Dikke bult zonder schuld: Verslaving vanuit neurobiologisch perspectief
Verslaving kent vele gezichten. Het is geen probleem van “de ander” maar het kan werkelijk iedereen treffen. Jong of oud, hoog- of laagopgeleid, rijk of arm. Dat komt deels doordat er zoveel verschillende middelen zijn met uiteenlopende effecten op hersenen en gedrag. Van alcohol en nicotine tot gokken en social media, ze kunnen allemaal grip krijgen op het brein.
Verslag van de lezing van prof. dr. Arnt Schellekens, hoogleraar psychiatrie en verslaving, tijdens het VMTI-congres.
Wanneer spreken we van verslaving?
De DSM-5 beschrijft verslaving aan de hand van vier domeinen:
- Controleverlies
- Meer gebruiken dan je van plan was
- Herhaalde stoppogingen zonder succes
- Veel tijd kwijt aan gebruik of herstel
- Sterke hunkering (craving)
- Sociale beperkingen
- Verminderde rolvervulling (werk, gezin, studie)
- Blijven gebruiken ondanks problemen
- Verlies van interesse in andere activiteiten
- Risicogebruik
- Gebruik in gevaarlijke situaties
- Doorgaan ondanks duidelijke schade aan de gezondheid
- Fysieke afhankelijkheid
- Tolerantie (steeds meer nodig)
- Onttrekkingsverschijnselen
Slechts twee criteria binnen één jaar zijn voldoende om van een verslaving te spreken. De kern ligt bij het verlies van controle, niet bij de lichamelijke afhankelijkheid terwijl die laatste vaak ten onrechte de meeste aandacht krijgt.
De cijfers achter verslaving
Nicotine blijft de grootste boosdoener:
- 19 % van de volwassen Nederlanders rookt
- 14 % daarvan is daadwerkelijk verslaafd
- Jaarlijks overlijden ruim 19.000 mensen aan de gevolgen van tabak
Bij alcohol liggen de cijfers anders maar niet minder zorgwekkend:
- 80 % van de volwassenen drinkt
- 5 % is verslaafd
- Ongeveer 2.700 sterfgevallen per jaar zijn eraan toe te schrijven
Daarna volgen heroïne en andere opioïden (inclusief pijnstillers op recept), die bij 178 mensen per jaar tot de dood leiden, en cocaïnegebruik met gemiddeld 63 doden.
Ook gokken is in opmars. Sinds 2021 mag er openlijk reclame voor worden gemaakt. Dit heeft geleid tot een piek in jonge gokkers: 22 % van de spelers is jongvolwassen. Hoewel de wet inmiddels is aangescherpt, zal de impact daarvan pas over enkele jaren zichtbaar zijn.
Verslaving en psychische aandoeningen: twee kanten van dezelfde medaille
Verslaving komt zelden alleen. Vaak bestaat er comorbiditeit met psychische aandoeningen zoals ADHD, depressie, PTSS, bipolaire stoornis, angststoornissen of psychoses. Dat is geen toeval: genetische kwetsbaarheid, trauma’s en omgevingsfactoren versterken elkaar.
Onderzoek laat zien dat mensen met een bepaalde genetische aanleg gevoeliger reageren op stress of trauma’s. In gezinnen waar duidelijke structuur en heldere communicatie ontbreken, groeit die kwetsbaarheid verder uit. Structuur en veiligheid vormen dus een beschermende factor, vooral voor kinderen die een “genetisch risico” dragen.
Eigen schuld, dikke bult?
De titel van deze lezing “Dikke bult zonder schuld” verwijst naar een belangrijk inzicht: verslaving is geen moreel falen, maar een neurobiologisch leerproces.
Plato zei al dat gedrag het resultaat is van onze driften en behoeften. De moderne wetenschap bevestigt dat: verslaving is het gevolg van ontregelde beloningsmechanismen. Jongeren, bij wie het hersendeel voor zelfregulatie nog in ontwikkeling is, zijn extra kwetsbaar.
Een verslavend middel beïnvloedt direct het dopaminesysteem, het centrum van beloning en motivatie. Waar natuurlijke beloningen (zoals sociaal contact of sport) een gematigde dopaminepiek geven, veroorzaken verslavende middelen een kunstmatig hoge piek. Daardoor lijkt het brein natuurlijke prikkels minder interessant te vinden.
Bij langdurig gebruik reageert het brein zelfs sterker op prikkels die met het middel te maken hebben, zoals een foto van een biertje of sigaret kan al verlangen opwekken. Het vermogen om plezier te ervaren uit gewone dingen neemt af. Soms kan dat zich herstellen na afkicken, maar niet altijd.
De “oeps-respons”: wat er misgaat in het brein
In de hersenen bestaat een mechanisme dat een “oeps-signaal” afgeeft wanneer je een fout maakt. Dit gebeurt razendsnel, nog vóórdat je je er bewust van bent, zodat je gedrag kunt corrigeren. Bij verslaafden is dat signaal zwakker of trager, waardoor fouten zich blijven herhalen.
Interessant is dat de omvang van de voorhersenen (prefrontale cortex) invloed heeft op herstel. Hoe groter en beter ontwikkeld dit hersengebied, hoe beter iemand in staat is zichzelf te reguleren en hoe groter de kans op succesvol herstel.
De rol van de zorgverlener
De meeste mensen melden zich niet bij hun arts met de klacht “ik ben verslaafd”. Ze komen met lichamelijke klachten die het gevolg zijn van verslaving. Tegen die tijd is de schade vaak al groot.
Daarom is alertheid binnen de mondzorg belangrijk. Als tandarts of mondhygiënist zie je signalen soms eerder dan anderen: afwijkingen aan slijmvliezen, tandvlees, tong, halitose of slijtagepatronen kunnen wijzen op gebruik van nicotine, alcohol of andere middelen.
Het bespreken van middelengebruik hoort net zo normaal te zijn als het vragen naar voedingsgewoonten. Benoem het verband met de mondgezondheid en geef praktische informatie over hulp. Vaak werkt dat verrassend goed.
Eerste stap
Een eerste stap kan de huisarts zijn, maar ook online hulp is laagdrempelig beschikbaar via bijvoorbeeld:
- Verslavingskunde Nederland
- Trimbos-instituut
Vanuit online begeleiding kan men zo nodig doorstromen naar live-behandeling. Ook zelfhulpgroepen zoals AA of NA zijn in vrijwel elke regio aanwezig en kunnen waardevolle steun bieden.
Verandertaal werkt beter dan preken
Onderzoek toont aan dat “verandertaal” – woorden die de patiënt zélf uitspreekt over verandering – krachtiger werkt dan elke preek of waarschuwing. In hersenonderzoek blijkt zelfs dat luisteren naar je eigen verandertaal dezelfde hersengebieden activeert als bepaalde medicatie die bij verslaving wordt gebruikt.
Als mondzorgverlener kun je dit toepassen door kleine reflectieve vragen te stellen, zoals:
- “Wat merk je zelf van het roken in je mond?”
- “Wat zou voor jou de reden zijn om het gebruik eens te minderen?”
Zo stimuleer je intrinsieke motivatie in plaats van weerstand.
Nieuwe vormen van verslaving
Overmatig gebruik van social media roept de vraag op: is dit ook een verslaving? De wetenschap is er nog niet uit. Een deel van het gebruik is immers sociale interactie, dus iets normaals en menselijks. Maar er zijn duidelijke verslavende elementen: onmiddellijke beloning, notificaties, likes, en de angst om iets te missen.
Hoewel social-media-verslaving nog geen officiële DSM-diagnose heeft, is het duidelijk dat dezelfde hersensystemen worden geactiveerd als bij middelenverslaving.
Tot slot
Verslaving is geen teken van zwakte, maar een complexe aandoening waarbij biologie, psychologie en omgeving elkaar beïnvloeden.
Als mondzorgprofessional kun je een sleutelrol spelen in vroegsignalering, door open te praten over middelengebruik, te verwijzen naar passende hulp en een luisterend oor te bieden.
Verslaving kan iedereen overkomen maar herstel begint altijd met begrip.
Prof. dr. Arnt Schellekens is hoogleraar psychiatrie en verslaving aan het Radboudumc. Daarnaast is hij wetenschappelijk directeur van het Nijmegen Institute for Scientist Practitioners in Addiction Tevens adviseert hij als Nationaal Rapporteur Verslavingen de Nederlandse overheid op het gebied van trends, preventie en zorg voor mensen met verslavingsproblematiek.
Verslag door Lieneke Steverink-Jorna, mondhygiënist, voor dentalinfo.nl van de lezing van prof. dr. Arnt Schellekens tijdens het VMTI-congres.













