacuüm nodig: De baby hoeft minder hard te werken om een vacuüm te creëren; de duim kan mechanisch met de hand op zijn plek worden gehouden, wat veel minder vermoeiend is voor de tong- en lipspieren.

Is tandenknarsen eigenlijk een volwassen variant?

Dit is een fascinerende vraag waarop nog geen definitief antwoord bestaat.

Bruxisme wordt beïnvloed door:

  • stress;
  • slaapregulatie;
  • centrale neurologische processen;
  • genetische factoren.

Oppervlakkig lijken duimen en knarsen verschillende gedragingen.

Toch delen beide mogelijk een aantal kenmerken:

  • orale sensorische input;
  • vermindering van spanning;
  • activatie van kauwspieren;
  • regulatie van het autonome zenuwstelsel;
  • het halen uit een ademstop zoals bij apneu, wat doet denken aan bescherming van wiegendood.

Op dit moment bestaat er echter geen wetenschappelijk bewijs dat volwassen bruxisme rechtstreeks voortkomt uit vroegere duim- of speengewoonten. Dit vormt juist een interessante hypothese voor toekomstig onderzoek.

Trauma en langdurig duimen

Soms wordt de vraag gesteld of langdurig duimen kan wijzen op mishandeling of seksueel misbruik.

Daar moet uiterst voorzichtig mee worden omgegaan.

Kinderen die ernstige traumatische ervaringen meemaken, kunnen regressief gedrag vertonen, waaronder:

  • bedplassen;
  • regressie in taal;
  • opnieuw willen drinken uit een fles;
  • toenemend duimen.

Maar langdurig duimen is geen specifieke indicator voor trauma of seksueel misbruik. De overgrote meerderheid van de kinderen die langdurig duimen heeft géén traumatische achtergrond.

Wel is het voorstelbaar dat kinderen die chronisch onder stress staan of weinig troost ervaren langer afhankelijk blijven van zelfregulerend gedrag. Tot op heden ontbreekt echter degelijk longitudinaal onderzoek dat dit overtuigend aantoont.

Wat kan een mondzorgverlener adviseren?

Wanneer een kind na de peuterleeftijd blijft duimen of intensief een speen gebruikt, is het zinvol niet alleen naar het gebit te kijken, maar ook naar de functie van het gedrag.

Vragen die kunnen helpen

  • Wanneer duimt het kind?
  • Alleen bij het slapen?
  • Bij spanning?
  • Tijdens overprikkeling?
  • Bij verveling?

Mogelijke alternatieven

  • extra lichamelijke nabijheid;
  • voorspelbare slaaprituelen;
  • knuffels of verzwaringsmaterialen;
  • veilige kauwproducten wanneer er duidelijk behoefte bestaat aan orale sensorische input;
  • begeleiding door een kinderergotherapeut of psycholoog wanneer de gewoonte onderdeel lijkt van bredere regulatieproblemen.

Kennislacunes

Ondanks tientallen jaren onderzoek weten we verrassend weinig over de psychologische betekenis van langdurig duimen.

Belangrijke onderzoeksvragen

  • Welke rol speelt temperament?
  • Welke rol speelt hechting werkelijk?
  • Zijn er verschillen tussen neurotypische en neurodivergente kinderen?
  • Kan langdurig duimen later samenhangen met bruxisme of andere orale parafuncties?
  • Welke alternatieve vormen van sensorische regulatie zijn effectief?
  • Welke kinderen stoppen spontaan en welke niet?
  • Welke rol spelen chronische stress en adverse childhood experiences (ACE’s)?

Conclusie

Duimen en speengebruik zijn geen afwijkingen, maar behoren tot de normale menselijke ontwikkeling. Het gedrag ontstaat al in de baarmoeder en vervult in de eerste levensmaanden een belangrijke neurologische, fysiologische en emotionele functie. Rond negen maanden neemt de aangeboren zuigbehoefte af, waarna het gedrag vooral een middel wordt voor zelfregulatie.

Voor mondzorgverleners ligt de uitdaging daarom niet uitsluitend in het beëindigen van de gewoonte, maar in het begrijpen van de functie ervan. Alleen dan kan begeleiding zowel de mondgezondheid als het welzijn van het kind ondersteunen.

Door: Lieneke Steverink-Jorna, mondhygiënist. Artikel op basis van onderstaande literatuur.

Selectie van belangrijke literatuur

American Academy of Pediatrics. Evidence Base for 2022 Updated Recommendations for a Safe Infant Sleeping Environment to Reduce the Risk of Sleep-Related Infant Deaths. (American Academy of Pediatrics)
American Academy of Pediatrics. SIDS and Other Sleep-Related Infant Deaths: Evidence Base for 2016 Updated Recommendations. (American Academy of Pediatrics)
Nelson AM. The Pacifier Debate. Early Human Development (2009). (ScienceDirect)
Popowicz H, et al. Non-Nutritive Sucking (NNS): Multifaceted Benefits and Limitations. Systematic Review (2026). (Wiley Online Library)
Salone LR et al. Suckling and Non-Nutritive Sucking Habit: What Should We Know? 2013. (PMC)
Cochrane Oral Health Group. Interventions for stopping dummy or finger or thumb sucking habits in children. (Cochrane)

 

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief

Selecteer lijst(en):
Wat is je functie? 

Lees meer over: Kindertandheelkunde, Thema A-Z