Fluorideren in 2027: van routine naar behandelstap

Preventief fluorideren is in sommige praktijken nog steeds onderdeel van een vaste routine. De NZa heeft echter de prestaties voor fluoride in lijn gebracht met de KIMO Richtlijn Mondzorg voor Jeugdigen. Dit betekent dat fluorideren vanaf 2027 geen algemene maatregel meer is die je inzet, maar een verrichting die hoort bij een diagnose. Dit houdt niet alleen dat we andere codes moeten gaan gebruiken, maar het vraagt ook heel wat van onze verslaglegging.

Wat gebeurt er met M40 per 1 januari 2027? Begin september legde ik die vraag voor aan collega’s in een quiz over de Richtlijn Mondzorg voor Jeugdigen. Van de 128 tandartsen en mondhygiënisten die meededen, dacht meer dan de helft (56%) dat de nieuwe code V60 gewoon de vervanger is van M40. Slechts 13% had het goed. Op de vraag wanneer, hoe vaak en op welke manier je fluoridevernis toepast, gaf maar 6% de juiste combinatie.

Preventief twee keer per jaar de kinderen fluorideren waarbij je denkt dat dit zinvol is, kan per 2027 niet meer. De richtlijn zegt dit overigens al sinds 2020.

Wat er verandert er in de codes

Code M40, de preventieve fluoridebehandeling per kaak, verdwijnt. Daarvoor in de plaats komen twee codes in het V-hoofdstuk. V60 is een fluorideapplicatie met vernis (≥ 20.000 ppm, of 38% SDF) bij beginnende cariës, per element, per kalenderjaar. Het is uitdrukkelijk niet bedoeld voor preventie. In de richtlijn staat dat je het vier keer per kalenderjaar kunt aanbrengen op indicatie, maar de NZA-code staat maar één keer toe. Het slicen van een element (M05) is ook verhuisd. Dat is nu code V65. Dat is dezelfde applicatie na het toegankelijk maken van een laesie met de boor. Preventief fluorideren blijft alleen bestaan voor bijzondere zorggroepen, met code U40.

De plek in het V-hoofdstuk is geen toeval. Fluorideren is vanaf 2027 een verrichting die hoort bij een diagnose: een actieve cariëslaesie in een aanwijsbaar element. Zonder daadwerkelijke cariës is er geen advies voor extra fluoride door de mondzorgprofessional.

Wat de richtlijn al zes jaar zegt

Als je de richtlijn uit december 2020 bekijkt, zie je dat de codes zes jaar achterlopen. Bij kinderen zonder cariës raadt de richtlijn het routinematig toepassen van fluoride en sealants af. Bij een glazuurlaesie of een niet-gecaviteerde dentinelaesie staat fluoridevernis als stap onderaan. Eerst ga je na of het kind en de ouders het Advies Cariëspreventie opvolgen. Dan motiveer je, geef je poetstraining en spreek je doelen en een evaluatietermijn af. Pas als dat niet lukt, overweeg je vernis met circa 20.000 ppm fluoride op de aangetaste vlakken, totdat de cariësactiviteit tot stilstand is gebracht.

Het Ivoren Kruis vernieuwde dat Advies Cariëspreventie in 2025. Voor kinderen tot en met vier jaar geldt: een halve tot één centimeter peutertandpasta van 500 tot 750 ppm en maximaal vijf eet- en drinkmomenten per dag. Vanaf vijf jaar: één tot twee centimeter tandpasta van 1.000 tot 1.500 ppm en maximaal zeven eet- en drinkmomenten. Poetsen altijd twee keer per dag, twee minuten. Ouders poetsen na tot een jaar of tien à twaalf.

De volgorde is de kern

In de praktijk komt het neer op vier stappen.

  1. Stel de actieve laesie vast, nieuw of groter op de bitewing, dof en ruw bij inspectie.
  2. Voorlichting met een doel, evaluatietermijn en een bitewing-interval passend bij het cariësrisico.
  3. Vernis dun met een kwastje aanbrengen en alleen op de laesie.
  4. Is de laesie inactief? Stop en complimenteer. Is hij groter? Restaureer.

De vernis breng je zo vaak aan als nodig is, totdat de cariës is gestopt, en dus niet meer standaard twee keer per jaar. Je bekijkt het per evaluatie, per laesie.

Casus uit de praktijk

Samen met mondhygiënist en trainer Motiverende Gespreksvoering, Marit Verschuuren-Kuijer, toonden we tijdens een recent webinar drie casussen. Bij Sem van acht lieten we zien dat de bitewing interval direct samenhangt met het cariësrisico. Het cariësrisico is in de richtlijnen weer gekoppeld aan verschillende waarnemingen. De kern is dat je kijkt naar waarneembare cariësactiviteit en of het kind het advies van het Ivoren Kruis opvolgt. Dat resulteert in een cariësrisico: laag, verlaagd, verhoogd of hoog. Vervolgens moet je alle laesies opschrijven. Pas nadat het advies is gegeven en de laesie niet stabiel wordt, geef je fluoride. Dat moet uiteraard ook allemaal worden vastgelegd in het dossier.

Conclusie

Het lastige aan de wijziging is niet de fluoride, maar de dossiervorming. Je moet per kind een risico-inschatting kunnen laten zien, per element de cariësactiviteit en per laesie een doel en een evaluatiemoment. Dat vraagt om structuur in de agenda, maar ook om passende praktijksoftware. Mooie richtlijn, maar of je straks per element een laesie kunt volgen in je praktijkpakket, is een vraag die ik nog niet met ´Ja´ durf te beantwoorden. Mijn advies: begin niet pas in januari. Loop nu al de kinderen na die standaard een M40 krijgen en stel bij elk van hen de vraag: welk element, welke laesie, welk doel? Kun je die vraag niet beantwoorden, dan is fluorideren volgend jaar niet aan de orde. Kun je hem wel beantwoorden, dan hoort het antwoord in het dossier.

 

Hoe leg jij nu vast waarom een kind fluoride krijgt? Ik ben benieuwd. Laat het weten via alexander@dentiva.nl.

 

Door:
Alexander Tolmeijer, tandarts-jurist en eigenaar van Dentiva


Bronnen: KIMO, Klinische Praktijkrichtlijn Mondzorg voor Jeugdigen, module Preventie en behandeling van cariës, december 2020; Ivoren Kruis, Advies Cariëspreventie; NZa, Prestatie- en tariefbeschikking tandheelkundige zorg 2027 (TB/REG-27619-01). De casus en quizcijfers komen uit het Dentiva webinar ‘Praktische vertaalslag van de Richtlijn Mondzorg voor Jeugdigen’, uitgezonden op 15 september 2026.

Afbeelding: Marit Verschuuren-Kuijer

 

 

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief

Selecteer lijst(en):
Wat is je functie? 

Lees meer over: Kindertandheelkunde