Tuchtrechtelijke uitspraken mondzorg augustus 2014

Wat mag wel en wat niet? Bekijk de tuchtrechtelijke uitspraken van augustus 2014 over een achtergebleven afgebroken vijlpunt, ophoping van fouten leidt tot BIG-schorsing, een deugdelijk dossier en altijd een afspraak maken bij breuk melktand.

Afgebroken vijlpuntje blijft achter in het mesio- buccale kanaal; gebruikelijke complicatie

Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Amsterdam (nr2013/401T)
(ECLI:NL:TGZRAMS:2014:83)

Klager verwijt de tandarts onder andere dat zij op onzorgvuldige wijze een tandheelkundige behandeling (wortelkanaalbehandeling en het trekken van een verstandskies) heeft uitgevoerd, waarbij onder andere verdovingsvloeistof in klagers wang is terechtgekomen en tijdelijk een grote zwelling in zijn gezicht is ontstaan. Daarnaast is een stukje van de X2-vijl afgebroken, en na behandeling in het mesio- buccale kanaal achtergebleven, zodat klager de tandarts verwijt dat zij fouten heeft gemaakt bij de behandeling van klager.

Ten aanzien van de zwelling constateert het College dat niet meer is vast te stellen wat de oorzaak van de zwelling is geweest. Voor de beoordeling van het handelen van verweerster is dat ook niet van belang, omdat een complicatie als deze een (bij deze behandeling) bekende (maar niet vaak voorkomende) complicatie is. Een zodanige zwelling kan ook ontstaan bij een behandeling die helemaal op juiste wijze wordt uitgevoerd. Klager heeft volgens het College dus de pech gehad dat deze complicatie is ontstaan, maar dat had hem bij een andere tandarts ook kunnen overkomen.

Ten aanzien van het afgebroken vijltje verschillen de partijen van mening of verweerster dit tijdens de behandeling aan klaagster heeft gemeld. Wat hier volgens het College ook van zij, naar het oordeel van het College is ook ten aanzien van het afbreken van het vijltje niet komen vast te staan dat verweerster klager onjuist heeft behandeld, dan wel dat haar hiervan op enige wijze een verwijt te maken valt. Evenals ten aanzien van de zwelling wordt door het College overwogen dat het afbreken van een vijlpuntje bij een behandeling als de onderhavige, een bekende complicatie is. Een en ander resulteert in het oordeel dat bij deze ene behandeling zeer ongelukkig, als een ongelukkige samenloop van omstandigheden, twee complicaties zijn opgetreden, waarvoor verweerster geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg. Het Regionaal Tuchtcollege wijst daarom de tuchtklacht af.

Bekijk hier de uitspraak


Ophoping van fouten leidt tot een jaar schorsing uit het BIG-register

Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Amsterdam (nr. 2013/315 T) (ECLI:NL:TGZRAMS:2014:81)

Verweerder heeft bij klaagster elementen 11, 12, 21 en 22 verwijderd en een tijdelijke voorziening geplaatst. Op 21 maart 2012 heeft hij een negendelige brug geplaatst op drie pijler-elementen. Verweerder heeft nog een aantal keren op verzoek van klaagster de brug in de mond geslepen. De klacht van klaagster houdt in, dat verweerder voorafgaand aan de behandeling geen vooronderzoek heeft gedaan en geen foto’s heeft gemaakt van het gebit van klaagster. Hij heeft hierdoor een verkeerde diagnose gesteld. Het plaatsen van het brugdeel was zinloos en paste niet goed. Klaagster heeft daardoor veel pijn geleden. Daarnaast verwijt klaagster dat verweerder opeens is vertrokken en de behandeling abrupt heeft beëindigd, zonder een goede overgangsregeling en dat hij niet is aangesloten bij een klachtenregeling. Ter onderbouwing van haar klacht heeft klaagster een rapportage in het geding gebracht van tandarts D., welke de klachtonderdelen nader specificeert.

Het College oordeelt dat gelet op het door verweerder verrichte tandheelkundig handelen bij klaagster, te weten het verwijderen van elementen, het vervaardigen van de tijdige voorziening en het plaatsen van de burg, verweerster paradontaal röntgenologisch onderzoek had moeten verrichten voorafgaand aan de behandeling. Het College sluit daarbij op dit punt aan bij de rapportage van tandarts D. Verweerder heeft verder door het ontbreken van behoorlijk vooronderzoek, een verkeerde diagnose gesteld en tevergeefs een brug geplaatst. Het gebit van klaagster was immers opgeschikt om een brug te plaatsen. Ook hier neemt het College de bevindingen van tandarts D. over. De stelling van klaagster dat het brugdeel niet goede paste en dat zij hierdoor veel pijn heeft geleden, is niet door verweerder bestreden. Verweerder heeft namelijk geen verweer gevoerd, omdat hij onvindbaar is. Op grond van het voorgaande concludeert het College dat de klacht in alle onderdelen gegrond is. Verweerder heeft gehandeld in strijd met de zorg die hij in gevolge artikel 47 lid 1 van de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg jegens klaagster had behoren te betrachten, zodat schorsing van de inschrijving van verweerder in het BIG-register voor de duur van één jaar gepast is.

Bekijk hier de uitspraak


Onder alle omstandigheden een deugdelijk medisch dossier

Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag (nr. C 2013.473) (ECLI:NL:TGZCTG:2014:300)

Ingevolge artikel 7:454, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) richt de hulpverlener een dossier in met betrekking tot de behandeling van de patiënt. Hij houdt in het dossier aantekeningen van gegevens omtrent de gezondheid van de patiënt en de ten diens aanzien uitgevoerde verrichtingen bij en neemt andere stukken, bevattende zodanige gegevens, daarin op, een en ander voor zover dit voor de goede hulpverlening aan hem noodzakelijk is. In het onderhavige geval had de tandarts met de Dienst Justitiële Inrichting (DJI) een overeenkomst gesloten, welke inhield dat de tandarts van elke patiënt een medisch dossier diende bij te houden conform artikel 7:454 BW en daarin, naast de persoonsgegevens van de patiënt, kort maar duidelijk, diende aan te tekenen welke behandeling werd uitgevoerd, welke nadere afspraken met de patiënt werden gemaakt en welke medische mededelingen en adviezen werden gegeven. Dit is een beperktere dossiervoering dan op basis van de wet van de tandarts werd verwacht.

Het Centraal Tuchtcollege oordeelt dat het enkele feit dat de tandarts met de DJI een overeenkomst heeft gesloten inhoudende dat de dossiervoering meer beknopt kan plaatsvinden (kort maar duidelijk), het niet anders maakt dat de tandarts zich aan de wettelijke vereisten dient te houden. Weliswaar kan de dossiervorming in de penitentiaire inrichting waar de klager zich tijdens de behandeling bevond, mede door de tijdsdruk waaronder gewerkt moet worden beknopt plaatsvinden, maar dat laat onverlet dat ook voor deze dossiervoering de minimumnorm geldt, namelijk dat duidelijk moet zijn welke behandeling is uitgevoerd en op basis van welke gegevens. Het Centraal Tuchtcollege is daarnaast met het Regionaal Tuchtcollege van oordeel dat het dossier in casu te summier is en niet voldoet aan de minimum norm van informatieverstrekking. Toch acht het Tuchtcollege het evenwel begrijpelijk dat bij de tandarts verwarring is ontstaan door het ogenschijnlijk naast elkaar bestaan van deze twee regelingen. Nu met deze uitspraak de eventueel bestaande verwarring wordt weggenomen, zal het Centraal Tuchtcollege het klachtenonderdeel wel gegrond verklaren, maar ter zake geen maatregel opleggen.

Bekijk hier de uitspraak

Bij breuk melktand altijd een afspraak maken

Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Amsterdam (nr. C 2013/316 T) (ECLI:NL:TGZRAMS:2014:88)

Klaagster dient een klacht in over de behandeling van haar minderjarig zoontje, welke bij een val zijn linker voortand heeft afgebroken. Zij stelt daarbij dat zij tijdens het telefoongesprek, waarin zij (buiten de praktijkuren van verweerder) aangaf wat het geval was en niet de kans kreeg haar herhaaldelijk verzoek om een consult aan verweerder uit te leggen. Op grond van de telefonische informatie van klaagster, achtte verweerder een consult niet nodig.

De volgende dag heeft klaagster zich met haar zoontje bij een andere tandarts gevoegd, welke de melktand heeft geëxtraheerd. De klachten waren snel daarna verholpen. Klaagster verwijt de tandarts dat hij geweigerd heeft de gebroken linker voortand op de praktijk te beoordelen, waardoor haar minderjarig zoontje onnodig lang pijn heeft geleden. Verweerder heeft zich schriftelijk in deze procedure verweerd, maar is niet ter zitting verschenen.

In de tuchtrechtelijke procedure geldt dat, waar de verklaringen van partijen tegenover elkaar staan, aan het standpunt van de één niet meer geloof kan worden gehecht dan aan dat van de ander, tenzij uit de verklaringen van anderen dan partijen en/of andere bewijsmiddelen, moet worden afgeleid dat één van de partijen het gelijk aan haar zijde heeft. Het College stelt op basis van een door klaagster gemaakte (gewone) foto van de tand vast dat er sprake was van een breuk van de linker (melk) voortand.

In de NMT-praktijkrichtlijn “Opvang tandheelkundige spoedgevallen buiten Praktijkuren” is onder meer beschreven dat de tandarts in beginsel niet mag weigeren om een patiënt tandheelkundige eerste hulp te verlenen bij kennelijke (pijn)klachten. Voorts staat op de NMT- en Telefoonkaart (tandletsel) onder het kopje “Tand verplaatst (luxatie) bij blijvende melktanden” vermeldt patiënt diezelfde dag, liefst zo snel mogelijk, een afspraak te geven. En onder het kopie “Stuk afgebroken (kroonfractuur) bij een melktand”: bij pijn of kapotte lip voor dezelfde dag een afspraak geven.

Naar het oordeel van het College had verweerder op grond van het telefoongesprek met klaagster, waarin hij werd geïnformeerd over het feit dat het minderjarig zoontje bij een val een melktand had gebroken en pijn had, actie moeten ondernemen om de toestand van de tand persoonlijk te beoordelen en zo nodig te behandelen. De conclusie is dat de klacht daarmee gegrond is en verweerder een verwijt kan worden gemaakt ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet op de Beroepen Individuele Gezondheidszorg jegens klaagster en haar minderjarige zoontje had behoren te betrachten. Bij de oplegging van de maatregel heeft het College meegewogen dat verweerder zonder bericht van een verhindering, niet ter zitting is verschenen. Hij heeft zich op die manier niet toetsbaar opgesteld, waardoor herhaling van zijn gedrag niet kan worden uitgesloten. Om die reden legt het Regionaal Tuchtcollege de maatregel van een berisping op.

Bekijk hier de uitspraak

Door:
Sebastiaan van der Leer – Köster Advocaten N.V

Lees meer over: Ondernemen, Tuchtrecht, Wet- en regelgeving
Tuchtrechtelijke uitspraken mondzorg

Tuchtrechtelijke uitspraken mondzorg juli

Wat mag wel en wat niet? Bekijk de tuchtrechtelijke uitspraken van juli 2014 over niet vergoede bedragen, voor rekening van de tandarts, gedeclareerde behandelingen die niet hebben plaatsgevonden en onvoldoende oraal onderzoek en informeren.

Uitspraken van het Centraal Tuchtcollege en de regionale Tuchtcolleges van juli 2014

Dat wat niet vergoed wordt, komt voor rekening van de tandarts

Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag (nr. 2013/041) (ECLI:NL:TGZRSG:2014:76)

De tandarts heeft klaagster geadviseerd om een kroon te plaatsen en daarbij met haar afgesproken dat in het geval de zorgverzekeraar een deel van de begrote kosten voor de behandeling niet zou dekken, deze restantkosten voor rekening van de tandarts zouden komen. Hierbij is door de tandarts gedacht aan een mogelijk verschil van enkele tientallen euro’s. Op 25 december 2012 wordt er een noodkroon geplaatst en een afspraak ingepland voor 15 januari 2013 om de definitieve kroon te plaatsen. Op 25 december 2012 wordt al wel door de tandarts de hele behandeling (dus inclusief het plaatsen van de definitieve kroon) gedeclareerd. Op 8 januari 2013 ontvangt klaagster een rekening van € 204,95 als zijnde het bedrag dat niet door haar ziektekostenverzekering wordt gedekt. Tussen partijen ontstaat een geschil of dit bedrag valt onder het surplus dat voor rekening van de tandarts zou komen. De tandarts stelt dat dit niet het geval is (uitgaande van het feit dat dit enkele tientallen euro’s zou betreffen) en weigert de definitieve kroon te plaatsen, zolang klaagster de rekening nog niet heeft voldaan.

Het Regionaal Tuchtcollege oordeelt allereerst dat het ongeoorloofd is dat de tandarts op 25 december 2012 de volledige behandeling (inclusief het plaatsen van een noodkroon op 15 januari 2013) bij de ziektekostenverzekering van klaagster declareerde. Daarnaast stelt het College dat bij een dergelijk vage afspraak tussen tandarts en patiënte, een mogelijk surplus dat niet onder de dekking van de ziektekostenverzekeraar valt, voor rekening van de tandarts komt. Bij een overschrijding van de kosten die daarvoor in gedachten zijn gehouden, moet de afspraak worden geacht te zijn afgesproken in het voordeel van de patiënt. Dat het restantbedrag hoger uitviel dan verwacht, moet dan ook voor rekening en risico van de tandarts komen en blijven, aldus het College. Door de weigering van de tandarts om tot plaatsing van de kroon over te gaan, vóórdat de rekening door klaagster werd betaald, heeft de tandarts klaagster de zorg onthouden waarop zij aanspraak mocht maken. Het Regionaal Tuchtcollege legt de tandarts daarom de maatregel van een waarschuwing op.

Bekijk hier de uitspraak

Zeven van de acht gedeclareerde behandelingen hadden niet plaats gevonden

Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag (nr.2013-043) (ECLI:NL:TGZRSGR:2014:75)

In de praktijk van de tandarts heeft klaagster een periode van zes maanden als tandarts-assistente stage gelopen. In diezelfde periode is klaagster door de tandarts behandeld en is haar daarvoor een rekening gestuurd. Tijdens haar stage heeft klaagster er bij de tandarts diverse malen op aangedrongen de verzonden declaratie aan te passen, aangezien volgens haar een aantal behandelingen die daarop waren geplaatst, niet waren uitgevoerd (in totaal zeven van de acht behandelingen waren niet uitgevoerd). De verzonden declaratie is niet aangepast en is ter incasso uit handen gegeven waarna klaagster werd gedagvaard voor de rechtbank, sector kanton. Klaagster heeft ter terechtzitting aangevoerd dat zeven van de acht gedeclareerde behandelingen niet hebben plaatsgevonden. Bij vonnis van 26 november 2012 heeft de Kantonrechter de vordering van de tandarts afgewezen. Klaagster verwijt de tandarts dat hij opzettelijk een onjuiste declaratie heeft opgesteld en dat hij op onjuiste wijze is omgegaan met haar bezwaren tegen de onjuiste declaratie.

Het Regionaal Tuchtcollege constateert dat de tandarts een onjuiste declaratie aan klaagster heeft gestuurd. Volgens de tandarts is er sprake geweest van een vergissing. Vier onderdelen van de declaratie zagen volgens de tandarts op een voorgenomen, maar niet uitgevoerde wortelkanaalbehandeling, waarvoor een behandelplan moest worden opgesteld, maar zijn per abuis in de declaratie terecht gekomen. Het College kan niet met zekerheid uitsluiten dat er sprake is geweest van een vergissing van de tandarts, maar heeft wel ernstige bedenkingen bij de gang van zaken binnen de praktijk. Het is in de praktijk van de tandarts kennelijk niet alleen mogelijk dat tenminste vier niet uitgevoerde behandelingen op een declaratie terecht komen, zonder dat dit wordt opgemerkt. Daarbij komt dat de patiëntenkaart uitermate summier is. De tandarts kon hier ter zitting ook geen opheldering over geven. In reactie op de onjuiste declaratie, oordeelt het College dat de tandarts niet alleen heeft verzuimd de declaratie te corrigeren, maar dat hij het ook heeft laten gebeuren dat een incasso-traject is ingezet en hij zich niet adequaat heeft bekommerd over het verloop daarvan. Hierdoor heeft het zover kunnen komen dat klaagster zich voor de Kantonrechter heeft moeten verantwoorden. Gelet op het voorgaande, acht het College de klacht gegrond dat de tandarts op onjuiste wijze een declaratie heeft ingediend en deze declaratie op onjuiste wijze heeft afgehandeld. Als gevolg hiervan legt het College de tandarts de maatregel van een berisping op.

Bekijk hier de uitspraak

Onvoldoende oraal onderzoek en onvoldoende informeren: waarschuwing

Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Groningen (nr. T2013/07) (ECLI:NL:TGZRGRO:2014:24)

Klaagster heeft haar 26 door haar eigen tandarts laten verwijderen. Een dag later heeft klaagster zich bij verweerder (een waarnemer van haar behandelende tandarts) gemeld met pijnklachten en een zwelling in haar wang. Op grond daarvan heeft verweerder klaagster geadviseerd om ook de 27 te extraheren. Klaagster heeft getwijfeld of zij dit element wilde laten verwijderen en heeft dan ook enige tijd in een wachtkamer gezeten om hierover na te denken. Daarna is klaagster weer naar de behandelkamer van verweerder gegaan. Uiteindelijk heeft klaagster ingestemd met de extractie van element 27 en heeft verweerder deze kies getrokken. Klaagster verwijt verweerder dat hij een onjuiste diagnose heeft gesteld op basis waarvan hij zonder noodzaak element 27 heeft getrokken. Verweerder heeft daarbij volgens klaagster, voordat hij het advies gaf om element 27 te verwijderen, onvoldoende onderzoek verricht door het gebit van klaagster niet oraal te onderzoeken, maar zich slechts te baseren op een foto die eerder (voorafgaand aan de extractie van de 26) was gemaakt. Verweerder betoogt dat hij is uitgegaan van de bevindingen van de behandelende tandarts en dat hij op grond hiervan zelf geen oraal onderzoek heeft uitgevoerd.

Het College is van oordeel dat de diagnostiek van verweerder (voorafgaand aan de extractie van de 27) onvoldoende is geweest. Verweerder had oraal onderzoek bij klaagster moeten uitvoeren en had zich niet uitsluitend mogen baseren op de gemaakte foto’s van het gebit van klaagster. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat wanneer hij een andere behandeling zou hebben uitgevoerd, een groot risico bestond dat element 27 op een later moment alsnog verwijderd zou moeten worden. Daarnaast heeft hij ter zitting aangegeven dat een andere behandeling van het element erg veel geld zou kosten. Er waren derhalve in de optiek van verweerder geen andere duurzame behandelopties ten aanzien van element 27 dan extractie.

Het College is van oordeel dat verweerder dergelijk argument aan klaagster in overweging had moeten geven. Klaagster had op basis van deze argumenten een meer weloverwogen beslissing kunnen nemen, die verweerder haar nu heeft onthouden. Dit klemt temeer, omdat het voor verweerder duidelijk was dat er bij klaagster weerstand bestond tegen extractie van element 27. Het vereiste van een deugdelijk informed consent, dat is neergelegd in artikel 7:448, 2e lid, onder c, van het Burgerlijk Wetboek, is door verweerder niet nageleefd. Nu verweerder klaagster niet volledig heeft geïnformeerd, heeft klaagster op basis van onvoldoende informatie toestemming gegeven voor de extractie van 27. Ten aanzien van deze ontoereikende diagnostiek en het niet informeren over andere mogelijkheden, kan verweerder daarom een tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt, zodat de oplegging van de maatregel van een waarschuwing passend wordt geacht door het Regionaal Tuchtcollege.

Uit deze klachtbehandeling wordt nogmaals duidelijk dat een tandarts ook kan worden afgerekend op een handelswijze die geen onderdeel van de klacht is. Duidelijk wordt door het College het informeren van verweerster de tandarts aangerekend terwijl dat geen onderdeel van de door klaagster geformuleerde klacht was. Zo kan een onterecht verwijt ten aanzien van het ene behandelonderdeel alsnog leiden tot een tuchtrechtelijke maatregel ten aanzien van een ander onderdeel dat door het Tuchtcollege in haar beoordeling of de verweerder een tuchtrechtelijk verwijt te maken valt, toch in haar beoordeling wordt meegenomen.

Bekijk hier de uitspraak

Door:
Sebastiaan van der Leer – Köster Advocaten N.V

Lees meer over: Ondernemen, Tuchtrecht, Wet- en regelgeving
Tuchtrechtelijke uitspraken mondzorg

Tuchtrechtelijke uitspraken mondzorg juni 2014

Soms is de scheidslijn dun. Wat is wel en niet geoorloofd? Bekijk de uitspraken van het Centraal Tuchtcollege en de regionale Tuchtcolleges van juni 2014 over uitnodigen voor consult in weekend, benadelen van de ziektekostenverzekeraar en aanpassing praktijk na normschending.

Bij pijnklachten ook in het weekend uitnodigen voor een consult

Uitspraak 6 juni 2014, Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle (nr. 196/2013) (ECLI:NL:TGZRZWO:2014:74)
Tandarts trekt vrijdagavond een kies bij klaagster. ’s Nachts meldt klaagster zich bij de huisartsenpost en daarna bij de alarmcentrale van de tandartsenpraktijk met pijnklachten. Zaterdagochtend neemt de tandarts contact op met klaagster en zorgt via de huisartsenpost voor antibiotica. Vervolgens is klaagster opgenomen in het AMC en driemaal geopereerd aan een logeabces. Het Regionale Tuchtcollege verwijt de tandarts dat hij klaagster op zaterdagochtend niet op consult heeft laten komen. De tandarts heeft klaagster antibiotica voorgeschreven zonder haar te zien, terwijl hij wist dat klaagster ’s nachts de huisartsenpost had gebeld met pijnklachten. Dit had volgens het Tuchtcollege aanleiding kunnen zijn om klaagster op consult te laten komen. De tandarts heeft zich verweerd door te stellen dat de echtgenoot van klaagster aan de telefoon niet heeft verzocht om een consult. Met dat verweer constateert het Regionale Tuchtcollege dat de tandarts zijn verantwoordelijkheid voor de beslissing of een consult noodzakelijk was, niet heeft genomen. Hiermee is de tandarts te passief geweest. Volgens het Regionale Tuchtcollege had de tandarts (bij de echtgenoot) moeten doorvragen en klaagster voor consult moeten laten komen. Door deze houding heeft de tandarts de tuchtnorm van artikel 47 Wet BIG geschonden zodat hem de maatregel van een waarschuwing wordt opgelegd.

Bekijk hier de uitspraak

“Brutaal geval van het benadelen van de ziektekostenverzekeraar”

Uitspraak 19 juni 2014, Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (nr.c2013.470) (ECLI:NL:TGZCTG:2014:250)

Klaagster verwijt de tandarts dat hij de behandeling onjuist heeft uitgevoerd, waardoor zij langere tijd heeft rondgelopen met een lelijk gebit, en dat de tandarts de ziektekostenverzekeraar van klaagster heeft opgelicht. Het Regionale Tuchtcollege concludeert allereerst dat de tandarts zich volstrekt onvoldoende op de hoogte heeft gesteld, dan wel heeft gehouden, van de (reeds lange tijd bestaande) technieken ten behoeve van het orthodontisch verplaatsen van gebitselementen. Daarnaast stelt het Regionale Tuchtcollege vast dat ter zitting, naar aanleiding van op de patiëntenkaart van klaagster vermelde behandeling vragen zijn gesteld waarbij uit de beantwoording van diverse vragen bleek dat verweerder opzettelijk allerlei niet verrichte behandelingen en onjuiste codes heeft opgevoerd. Dit was volgens de tandarts gedaan in samenspraak met de klaagster, omdat zij over onvoldoende financiële middelen zou beschikken en haar behandeling anders niet mogelijk zou zijn. Het Regionaal, en later het Centrale Tuchtcollege, komen tot de conclusie dat de orthodontische behandelingen, zoals door de tandarts uitgevoerd, zwaar onder de maat zijn. Daarnaast is er volgens het Tuchtcollege sprake van “een zeer brutaal geval van het benadelen van de ziektekostenverzekeraar”. Hieruit volg dat beide klachtonderdelen gegrond worden verklaard, omdat de tandarts in strijd zou hebben gehandeld met de zorg die de tandarts volgens artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg jegens klaagster had behoren te betrachten. Om die reden acht het Centrale Tuchtcollege de maatregel van schorsing van inschrijving van de tandarts in het BIG-register gedurende de periode van één maand passend en geboden.

Bekijk hier de uitspraak

Aanpassing praktijk na normschending, het kwaad was al geschied

Uitspraak 19 juni 2014, Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (nr.c2013.084) (ECLI:NL:TGZCTG:2014:243)

Tandarts wordt verweten dat zij de wortelkanaalbehandeling aan element 26 niet goed heeft uitgevoerd, met als gevolg dat de kies verloren is gegaan, dat zij geen cofferdam heeft gebruikt en dat zij meerdere initiële behandelkosten in rekening heeft gebracht. In eerste aanleg bij het Regionaal Tuchtcollege wordt de tandarts berispt, waarna de tandarts bij het Centraal Tuchtcollege in hoger beroep gaat.

Bij het Centraal Tuchtcollege betoogt de tandarts dat zij de wortelkanaalbehandeling wél adequaat zou hebben verricht, beklaagt zij zich over de hoogte van de opgelegde maatregel en stelt zij dat in het kader van de klacht en de opgelegde maatregel, haar praktijk heeft laten doorlichten en de wijze van dossiervoering heeft verbeterd.

Het Centraal Tuchtcollege oordeelt dat bij de uitvoering van een wortelkanaalbehandeling in de beroepsgroep als aanvaarde standaard geldt dat er een foto vóór (ter vastlegging van de beginsituatie), een elektronische lengtebepaling en/of een lengtefoto (om de correcte lengte van de wortelkanalen te bepalen) en een foto na voltooiing van de behandeling wordt gemaakt (ter beoordeling van het eindresultaat). Niet in geschil is dat deze standaard ook ten tijde van de uitgevoerde wortelkanaalbehandeling bij klaagster gold. Ter zitting in hoger beroep heeft de tandarts verklaard dat zij om – ook voor haarzelf – onverklaarbare redenen bij de behandeling van klaagster geen van de zojuist genoemde foto’s heeft gemaakt. Reeds hierom kan het beroep van de tandarts tegen de overweging van het Regionaal Tuchtcollege dat de behandeling van element 26 niet toereikend was, niet slagen. Het beroep dat ziet op dit onderdeel wordt dan ook verworpen.

Ten aanzien van de opgelegde maatregel stelt het Centraal Tuchtcollege dat het doorlichten van haar praktijkvoering een adequate reactie vormt, maar onvoldoende aanleiding is om een lichtere maatregel op te leggen. De aanpassingen die zich ná het verwijtbaar handelen hebben voorgedaan, doen niets af aan de ernst van het tuchtrechtelijke verwijt dat de tandarts gemaakt kan worden.

Bekijk hier de uitspraak

Door:
Sebastiaan van der Leer – Köster Advocaten N.V

Lees meer over: Ondernemen, Tuchtrecht, Wet- en regelgeving
tuchtrecht

Tandartsassistente behandelde zelf patiënten

Een 24-jarige Duitse tandartsassistente moest op donderdag 3 juli voor de rechtbank verschijnen wegens oplichting en het toebrengen van letsel. Ze dacht het werk van haar baas ook wel te kunnen doen en behandelde zelf patiënten. Maar alles kwam uit en ze werd veroordeeld tot 20 maanden gevangenisstraf. De vrouw werd vrijgesproken van diefstal. Het vonnis is nog niet definitief, meldt Salzburg 24.

Onopgeleid
Ze boorde, sneed, trok tanden en plaatste implantaten en prothesen. De voormalige tandartsassistente zou zeven patiënten hebben behandeld, van augustus tot november 2012, zonder de juiste opleiding.

Sinds 2012
actief De assistente had haar stage afgerond in een tandartspraktijk uit Salzburg en werd vervolgens ingehuurd door deze praktijk. In de zomer van 2012 begon ze willekeurig afspraken te maken en patiënten te behandelen op momenten dat de tandarts niet in de praktijk was. “Plotseling voelde ik me belangrijk en dacht ik zal het zelf kon proberen. Ik heb een fantasiewereld opgebouwd.”  Volgens de officier van justitie koos de vrouw doelgericht bejaarde patiënten voor haar behandelingen.

21.000 euro schade
De schade wordt geschat op een totaal van 21.000 euro. Daarbij had de 24-jarige zelf eenmaal 2.150 euro niet betaald aan haar werkgever, maar het geld voor zichzelf gehouden. Dit “extra inkomen” gebruikt de vrouw – inmiddels moeder van twee kinderen – om een naar eigen zeggen een “beter leven” te leiden.

Oplichter
Ook was de vrouw niet vies van leugens. Met valse voorwendselen en smeekbeden probeerde ze geld los te krijgen bij patiënten, om vervolgens niet of nauwelijks het geleende geld terug te betalen. Zo vroeg ze om geld voor de begrafenis van haar moeder. Tijdens het proces ontkende ze grotendeels alle aanklachten. “Er was geen sprake van opzettelijke verrijking. Ze wilde alleen het geld lenen,” zo zei haar advocaat.

Schadevergoeding
Na uitspraak van de rechter hebben de slachtoffers van de vrouw uiteindelijk, om de pijn en het lijden wat te verzachten, 16.000 euro aan schadevergoeding van de vrouw ontvangen.

Bron:
Salzburg 24

Lees meer over: Actueel, Ondernemen, Thema A-Z, Wet- en regelgeving

Het kwaliteitsjaarverslag: wat en voor wie

Het kwaliteitsjaarverslag is wettelijk verplicht, maar niet voor elke praktijk. Moet uw praktijk een kwaliteitsjaarverslag opstellen? En wat moet daar in staan? Een verslag van de ANT-workshop ‘Het kwaliteitsjaarverslag’.

Een verslag van dental INFO over de ANT-workshop ‘Het kwaliteitsjaarverslag’ door drs. Lisette Sloots.

Moet uw praktijk een kwaliteitsjaarverslag hebben?
Volgens de Kwaliteitswet Zorginstellingen moet u een kwaliteitsjaarverslag maken als u praktijk een ‘zorginstelling’ is. Een zorginstelling heeft twee of meer nevengeschikte zorgverleners. Als in uw praktijk twee tandartsen werken, bent u dus wettelijk verplicht om een kwaliteitsjaarverslag te schrijven. Ook als één van de twee tandartsen bijvoorbeeld als zzp’er voor drie dagen in de praktijk werkt.

De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) hanteert een strengere definitie. Volgens de IGZ is een solist ook een zorginstelling als deze samenwerkt met een assistent die meer doet dan assisteren aan de stoel. Het ANT raadt aan om de definitie van de IGZ aan te houden.

Levert u geen kwaliteitsjaarverslag aan? Dan kan de IGZ u een boete opleggen van maximaal €33.500. In de praktijk krijgt u echter eerste de kans om alsnog een kwaliteitsjaarverslag aan te leveren.

Wat moet er in het kwaliteitsjaarverslag staan?
Er zijn wettelijk eisen aan de inhoud van het kwaliteitsjaarverslag. U beschrijft:

  • Praktijkgegevens: bijvoorbeeld juridische vorm, praktijkgeschiedenis;
  • Betrokkenheid van patiënten bij het kwaliteitsbeleid;
  • De kwaliteitsbeoordeling en resultaten daarvan;
  • Klachten en incidenten en reactie daarop;
  • Voornemens voor kwaliteitsbeleid.

In het algemeen beschrijft u hoe in uw praktijk zorgkwaliteit gewaarborgd wordt, in hoeverre uw kwaliteitsdoelstellingen gerealiseerd zijn en welke verbeterpunten er zijn. Daarnaast neemt u informatie op over:

  • Achtergrond van de praktijk
  • Organisatie van de praktijk
  • Patiëntenpopulatie
  • Missie
  • Visie
  • Doelstellingen komend jaar

Wanneer en waar dient u het kwaliteitsjaarverslag in?
U levert het kwaliteitsjaarverslag in voor 1 juni van het volgende jaar bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg en het patiëntenplatform (bijvoorbeeld Zorgbelang Nederland).

Drs. Lisette Sloots is communicatiemanager bij de ANT. Daarnaast is zij zelfstandig projectmanager en heeft veel ervaring met het verbeteren van bedrijfsprocessen binnen organisaties.

Lees meer over: Congresverslagen, Kennis, Kwaliteit, Ondernemen, Wet- en regelgeving, ZZP-er

Tuchtrechtelijke uitspraken mondzorg mei 2014

Soms is de scheidslijn dun. Wat is wel en niet geoorloofd? Bekijk de uitspraken van het Centraal Tuchtcollege en de regionale Tuchtcolleges van mei 2014 over het maken en houden aan een kostenbegroting, doorsturen van patiëntgegevens, bijscholing via overleg en internet en klagen tegen een kliniek.

Maak, en houd u zich aan een kostenbegroting

Uitspraak 6 mei 2014, Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Amsterdam (nr. 2013/064T) (ECLI:NL:TGZRAMS:2014:39)

Klaagster verwijt de tandarts dat de rekeningen ver uitstijgen boven de opgestelde begrotingskosten. Er is bovendien geen behandelplan voor het gehele gebit gemaakt en met klaagster zijn, volgens klaagster, geen alternatieven besproken. De tandarts zou daarnaast ten onrechte geweigerd hebben om contact op te nemen met de bewindvoerder van klaagster.

Het Tuchtcollege stelt als norm vast dat de hulpverlener zich als goed hulpverlener dient te gedragen en bij zijn werkzaamheden de professionele standaard in acht moet nemen (artikel 7:453 van het Burgerlijk Wetboek, BW). Onderdeel van deze plicht is volgens het College, het goed informeren van de patiënt, hetgeen volgt uit artikel 7:448 BW. Het College stelt vast dat volgens de normen van de beroepsgroep die in 2012 golden, de tandarts de plicht had om de patiënt, indien een voorgenomen behandeling € 150,- of meer zou gaan bedragen, een kostenbegroting te geven (vlg. http://www.tandarts.nl/tarieven-verzekering/tarieven/vrijetandarts-in-2012). Het College constateert dat een voorgeschreven kostenbegroting en een behandelingsplan ontbreken. Deze klachtonderdelen worden dan ook gegrond verklaard, waarna de maatregel van een berisping wordt opgelegd. Bij de oplegging van deze maatregel neemt het College in ogenschouw dat klaagster onder curatele is gesteld en daarom behoort tot een kwetsbaar persoon.

Bekijk hier de uitspraak


Beëindiging behandelingsovereenkomst alleen op grond van gewichtige redenen en doorsturen patiëntengegevens alleen met toestemming patiënt


Uitspraak 6 mei 2014, Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Amsterdam (nr. 2013/059T) (ECLI:NL:TGZRAMS:2014:40)

Klager verwijt de tandarts dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld door de behandeling van klager te beëindigen zonder een zwaarwegende reden. Daarnaast zou de tandarts zonder toestemming het tandheelkundig dossier hebben doorgestuurd naar een vervanger van de tandarts. Op grond van artikel 7:460 BW heeft de beroepsbeoefenaar de plicht om niet zonder gewichtige reden de behandelingsovereenkomst op te zeggen en bij opzegging voor adequate opvolging zorg dient te dragen. Het College komt tot de conclusie dat uit het dossier en de ter zitting naar voren gebrachte feiten, niet kan worden opgemaakt dat op enig moment de behandelingsovereenkomst is opgezegd (door welke partij dan ook). Met betrekking tot het tweede klachtonderdeel (het zonder toestemming doorsturen van een tandheelkundig dossier) oordeelt het College dat het zonder nadere toelichting onduidelijk is of klager vooraf toestemming heeft verleend voor het doorsturen van het dossier. Toch is daarnaast ook onduidelijk of hij die toestemming niet heeft verleend. Wel blijkt volgens het College uit de correspondentie dat klager achteraf bezwaar heeft gemaakt, maar dat is volgens het College onvoldoende om te oordelen dat de tandarts zijn beroepsgeheim zou hebben geschonden.

Het interessante aan deze overweging is, dat bij het schenden van bepaalde normen (bijvoorbeeld het delegeren van voorbehouden handelingen, en het verkrijgen van toestemming daarvoor van de patiënt) de naleving van de voorschriften vast moet staan, omdat anders doorgaans door het Tuchtcollege wordt vastgesteld/wordt aangenomen dat er sprake is van een schending. In het onderhavige geval lijkt het College geen beslissing te durven nemen. Zij stelt vast dat onduidelijk is of toestemming is verleend, maar dat ook onduidelijk is of toestemming niet is verleend.

Kortom, mocht u een patiëntendossier willen doorsturen naar een collega, zorg er dan op voorhand voor dat de toestemming die vereist is voor het doorsturen van medische gegevens, schriftelijk door de patiënt wordt gegeven. Dit volgt uit artikel 7: 457 BW, waarin is bepaald dat alleen met toestemming van de patiënt medische gegevens mogen worden opgestuurd naar een opvolgend behandelaar.

Bekijk hier de uitspraak


Bijscholing via overleg en internet is onvoldoende

Uitspraak 5 maart 2013, Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Amsterdam (nr. 2013/120T) (ECLI:NL:TGZRAMS:2014:42)

Klaagster verwijt de tandarts dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld bij het plaatsen van kronen en bruggen in klaagsters gebit, doordat hij heeft nagelaten de wortelkanalen goed op te vullen. Ter zitting heeft de tandarts over de behandeling onder meer verklaard dat hij de elementen tot een bepaalde diepte heeft gevuld en niet het volledige kanaalstelsel heeft behandeld, om zodoende bij een eventuele herbehandeling er makkelijker bij te kunnen. De tandarts heeft daarnaast aangegeven bij zijn behandeling (onder meer bewust) geen gebruik te maken van een cofferdam. Volgens het College volgt hieruit dat de tandarts, hoewel met goede bedoelingen, de wortelkanaalbehandelingen met onvoldoende zorgvuldigheid heeft uitgevoerd. Daarbij is het College bezorgd over de wijze waarop de tandarts de behandeling uitvoert, temeer gezien de vraag kan worden gesteld of de tandarts zijn professionele standaard voldoende bewaakt. Ter zitting heeft de tandarts namelijk aangegeven dat zijn bijscholing bestaat uit het “voeren van overleg met collega’s” en daarnaast bestaat uit het raadplegen van internet. Volgens het College is dat onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van zorgvuldige bijscholing, zodat het klachtonderdeel gegrond wordt verklaard, en de tandarts wordt berispt.

Bekijk hier de uitspraak


Klagen tegen kliniek kan niet

Uitspraak 8 mei 2014, Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Eindhoven (nr.13253a) (ECLI:NL:TGZREIN:2014:57)
Klaagster stelt een klacht in tegen de tandarts en diens kliniek. Ten aanzien van de tandarts verwijt zij de tandarts dat hij de problemen met het tandvlees (die voortvloeide uit kroonreparaties) niet serieus zou hebben genomen, zelfs gebagatelliseerd heeft en nooit een bijdrage heeft geleverd aan het onderzoeken van de oorzaak. Tegen de kliniek klaagt zij dat de kliniek zich zou willen onttrekken aan de door haar geleverde garantie op het geplaatste werk.

Het College oordeelt allereerst dat klaagster in haar klachten tegen de kliniek niet ontvankelijk is. Aan het tuchtrecht voor de gezondheidszorg ligt namelijk het beginsel van persoonlijk verwijtbaarheid ten grondslag. De verwerende tandarts kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor organisatorische en beleidsmatige omstandigheden van c.q. in de kliniek.

Met betrekking tot de klacht tegen de tandarts, oordeelt het College dat duidelijk is dat bij de klaagster grote problemen met het tandvlees zijn ontstaan. Daarnaast is niet gebleken dat de tandarts zelf adequaat daarop heeft gereageerd. De tandarts heeft zelfs nagelaten de problematiek bespreekbaar te maken en over oplossingen c.q. alternatieven met de klaagster te overleggen. Het past in dat kader volgens het Tuchtcollege niet de nazorg over te laten aan de mondhygiëniste en een (onvoldoende geëquipeerde) assistente. Ook het voorschrijven van antibiotica heeft de tandarts gedaan op aangeven van de mondhygiëniste, zonder klaagster daarbij te hebben gezien. Het College is daarom van oordeel dat de tandarts in de nazorg tekort is geschoten hetgeen zij hem verwijt. Uiteindelijk wordt de tandarts de maatregelen van een waarschuwing opgelegd.

Bekijk hier de uitspraak

Door:
Sebastiaan van der Leer – Köster Advocaten N.V

Lees meer over: Ondernemen, Tuchtrecht, Wet- en regelgeving

Tuchtrechtelijke uitspraken mondzorg april 2014

Soms is de scheidslijn dun. Wat is wel en niet geoorloofd? Bekijk de uitspraken van het Centraal Tuchtcollege en de regionale Tuchtcolleges van april 2014 over extraheren in plaats van vastzetten, onvoldoende dossier en communicatie, te veel röntgenfoto’s en een voorbehouden handeling.

Extraheren in plaats van vastzetten?

Uitspraak 8 april 2014, Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Amsterdam (nr. 2013/197T) (ECLI:NL:TGZRAMS:2014:33)

Klager heeft tijdens een consult bij de verwerende tandarts (welke optrad als waarnemend tandarts voor zijn collega) gevraagd om diens kroon (met stift) vast te zetten. De tandarts heeft, nadat zij had geconstateerd dat er sprake was van een verticale wortelbreuk, waarbij ontstekingsweefsel in de wortelbreuk was gegroeid, klager geadviseerd om het element door haar te laten extraheren. Ze heeft voor de extractie gekozen, vanwege onvoldoende houvast voor een worteltang, maar heeft haar extractiepogingen gestaakt op het moment dat klager haar vertelde dat het element jaren geleden vanwege een ongeval geheel uit de kaak was geweest. Vervolgens heeft de tandarts klager verwezen naar een kaakchirurg die een dag later het restant van de 31 heeft verwijderd.

Naar het oordeel van het College is verweerster met haar handelen buiten de grenzen van de redelijk bekwame beroepsuitoefening getreden. Daarbij heeft het College in aanmerking genomen dat klager op het moment van het consult geen pijn had en de tandarts als waarneemster van de behandelend tandarts van klager optrad. Zij was op de hoogte dat de behandelend tandarts klager reeds voor element 31 had doorverwezen naar de kaakchirurg die de situatie vier weken later zou beoordelen. Onder die omstandigheden had de tandarts in afwachting van de bevindingen van de kaakchirurg een afwachtend beleid moeten voeren en niet, in een consult waarvoor maar 10 minuten stond, moeten overgaan tot de meest ver gaande oplossing van extractie. Daarvoor bestond volgens het College op dat moment geen noodzaak en het door de behandelend tandarts ingezette beleid werd daarmee ook doorkruist.

Het Regionaal Tuchtcollege waarschuwt daarom de tandarts. Bekijk hier de uitspraak.

Onvoldoende communicatie, onvoldoende dossier, onvoldoende behandeling: zes maanden onvoorwaardelijke schorsing

Uitspraak 2 april 2014, Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Eindhoven (nr. 1374) (ECLI:NL:TGZREIN:2014:42)

Klaagster verwijt de tandarts dat de door hen geplaatste kronen niet goed op elkaar aansluiten, dat daardoor diverse ontstekingen zijn ontstaan en dat hij is begonnen met de behandeling terwijl er geen endodontische behandeling heeft plaatsgevonden, terwijl dit wel met de klaagster was afgesproken.

Het College oordeelt dat de tandarts niet heeft uitgelegd “wat hij allemaal ging doen”. Er is geen alles omvattende begroting besproken en klaagster is alleen een begroting voor de kronen opgestuurd. Van enige schriftelijke uitleg is volgens het College niet gebleken. Op grond van het dossier en de standpunten van partijen is het College daarom van oordeel dat de tandarts ernstig tekort is geschoten in de voorlichting over de behandeling en de daarbij behorende kosten.

De tandarts heeft zelf vermeld dat klaagster een ASA-score heeft van 4, hetgeen betekent dat er sprake is van een hoog risicoprofiel. Ondanks dat is de tandarts zonder parodontale behandeling aan een behandeling met kronen begonnen zodat het College oordeelt dat de tandarts daarmee niet zijn verantwoordelijkheid heeft genomen. Hij had kort gezegd niet zonder die parodontale behandelingen aan de behandeling met kronen mogen beginnen, aldus het Regionaal Tuchtcollege.

De KNO-arts van het ziekenhuis rapporteert vervolgens dat de 14, 24 en 25 een herbehandeling behoeven vanwege een onvoldoende kanaalvulling. Daarnaast concludeert hij dat de oorzaak van de gevoeligheid van de frontkronen ligt in de slechte pasvorm welke gedeeltelijk ook zijn verblokt. Tot slot heeft de tandarts klaagster amoxilline voorgeschreven zonder dat daarvoor een diagnose is gesteld. Dit alles tezamen betekent dat de klacht van klaagster volgens het College gegrond is. Bij het opleggen van een maatregel betrekt het College de eerdere uitspraak uit 2007 van het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle over de tandarts zodat uiteindelijk een onvoorwaardelijke schorsing van de inschrijving in het register voor de duur van zes maanden passend wordt bevonden.

Bekijk hier de uitspraak.

Röntgenfoto’s ter geruststelling van patiënte

Uitspraak 8 april 2014, Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Amsterdam (nr. 2013/164T) (ECLI:NL:TGZRAMS:2014:34)

In overleg met de klaagster wordt besloten om het element 38 te extraheren. Na de extractie wordt klaagster in korte tijd tot driemaal toe nader behandeld aan pijnklachten waarbij onder verdoving de wond wordt opengemaakt en wordt schoongespoeld. Later vindt alsnog een extractie van het aangrenzende element 37 uitgevoerd en kennen ook daar de pijnklachten een lange nasleep.

Klachtonderdelen
Klaagster verwijt de tandarts dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld door de verkeerde diagnose te stellen, het trekken van de tweede kies (element 37) was volgens haar niet nodig en daarnaast heeft de tandarts onvoldoende informatie verstrekt over de behandeling, de gevolgen daarvan en eventuele alternatieven. Daarnaast verwijt klaagster de tandarts dat hij diverse malen de wond heeft opengemaakt en schoon gespoeld en op onjuiste wijze heeft gedeclareerd bij de ziektekostenverzekeraar.

Overwegingen van het College
Alle van de hiervoor opgesomde klachtonderdelen worden door het College ongegrond verklaard. Wel is het College van oordeel dat de tandarts in strijd met het ALARA-principe in een korte periode van nog geen twee weken vier kleine röntgenfoto’s en twee kaakoverzichtfoto’s heeft gemaakt van de betrokken elementen 37 en 38, terwijl daarvoor onvoldoende redenen waren. De tandarts had naar het oordeel van het College kunnen volstaan met een kaakoverzichtfoto en enkele kleine röntgenfoto’s. Het verweer dat hij een aantal van deze röntgenfoto’s heeft gemaakt ter geruststelling van klaagster, overtuigt het College niet. Röntgenopnamen mogen alleen worden gemaakt op grond van een individuele indicatie naar aanleiding van een diagnostische vraagstelling mede gebaseerd op klinische inspectie. Daarvan dient op de patiëntenkaart aantekeningen te worden gemaakt. Nu op de patiëntenkaart in het geheel niets vermeld is over de indicatie van de röntgendiagnostiek gaat het College ervan uit dat deze ontbrak.

Het merkwaardige aan deze uitspraak is dat het Regionaal Tuchtcollege tot oplegging van een maatregel komt zonder dat daarmee wordt geoordeeld op basis van een ingediend klachtonderdeel (het aantal malen dat een röntgenfoto was genomen was niet als onderdeel van de klacht opgenomen).

Bekijk hier de uitspraak.

Alleen bij een voorbehouden handeling wordt de soep zo heet gegeten…

Uitspraak 15 april 2014, Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag (nr. c2013.009) (ECLI:NL:TGZCTG:2014:132)

Bij klaagster zijn door een assistent van de tandarts onder verdoving in de 36, 46 en 47 drievlaksvullingen aangebracht die ook op de behandelkaart zijn aangeduid als drievlaksvullingen. Een deel van die behandeling, waaronder in elk geval de verdoving, het aanbrengen van de composietvullingen en de reiniging met H2O2 is uitgevoerd door de assistente van de beklaagde tandarts. Na de behandeling heeft klaagster zich met pijnklachten bij de tandarts gemeld en heeft zij een antibioticum en pijnstillers voorgeschreven gekregen. Vervolgens heeft klaagster een klacht ingediend tegen de tandarts waarin zij hem het verwijt maakt dat hij zich onvoldoende heeft bemoeid met de behandeling en dat hij, zonder dat klaagster daarvoor toestemming heeft gevraagd, de behandeling nagenoeg geheel heeft overgelaten aan de assistent.

De assistente heeft bij de tandarts een interne opleiding gevolgd met betrekking tot het aanbrengen van eenvlaksvullingen. Deze opleiding vond plaats zonder extern toezicht. Met betrekking tot het geven van anaesthesie door assistenten is er in de praktijk van de tandarts een ongedateerd protocol samengesteld.

Wat valt er onder een voorbehouden handeling?
Artikel 38 Wet BIG luidt: “Het is degene die zijn bevoegdheid tot het verrichten van één of bij krachtens de artikelen 36 en 37 omschreven handelingen ontleent aan het bij of krachtens in die artikelen bepaalde verboden aan een ander opdracht te geven tot het verrichten van die handeling tenzij:

  1. In gevallen waarin zulks redelijkerwijs nodig is aanwijzingen worden gegeven omtrent het verrichten van de handeling en toezicht door de opdrachtgever op het verrichten van de handeling en de mogelijkheid tot tussenkomst van een zodanig persoon voldoende zijn verzekerd en
  2. Hij redelijkerwijs mag aannemen dat degene aan wie de opdracht wordt gegeven, in aanmerking genomen het onder a bepaalde, beschikt over de bekwaamheid die vereist is voor het behoorlijk verrichten van de handeling.

Het gaat hier om het uitvoeren van een voorbehouden handeling als in art. 36, 1e lid Wet BIG. Echter, wat betreft het vullen stelt de tandarts dat het niet gaat om een voorbehouden handeling omdat het boren (wel een voorbehouden handeling) moet worden onderscheiden van het vullen. Het College is het daar niet mee eens en oordeelt dat het vullen en boren zozeer met elkaar zijn verbonden dat moet worden gesproken van één heelkundige handeling van restauratieve aard. Kort gezegd: vullen kan niet zonder boren.

Het delegeren van voorbehouden handelingen heeft de Inspectie voor de Gezondheidszorg in circulaire 2008-01-IGZ van 11 februari 2008 (“taakbeschikking in de tandheelkundige praktijk en het uitvoeren van voorbehouden handelingen door niet-tandartsen”) met de volgende eisen geconcretiseerd:

  1. Opdrachtgever (tandarts) dient zich te overtuigen van bekwaamheid van opdrachtnemer.
  2. Opleiding door uitsluitend de opdrachtgever (tandarts) is alleen acceptabel indien er toezicht door derden (professionals in het opleidingscircuit) op de opleiding is.
  3. De opdrachtgever (tandarts) geeft opdracht per patiënt en indien nodig aanwijzingen en evalueert de uitvoering; de opdrachtbeschrijving wordt schriftelijk vastgelegd in een protocol.
  4. De opdrachtgever (tandarts) is fysiek in de praktijk aanwezig voor overleg, advies en de mogelijkheid van tussenkomst; telefonische bereikbaarheid of bereikbaarheid op afstand is niet voldoende.
  5. De opdrachtnemer moet zich redelijkerwijs bekwaam achten.
  6. De opdrachtnemer informeert de patiënt dat hij de voorbehouden handeling uitvoert in opdracht van de tandarts en vraagt de patiënt toestemming voor deze behandeling.

Voor wat betreft de bekwaamheid van de assistente is het College van oordeel dat de assistente zichzelf daartoe bekwaam kon achten (eis 5) en dat de tandarts haar daartoe bekwaam kon achten en daarvan overtuigd kon zijn (eis 1). Met betrekking tot de opleiding oordeelt het College echter dat niet is voldaan aan deze opleidingseis (eis 2) omdat het externe toezicht bij de opleiding ontbrak. Daarnaast was – naar eigen zeggen – deze interne opleiding gericht op het vullen van eenvlaksvullingen en niet (blijkens de behandelkaart) het vullen van een drievlaksvulling.

Informed consent
Partijen verschillen vervolgens ook van mening over het antwoord op de vraag of de tandarts en de assistente klaagster adequaat hebben geïnformeerd over de door de assistente te verrichten handelingen en of zij aan klaagster daarvoor toestemming hebben gevraagd (eis 6). Het College kan niet vaststellen wat daarop het antwoord is. Dit keert zich, zo stelt het College, tegen de tandarts. Zo oordeelt het College dat de redelijke verdeling van de bewijslast met zich meebrengt dat de tandarts aannemelijk dient te maken dat hij klaagster heeft ingelicht over de door de assistente te verrichten handelingen (verdoven en vullen) en dat zowel hijzelf als de assistente daarvoor toestemming aan klaagster hebben gevraagd en gekregen.

Daar waar normaal gesproken bij tegenovergestelde standpunten met betrekking tot de feiten het College oordeelt dat op basis van de tegenstrijdige standpunten niet kan worden vastgesteld hoe de gang van zaken is verlopen, wordt in het onderhavige geval dus aansluiting gezocht bij een redelijke verdeling van de bewijslast. Dit maakt de juiste vastlegging van de gang van zaken in het dossier van de patiënte zeer belangrijk. Het College oordeelt namelijk dat de tandarts weliswaar het protocol voor de voorbehouden handelingen in het geding heeft gebracht maar nu dat protocol niet is gedateerd niet kan worden vastgesteld wanneer dit is opgemaakt. Daarbij constateert het College dat uit het dossier niet kan worden opgemaakt welke procedure is gevolgd en of toestemming voor de behandeling is gevraagd.

Ook met betrekking tot informed consent constateert het College dat wellicht door de tandarts mondelinge afspraken met klaagster zijn gemaakt maar dat het met het oog op de ingevolge art. 7:448 van het Burgerlijk Wetboek op de tandarts rustende informatieplicht niet voldoende is. Een enkele verwijzing naar de handelswijze in het verleden is eveneens onvoldoende. Informed consent van klaagster is niet schriftelijk vastgelegd en dat valt volgens het College de tandarts aan te rekenen, zodat de maatregel van een waarschuwing (zoals door het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle opgelegd) gehandhaafd blijft.
Kortom: indien u uw assistent(e) door middel van een interne opleiding opleidt, zorg er dan voor dat een (externe) derde toezicht houdt op deze opleiding en leg dit schriftelijk vast. Leg zo mogelijk de toestemming van de patiënt voor het verrichten van de voorbehouden handeling door een assistente schriftelijk vast, én informeer de patiënt voorafgaand aan de te verrichten handeling over de werkzaamheden die de assistente zal gaan verrichten, en leg dit ook vast.

Al met al een hoop papierwerk, maar met een compleet dossier staat of valt uw verdediging binnen het tuchtrecht.

Bekijk hier de uitspraak.

Door:
Sebastiaan van der Leer – Köster Advocaten N.V

Lees meer over: Ondernemen, Tuchtrecht, Wet- en regelgeving
Recht vierkant

Tuchtrechtelijke uitspraken mondzorg maart 2014

Soms is de scheidslijn dun. Wat is wel en niet geoorloofd? Bekijk de uitspraak van het Centraal Tuchtcollege van maart 2014 over collegialiteit van een beroepsgenoot.

Collegialiteit als basis voor tuchtklacht
Uitspraak 11 maart 2014, Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag (nr. c2012.444) (ECLI:NL:TGZCTG:2014:99)

Het komt niet vaak voor dat een tandarts zich wendt tot een Tuchtcollege op grond van de oncollegialiteit van een beroepsgenoot. Wat partijen ook in dit geval verdeeld hield, is of die oncollegialiteit voldoende basis biedt om de klager als ontvankelijk aan te merken.

Wat was het geval?
Klager (in de onderhavige procedure, A) was in een eerdere procedure beklaagde. Hij wendde zich tot zijn rechtsbijstandsverzekeraar, welke een tandartsadviseur (B, in de onderhavige procedure beklaagde) naar zijn zaak liet kijken. Deze tandartsadviseur was tevens juridisch adviseur en hoofdredacteur van een toonaangevend blad (welk blad blijkt niet uit de uitspraak). Nadat de tandartsadviseur (B) zijn zienswijze over de casus aan de rechtsbijstandsverzekeraar kenbaar had gemaakt (en nog voordat de tuchtrecht in die procedure een oordeel had geveld), plaatste hij een stuk van zijn eigen hand in het blad waaruit bleek dat hij van oordeel was dat de tandarts (A) klachtwaardig had gehandeld en een deemoedige houding diende aan te nemen, om zodoende het Tuchtcollege te overtuigen geen maatregelen tegen de tandarts (A) op te leggen. Het regionaal Tuchtcollege legde de tandarts (A) in die eerdere procedure echter wel een maatregel, namelijk die van een waarschuwing.
Vervolgens diende de gewaarschuwde tandarts (A) een klacht in tegen de tandartsadviseur (B), omdat volgens hem “de tandarts (B) willens en wetens getracht had het eerste proces te verstoren door de zaak voorafgaand aan de tuchtrechtelijke procedure uitgebreid en herkenbaar in de vakliteratuur uit te meten en daarmee de goede uitoefening van het tuchtproces, en dus de uitoefening van de individuele gezondheidszorg, aan heeft getast”. Daarnaast betichtte hij de tandarts (B) van (opzettelijk) ernstige oncollegiaal gedrag.

Het Centraal Tuchtcollege
Het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam heeft klager niet ontvankelijk verklaard in zijn klacht. Het Centraal Tuchtcollege is met klager van oordeel dat het tuchtrecht mede dient als waarborg voor een zorgvuldige uitoefening van de individuele gezondheidszorg. Dit impliceert dat een goede en onafhankelijke tuchtrechtspraak een belang is als bedoeld in artikel 47 lid 1 sub B van de wet BIG.

Artikel 47: lid 1:
Degene die in één der in het tweede lid vermelde hoedanigheden in een register ingeschreven staat, is onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van:

A. enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die hij in die hoedanigheid behoort te betrachten ten opzichte van:

  1. degene, met betrekking tot wiens gezondheidstoestand hij bijstand verleent of zijn bijstand is ingeroepen;
  2. degene die, in nood verkerende, bijstand met betrekking tot zijn gezondheidstoestand behoeft;
  3. de naaste betrekkingen van de onder jº 1 en jº 2 bedoelde personen;

 

B. enig ander dan onder A bedoeld handelen of nalaten in die hoedanigheid in strijd met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg.

Het Centraal Tuchtcollege oordeelt dus dat een goede onafhankelijke tuchtrechtspraak onder het door artikel 47 lid 1 sub B van de wet BIG bedoelde belang valt. Het publiceren van een artikel over een bij een Tuchtcollege lopende zaak door een tandarts die als adviseur rechtstreeks bij die zaak betrokken is, op zodanige wijze dat duidelijk is dat het artikel die lopende zaak betreft, schept voor het Centraal Tuchtcollege het risico dat het (regionaal) Tuchtcollege door die publicatie wordt beïnvloed. Daarmee kan de onafhankelijkheid van het tuchtrecht in het geding komen, althans kan daarmee de schijn worden gewekt dat zulks het geval is. Hierdoor oordeelt het Centraal Tuchtcollege dat de klager ontvankelijk is in zijn klacht.

Wat daarnaast nog speelt, is of de tandarts (A) als belanghebbende in de zin van artikel 65 lid 1 onder A van de wet BIG kan worden aangemerkt.

Artikel 65 lid 1:
Een zaak wordt in eerste aanleg bij het bevoegde Regionaal Tuchtcollege aanhangig gemaakt door een schriftelijke klacht van:

A. een rechtstreeks belanghebbende;

Het Centraal Tuchtcollege oordeelt dat ook een collega als belanghebbende in de zin van de vermelde bepaling kan worden beschouwd, met name in geval van oncollegiaal gedrag wat van invloed is (of kan zijn) op de individuele gezondheidszorg (en de daaraan gerelateerde ontvankelijke tuchtrechtspraak). Dit maakt dat volgens het Centraal Tuchtcollege klager dus ook in dat opzicht ontvankelijk is in zijn klacht.

Het Centraal Tuchtcollege oordeelt vervolgens dat op basis van de in het verweer gebrachte stukken, en hetgeen ter zitting is gebleken, het gepubliceerde artikel geen invloed heeft gehad op de goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg. Daardoor concludeert het Centraal Tuchtcollege dat de tandarts (B) geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 sub b van de wet BIG kan worden gemaakt, zodat de klacht ongegrond wordt verklaard.

Oncollegiaal gedrag
Los van de uitkomst, leert deze uitspraak dat oncollegiaal gedrag (gerelateerd aan de onafhankelijke tuchtrechtspraak) mee kan brengen dat een collega tandarts als direct belanghebbende kan worden aangemerkt, zodat die oncollegialiteit voldoende basis kan bieden voor het indienen van een tuchtklacht.

Bekijk hier de uitspraak

Door:
Sebastiaan van der Leer – Köster Advocaten N.V

 

Lees meer over: Ondernemen, Tuchtrecht, Wet- en regelgeving

Weigering dragen korte mouwen reden voor ontslag

Een pedagogisch medewerkster van het Maasstad Ziekenhuis weigerde vanwege haar geloof te werken met blote onderarmen. Het ziekenhuis stond de weigering oogluikend toe, ondanks de regels. Na uitbraak van een bacterie moesten de hygiëneregels strenger worden nageleefd en moest de vrouw van het ziekenhuis toch korte mouwen dragen. Na aanhoudende weigering, verzocht het ziekenhuis ontbinding van de arbeidsovereenkomst, meldt Jurofoon.

De vrouw verweerde zich bij de rechter en vroeg een uitzondering te maken voor werknemers die alleen sociale contacten met patiënten hebben. Na onderzoek concludeerde de IGZ dat de vrouw toch korte mouwen moest dragen in verband met infectiegevaar. De rechter kwam tot dezelfde conclusie en vond ontbinding van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd.

De pedagogisch medewerkster ontving wel een schadevergoeding van 9.500 euro omdat het strengere hygiënebeleid in de risicosfeer van de werkgever lag en de vrouw gerechtvaardigde bezwaren had.

Bron:
Jurofoon

 

Lees meer over: Ondernemen, Wet- en regelgeving
Acute medische situaties

Wat te doen bij acute medische situaties?

De overheid stelt dat tandartsen bij acute medische problemen hulp moeten kunnen bieden totdat de ambulance voorrijdt of andere professionele hulp arriveert. Dit heet tuchtrechtelijke aansprakelijkheid. In veel groepspraktijken zijn er al kastjes met een AED. De reanimatie slaagkans met een AED is 60 %. Een handmatige reanimatie heeft slechts 20 % kans van slagen.

Wat kunt u doen bij acute medische situaties? Verslag van de ACTA-cursus gegeven door mevrouw D. van Diermen, arts-docent bij de afdeling Mondziekten en Kaakchirurgie en de heer dr. H.S. Brand, medisch bioloog.

Ademhalingsmoeilijkheden
Een normale ademhaling is 10 tot 12 maal per minuut. Er wordt een case behandeld van iemand met een astma bronchiale aanval. Vraag vooral bij lange (endo)behandelingen of deze patiënten een Ventolin spray mee willen nemen. Als de patiënt een aanval krijgt, is de spray dichtbij.

Wat ook nog wel eens voorkomt is een hyperventilatieaanval. Kenmerkend is de oppervlakkige ademhaling, lichtheid in het hoofd, tintelingen in vingers en rondom mond. De goede actie is de patiënt rechtop te laten zitten en in een plastic zakje te laten ademen totdat de patiënt rustiger wordt.

Controleer bij een ernstige cyanose (benauwdheid) met blauwe tong, neus en handen het bewustzijn en de hartslag en bel de ambulance. Ga reanimeren en als u een zuurstoftank heeft met een masker, sluit deze direct aan.

Allergische reactie
Een anafylactische reactie vindt plaats als iemand ernstig allergisch is. Dit heet het type I reactiepatroon. Deze reactie kan onder andere optreden bij contact met latex, gutta percha en anesthetica. De patiënt krijgt een rood gezwollen gezicht, klamme huid, zwakke snelle pols en lage bloeddruk. De patiënt kan ook duizelig worden en het bewustzijn verliezen. Het is slim als de tandarts een medische urgentiekoffer in zijn bezit heeft. Er moeten drie injecties gegeven worden met adrenaline, dexamethason en clemastine. Bel ook de ambulance.

Er zijn ook nog andere types overgevoeligheidsreacties: type II, III en IV . Deze zijn over het algemeen minder ernstig en gaan gepaard met huidreacties. Een overgevoeligheidsreactie van het type II is meer lokaal en gaat gepaard met weefselschade. Kenmerkend is dat een aantal allergenen zich aan het membraan van bepaalde lichaamscellen kunnen binden. Hierdoor verandert het membraan van structuur. Het type III kenmerkt zich door allergenen die met circulerende antilichamen in het bloed reageren waardoor immuuncomplexen ontstaan. Hierdoor ontstaat een lokale ontstekingsreactie. Ongeveer 6 uur na contact met het allergeen is de Type III overgevoeligheidsreactie maximaal. Het klassieke voorbeeld van het Type IV is de zogenaamde contactallergie. Hierbij passeren vetoplosbare stoffen (haptenen) de buitenste laag van de epidermis. Hierdoor ontstaan Th1 lymfocyten gericht tegen het allergeen. Bij een herhaald contact worden deze Th1 lymfocyten weer geactiveerd en er ontstaat weefselschade. Een type IV overgevoeligheidsreactie heeft aanzienlijk meer tijd nodig om zich te ontwikkelen, met een maximum van 24 tot 72 uur.

Hartinfarct
De patiënt krijgt pijn op de borst, uitstralend naar hals en kaakhoeken en/of naar linker schouder, arm en hand. Vaak is de patiënt misselijk en moet hij/zij braken.

De patiënt ziet bleek, transpireert, heeft een weinig krachtige polsslag en de bloeddruk is laag. Nitroglycerine kan uit de medische urgentiekoffer gehaald worden en sublinguaal toegediend worden. Als dit begint te werken dan is er sprake van angina pectoris.

In ernstige gevallen werkt dit niet en kan er een hartinfarct met circulatiestilstand ontstaan: in dit geval dient u onmiddellijk de ambulance te bellen en te starten met basale reanimatie. Geef een Aspirine 500 mg om het bloed te verdunnen en eventueel zuurstof uit de fles.

Hypoglykemie bij diabetes mellitus
Er is sprake van sufheid of motorische onrust, of verward of agressief gedrag. Er kunnen ook buikklachten zijn met een bleek gezicht en transpireren. De goede actie is om druivensuiker te geven en bji bewustzijnsverlies eventueel glucagon intramusculair 1 mg/ml in te spuiten.

CVA Herseninfarct
Hierbij is sprake van een halfzijdige verlamming, dwangstand van de ogen, een taal/spraakstoornis en eventueel bewustzijnsverlies. De te nemen actie is het controleren van bewustzijn, pols en ademhaling en zo nodig basale reanimatie uitvoeren. Het is belangrijk dat de patiënt zo snel als mogelijk naar het ziekenhuis vervoerd wordt.

Nieuwste reanimatietechniek
Het middagprogramma bestaat uit het oefenen van de reanimatie op poppen. Dit is een goede oefening en vooral het ritme van de reanimatie is zwaar.

De huidige reanimatietechniek is dertig maal met beide handen op elkaar op het borstbeen drukken 5-6 cm diep en daarna twee maal te beademen. Vervolgens weer dertig keer drukken. Bij voorkeur wordt dit na enkele minuten overgenomen door iemand anders. En hopelijk is de ambulance er dan al.

Urgentiekoffer
Zowel mevrouw Van Diermen als de heer Brand benadrukken dat het handig is om een medische urgentiekoffer in de praktijk te hebben met medicijnen die in acute situaties nodig zijn. Een urgentiekoffer bevat meestal: : Druivensuiker, glucagon-injectieset, adrenaline noodpen, dexamethason injectie, antihistaminicum injectie, antihistaminicum tabletten, zuurstof, nitroglycerine spray en Ventolin inhaler.

Informatie en cursussen over reanimeren
Op de site van de Nederlandse Reanimatie Raad kunt u posters over reanimatie downloaden. Cursussen reanimeren kunt u volgen bij:
Oranje Kruis
Rode Kruis
BHV Nederland

De Nederlandse Hartstichting heeft een app over reanimeren ontwikkelt die u gratis kunt downloaden.

Mevrouw D. Van Diermen is arts-docent bij de afdeling Mondziekten en Kaakchirurgie/Ziekteleer en Medisch Tandheelkundige Interactie bij het Academisch Centrum voor Tandheelkunde Amsterdam (ACTA). Tevens doet zij onderzoek op dit gebied. Daarnaast was Van Diermen bestuurslid van de Vereniging voor Medische Tandheelkundige Interactie (VMTI).

De heer dr. H.S. Brand is medische bioloog en als universitair docent werkzaam bij de afdeling Parodontologie en Orale Biochemie en de afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, bij het ACTA.

Verslag door Marian Vrolijk van de ACTA-cursus gegeven door mevrouw D. van Diermen en de heer dr. H.S. Brand.

Lees meer over: Congresverslagen, Kennis, Medisch | Tandheelkundig, Ondernemen, Thema A-Z, Wet- en regelgeving
Checklist patiëntendossier

Checklist patiëntendossier

Voor veel praktijken ligt er een grote uitdaging om minimaal te voldoen aan de richtlijn Patiëntendossier. Onderstaand een checklist ter ondersteuning met verplichte en gewenste onderdelen in het patiëntendossier.

De basis voor medisch professioneel handelen wordt gevormd door onderzoek en consensus binnen de beroepsgroep vastgelegd in richtlijnen, praktijkwijzers en protocollen. De richtlijn is dan een weergave van de professionele standaard. Rondom het patiëntendossier ligt er voor veel praktijken een grote uitdaging om minimaal te voldoen aan deze professionele standaard. Onderstaand een checklist ter ondersteuning.

Dossiervoering
De KNMT-richtlijn Patiëntendossier geeft de tandartspraktijk een leidraad voor het inrichten en bijhouden van een patiëntendossier. Een zorgvuldige dossiervorming is van belang in het kader van:

  • Kwaliteit en continuïteit van de zorgverlening
  • Verantwoording en toetsbaarheid

Alle informatie die nodig is voor het verlenen van goede tandheelkundige zorg moet dus worden vastgelegd. Dit is in lijn met het uitgangspunt dat de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) hanteert bij haar beoordeling: “wat niet is opgenomen in het dossier, is ook niet uitgevoerd”.

Checklist
De NMT-richtlijn maakt onderscheid tussen verplichte onderdelen (die de professionele standaard weergeven) en gewenste onderdelen (voor tandartsen die op het terrein van het patiëntendossier een hogere kwaliteit nastreven).

Enkele verplichte onderdelen:

  • Medische anamnese, bijvoorbeeld de ASA scorelijst
    Bij elk contact wordt de patiënt gevraagd naar eventuele wijzigingen in de anamnese. Maak dit aantoonbaar door hiervan een notitie te maken in het dossier (bijvoorbeeld: medische anamnese geen bijzonderheden).
  • Actueel medicatieoverzicht in de eerste lijn
  • Uitgeschreven recepten
    Geneesmiddelen mogen (in de nabije toekomst) alleen nog elektronisch voorgeschreven worden. Advies is dan ook om meerdere receptenbrieven digitaal aan te maken, zodat deze snel aangepast kunnen worden. Het uitgeschreven recept wordt vervolgens in het digitale dossier van de patiënt opgeslagen.
  • Allergische reactie op toegediende of voorgeschreven medicatie
  • Bevindingen van het uitgevoerde extra- en intraorale (basis-) onderzoek
  • Röntgenologisch onderzoek: tenminste de diagnose en in principe de indicatie en de bevindingen
    Zowel de indicatie tot de röntgenopname (rechtvaardiging) en de uitkomst van de interpretatie van die opname moeten in principe worden vermeld in het patiëntendossier. Bij solo- of bitewing foto’s is het niet altijd noodzakelijk om de bevindingen in het patiëntendossier vast te leggen. Vaak is hier sprake van het maken van een opname in directe samenhang met de behandeling (opsporen pijnklachten, lengtebepalingen). Dat zelfde geldt voor foto’s die met een bepaalde individuele frequentie gemaakt worden bijvoorbeeld ten behoeve van cariësonderzoek. Wanneer sprake is van waarnemingen die bij toeval op de opname zichtbaar zijn, is het vastleggen van bevindingen in het patiëntendossier wel aangewezen.
  • DPSI-score
    Parodontale screening (en het bepalen van de DPSI-score) vindt plaats bij elke periodieke controle.
  • Informed consent (op adequate informatievoorziening gebaseerde toestemming)
    De toestemming van de patiënt voor een behandeling is geketend aan de informatievoorziening hierover. Het is een wettelijke plicht om toestemming te vragen in combinatie met het verstrekken van relevante informatie. Zo zijn informatie en toestemming aan elkaar geketend. De toestemming kan expliciet, impliciet of verondersteld zijn. Bij een impliciete of veronderstelde toestemming dient hiervan een notitie te worden gemaakt in het patiëntendossier.
  • Vastleggen dat toestemming is verleend de behandeling te delegeren
    De patiënt dient toestemming te geven indien een behandeling wordt gedelegeerd. Maak ook hiervan een notitie in het patiëntendossier.
  • Gegevens in het kader van horizontale en verticale verwijzing
    Neem bijvoorbeeld verwijsbrieven en terugrapportages altijd op in het patiëntendossier.
  • Gebruikte anesthesie (bijvoorbeeld Ultracaïne, Septanest of Citanest)
    De tandarts kan ook in een protocol vastleggen welke anesthesie standaard gebruikt wordt. In dat geval hoeven alleen afwijkingen van het protocol in het dossier te worden vermeld.
  • Verklaringen van de patiënt over in het dossier opgenomen stukken
  • Complicaties bij behandelingen, zoals afgebroken vijl of perforatie
  • Onbedoelde effecten van verrichtingen (zoals mislukte verrichtingen)

Gewenste onderdelen:

  • Beoogd zorgdoel / zorgrichting en eventuele aanpassing daarvan met de reden
  • Persoonlijke risico’s (medisch en tandheelkundig, zoals cariësrisico, parodontale risico, slijtagerisico, etc.)
  • De vastgestelde controletermijnen naar aanleiding van de risicoanalyses en het zorgdoel
  • De te verrichten diagnostiek (soort / planning) om schadelijke processen op te sporen en/of te monitoren (bijvoorbeeld intervalfoto’s, interval bloedingsindex, speekseltest)
  • Stand van zaken omtrent het behandelplan

Door:
Sjoerd Kuiken adviseert en begeleidt praktijken op het gebied van wet- en regelgeving, kwaliteitsystemen en financieel gezonde praktijkvoering.

Lees meer over: Kennis, Kwaliteit, Ondernemen, Patiëntendossier, Wet- en regelgeving
Verandering wetgeving tijdelijke arbeidsovereenkomsten per 1 juli 2014

Verandering wetgeving tijdelijke arbeidsovereenkomsten per 1 juli 2014

Per 1 juli verandert de wetgeving voor tijdelijke arbeidsovereenkomsten. Wat verandert er? Een overzicht van de wijzingen, vermeld op de website van P&O Actueel.

 

 


 

  • In een contract van 6 maanden of korter mag u geen proeftijd meer opnemen. Dat geldt ook voor een aansluitend contract.
  • Opzegtermijn bij een tijdelijk contract: u moet uw medewerker uiterlijk één maand voor het einde van het contract schriftelijk informeren of u het contract wel of niet verlengt. Dit geldt niet voor contracten korter dan 6 maanden.
  • Periode tijdelijk contract korter: u mag maximaal 3 tijdelijke contracten geven in een periode van twee jaar (dit was drie jaar). Als u uw medewerker in dienst wilt houden moet u sneller een vast contract aanbieden. Om deze periode te doorbreken moet de medewerker 6 maanden uit dienst. Dit was 3 maanden.
  • Er mag geen concurrentiebeding meer staan in een tijdelijk contract, alleen als er een ‘zwaarwegend bedrijfsbelang’ is.

Bekijk ook de wijzigingen in het arbeidsrecht per 2015 bij P&O Actueel

Bron:
P&O Actueel

Lees meer over: Ondernemen, Personeel, Wet- en regelgeving
Wet- en regelgeving: wat de tandarts moet weten

Wet- en regelgeving: wat de tandarts moet weten

Welke wetten zijn belangrijk voor tandartsen? En wat betekenen deze wetten voor uw praktijk? De belangrijkste wetten en do’s en dont’s op een rijtje.

Een verslag van de workshop ”Wet- en regelgeving voor tandartsen” van de Associatie Nederlandse Tandartsen , verzorgd door mr. drs. Astrid van Zon en drs. Sherif El Boushy.

Mondzorgprofessionals moeten zich houden aan wetten, besluiten en richtlijnen. Wat niet geregeld is bij wet, wordt uitgewerkt in een besluit, bijvoorbeeld het besluit radiologie. Aan een officiële richtlijn moet u zich houden zoals aan een wet. Van een protocollen mag worden afgeweken, als dat wordt gemotiveerd en in het dossier wordt vastgelegd.

Beroepsorganisaties zoals NMT, ANT en NVT maken officiële richtlijnen, waarop de Inspectie voor de Gezondheidszorg controleert. Voordat een richtlijn wordt vastgesteld, kunt u altijd feedback geven op de conceptversie. Daardoor wordt de richtlijn beter uitvoerbaar in de praktijk.

Aan welke wetten, besluiten en richtlijnen moeten tandartsen zich houden?
 Een overzicht:

1. Wet geneeskundige behandelovereenkomst (WGBO)
De WGBO omschrijft de geneeskundige behandelovereenkomst. Enkele onderdelen van de WGBO:

  • Dossierplicht
    Voor elke patiënt die u behandelt moet u een dossier aanleggen.
  • Recht op informatie
    U moet uw patiënt informeren over de risico’s, kosten en vergoeding van uw behandeling. U moet deze informatie duidelijk en begrijpelijk verstrekken. Als u een tariefswijziging bijvoorbeeld alleen kenbaar maakt via de website en een folder op de balie is dat niet genoeg.
    Tegenwoordig moet u steeds meer vertellen over een behandeling. Indien een behandeling niet noodzakelijk is wordt de verplichting om op de risico’s te wijzen groter. Check altijd of de patiënt u begrepen heeft.
  • Plichten van de patiënt
    De patiënt moet meewerken met de behandeling en betalen. Doet de patiënt dat meerdere keren niet, dan mag u de behandelovereenkomst opzeggen.
  • Toestemmingsvereiste
    De patiënt moet toestemming geven voor een behandeling. Bij niet ingrijpende zaken zoals controle, is toestemming verondersteld. Als een patiënt akkoord gaat met een begroting, dan heeft hij ook toestemming voor de behandeling gegeven.
  • Geheimhouding
    Schendt u de geheimhoudingsplicht, dan kan u dat een tuchtklacht en een tuchtmaatregel opleveren. Een voorbeeld: patiëntgegevens mogen niet op het computerscherm zichtbaar zijn voor bezoekers aan de balie.

Welke tuchtmaatregelen kan een tandarts opgelegd krijgen?

  • Een waarschuwing;
  • Een berisping;
  • Een geldboete tot 4.500;
  • Een schorsing van de inschrijving in het register, maximaal 1 jaar lang;
  • Een gedeeltelijke ontzegging van de bevoegdheid om uw beroep uit te oefenen;
  • Uitschrijving uit het BIG-register.

Hulpverleningsplicht
De hulpverleningsplicht houdt in dat u ingeschreven patiënten behandelt u zoals zij dat willen. U moet noodhulp verlenen voor niet ingeschreven patiënten, zoals tijdens een weekenddienst. U bent in principe niet verplicht om een patiënt aan te nemen. Uitzonderingen zijn als u weigert door discriminatie, vanwege afspraken met derden, of als u eerder de indruk heeft gewekt dat inschrijven mogelijk was. Baliemedewerkers die patiënten inschrijven moeten dus op hun woorden letten. Zij moeten duidelijk vertellen dat de tandarts na een gesprek beslist of patiënt definitief wordt aangenomen.

Wanneer mag u de behandelovereenkomst opzeggen?
Opzeggen mag bij conflicten, agressie, bedreiging en wanneer een patiënt een tuchtklacht tegen u indient. U mag echter niet de behandelovereenkomst met een heel gezin opzeggen vanwege één gezinslid. Andere geldige redenen voor opzeggen zijn bijvoorbeeld:

  • Voortdurend niet betalen;
  • Een ernstig meningsverschil over behandeling;
  • Aantoonbaar meerdere keren afspraken niet nakomen;
  • Praktijkinkrimping.

Er zijn ook voorwaarden verbonden aan de manier van opzeggen. U moet duidelijk maken dat er een probleem is en op redelijke termijn opzeggen. Daarnaast moet u lopende behandelingen afmaken en de patiënt helpen bij het vinden van een andere tandarts. Daarbij volstaat een lijst met tandartsen in de buurt. U moet ook de patiëntgegevens aan de nieuwe tandarts geven.

2. Wet op de beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (BIG)

  • Titelbescherming
    Tandarts is een beschermde titel. U mag deze alleen voeren als u de juiste opleiding heeft afgerond en een BIG-registratie heeft, anders bent u strafbaar. Ook de titel mondhygiënist is beschermd.
  • Voorbehouden handelingen
    Deze handelingen mogen alleen zelfstandig uitgevoerd worden door tandartsen, bijvoorbeeld lokale anesthesie en röntgenfoto’s maken. Onder bepaalde voorwaarden mag de tandarts deze handelingen wel delegeren. Tijdens de uitvoering moet de tandarts dan wel in het pand aanwezig zijn. Mondhygiënist hebben ”functionele zelfstandigheid” voor lokale verdovingen de behandeling van kleine caviteiten. Daarvoor hoeft de tandarts niet in het pand aanwezig te zijn.
  • Verantwoorde zorg
    U moet verantwoorde zorg bieden en de kwaliteit van zorg systematisch bewaken.
  • Strafbepalingen
    Strafbepalingen vullen het tuchtrecht aan. Het strafrecht wordt toegepast als u een tuchtrechtelijke maatregel niet naleeft. U bent ook strafbaar als u onbevoegd voorbehouden handelingen uitvoert of als u gezondheidsschade veroorzaakt. U mag geen overeenkomst aangaan om aansprakelijkheid uit te sluiten.

3. Kwaliteitswet
Elke instelling moet een kwaliteitsjaarverslag openbaar maken en dat verslag voor 1 juni van het volgende jaar inleveren bij de inspectie, de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en het regionale consumenten- en/of patiëntenplatform. Daarin vermeldt u hoe u verantwoorde zorg levert. U bent verplicht elk jaar een verslag te publiceren op grond van de Kwaliteitswet Zorginstellingen (KWZ) als u een ‘zorginstelling’ bent. Werken 2 of meer tandartsen met elkaar samen, waarbij ook het patiëntenbestand wordt gedeeld, dan is er sprake van een zorginstelling. Vermeld in het verslag of uw praktijk dat jaar een officiële klacht bij klachtencommissie heeft gehad. Schrijf ook op hoe u dat in de toekomst wil voorkomen.

4. Wet Klachtrecht Cliëntenzorgsector
Deze wet versterkt de positie van de patiënt. U moet een klachtenregeling hebben. Deze moet bekend zijn bij patiënten. U kunt de klachtenregeling van de ANT of NMT gebruiken of zelf een klachtencommissie vormen met anderen.

5. Arbowet
Als werkgever bent u verantwoordelijk voor de veiligheid van uw personeel. Eens per vijf jaar moet u een Risico-Inventarisatie & Evaluatie (RI&E) uitvoeren. Vanaf 25 medewerkers is externe controle van uw RI&E-instrument verplicht. Bewaar een RI&E-mapje in uw praktijk voor de inspectie met:

  • Fysieke belasting en werkdruk, BHV-er, brandveiligheid / nooduitgang
  • AED apparaat (optioneel), eerste hulp koffer (verplicht)
  • Vaccinatie Hepatitis B aanbieden
  • Prikaccidenten overleggen met Prikpunt (advies: vooraf aanmelden als werkgever)
  • Veiligheidsinformatiebladen en dental stoffenmanager

U moet ook een arbo- en verzuimbeleid maken of u aansluiten bij arbodienst. Een andere eis is dat in elke praktijk gediplomeerde bedrijfshulpverleners moeten zijn. Solisten moeten dus altijd een BHV-diploma hebben.

6. Besluit Stralingsbescherming
In dit besluit staan eisen aan ruimtes met röntgenapparatuur. Er moeten bijvoorbeeld waarschuwingstekens op de deur staan, als een medewerker kan worden blootgesteld aan een stralingdosis hoger dan 6 millisievert per jaar. Voor een röntgenapparaat van 100 kilovolt of meer moet u een vergunning hebben. Voor andere apparaten geldt een meldingsplicht. Doorgaans wordt het röntgenapparaat al aangemeld bij aankoop.

7. Kernenergiewet (KEW)
De gezondheidschade door straling moet altijd afgewogen worden tegen het therapeutisch nut. U moet ook altijd zo weinig mogelijk straling gebruiken. Maak dus niet bij elke patiënt standaard twee keer per jaar bite wings.
De stralingsdeskundige tandarts in uw praktijk moet een KEW-dossier aanleggen met:

  • KvK-uittreksel;
  • Een uitdraai van BIG-registratie;
  • Een stralingsanalyseplattegrond;
  • Maatregelen die u treft voor de laagste dosis;
  • Instructies voor assistenten die foto’s maken;
  • Werkprotocollen;
  • Een beschrijving van de taakdelegatie;
  • Een taakomschrijving van stralingsdeskundige tandarts;
  • Een acceptatietest van de leverancier;
  • Gegevens over de jaarlijkse apparaatcontrole.

Het dossier moet ook een ondertekende bekwaamheidsverklaring bevatten voor elke assistent die foto’s maakt. Deze bekwaamheidsverklaring moet de assistent elk jaar opnieuw ondertekenen, ook als hij of zij een röntgendiploma heeft.

8. Geneesmiddelenwet
U mag alleen werken met in Nederlandse geregistreerde geneesmiddelen. Bij overtreding krijgt u een boete van de Voedsel- en Warenautoriteit (VWA). Informatie op de verpakking en in de bijsluiter moet beschikbaar zijn in het Nederlands.

9. Drinkwaterwet
Drinkwaterbedrijven voeren terugslagklepcontrole van uw unit uit, maar u moet zelf de waterkwaliteit van uw unit testen. In de nieuwe WIP-richtlijn wordt opgenomen dat u elk half jaar de waterkwaliteit zelf moet testen.

10. WIP-richtlijn
De nieuwe WIP-richtlijn komt waarschijnlijk voor de zomer van 2014 uit. Docent Sherif El Boushy raadt mondzorgprofessionals aan om feedback te geven (via de website van de ANT en NMT) op de conceptversie, zodat deze praktisch haalbaar wordt. Wat betreft persoonlijke hygiëne verandert er niet veel in de nieuwe richtlijn. Nagellak wordt in de nieuwe WIP-richtlijn toegestaan als de nagels kortgeknipt zijn.

Onder infectiepreventie vallen:

  • Lege en schone werkbladen;
  • Handsfree kranen, alcohol- en zeepdispensers;
  • Werkkleding, zonder sieraden;
  • Hepatitisvaccinaties;
  • Geen eten en drinken in de behandelruimte;
  • Veiligheidsbrillen;
  • Handschoenen.
    Handschoenen zijn poreus, dus let altijd goed op handhygiëne. Handdesinfectie is erg belangrijk, want 70% van de infecties verloopt via de handen. Draag ook altijd aan uw veiligheidsbril, want van een herpescontaminatie in het oog kunt u blind worden.

Tot slot: wat mag de IGZ-inspecteur doen in uw praktijk?
U mag de inspecteur niet weigeren. De inspecteur mag in uw hele praktijk alles doorzoeken, ook zakelijke gegevens. Daarnaast mag de inspecteur dossiers inkijken zonder toestemming van patiënten, maar met geheimhoudingsplicht.
Een praktijk wordt alleen gesloten als er heel veel mis is. Krijgt u een bevel van de inspectie en heeft u de volgende dag geen goede tegenargumenten, dan moet u de praktijk sluiten. De praktijk blijft dan dicht tot verbeteringen zijn doorgevoerd.
Een bevel wordt altijd op de website van de inspectie gemeld en kan daar worden gezien door de media. Wilt u dat voorkomen, let dan op of de inspecteur iets zegt zoals: ”In vergelijkbare gevallen werd de praktijk gesloten”. Vervolgens kunt u zeggen dat u zelf besluit om de praktijk te sluiten tot verbeteringen zijn doorgevoerd. U voorkomt dan dat u een bevel krijgt opgelegd.

Over de docenten
Mr. drs. Astrid van Zon is senior beleidsadviseur bij de ANT. Zij studeerde naast tandheelkunde ook rechten en was onder meer werkzaam als tandheelkundig adviseur bij de Inspectie voor de gezondheidszorg (IGZ).

Drs. Sherif El Boushy is sinds 2004 praktijkhouder in Delft, algemeen practicus en manager. Hij studeerde bedrijfskunde (MBA) en geeft daarnaast trainingen en coaching aan tandartsen. Hij is eigenaar van Dentallect, een video e-Learningplatform voor het opleiden van medewerkers in en rond de tandartspraktijk en is bestuurslid van de ANT.

Een verslag van de workshop ”Wet- en regelgeving voor tandartsen” van de Associatie Nederlandse Tandartsen, verzorgd door mr. drs. Astrid van Zon en drs. Sherif El Boushy.

 

Lees meer over: Ondernemen, Wet- en regelgeving

Nieuwe WIP-richtlijnen waarschijnlijk voor de zomer ingevoerd

De richtlijnen voor infectiepreventie worden momenteel door de Werkgroep Infectiepreventie (WIP) herzien. Onlangs had de werkgroep haar laatste bijeenkomst, meldt de ANT. Binnenkort start de commentaarfase waarin alle mondzorgpartijen hun commentaar kunnen geven. Na zes weken volgt de autorisatiefase waarin de definitieve versie wordt vastgesteld. De ANT verwacht dat de nieuwe WIP-richtlijnen voor de zomer ingevoerd worden.


Bron:
ANT

Lees meer over: Ondernemen, Praktijkhygiëne, Thema A-Z, Wet- en regelgeving
justice

Tuchtrechtelijke uitspraken mondzorg februari 2014

Bekijk de uitspraken van het Centraal Tuchtcollege en de regionale Tuchtcolleges over een tandarts die foto’s van een patiënte in ondergoed maakte en een tandarts die het op vrijwel alle terreinen te bont maakte en doorgehaald is in het BIG-register.

Soms is de scheidslijn dun. Wat is wel en niet geoorloofd? Bekijk de uitspraken van het Centraal Tuchtcollege en de regionale Tuchtcolleges van februari 2014 over een tandarts die foto’s van patiënte in ondergoed maakte en een tandarts die het op vrijwel alle terreinen te bont maakte en doorgehaald is in het BIG-register.

Foto’s van patiënte in ondergoed; buiten de professionele grenzen getreden
Uitspraak 4 februari 2014, Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Groningen (nr. T2013/04) (ECLI:NL:TGZRGRO:2014:6)

De Inspectie voor de Gezondheidszorg heeft een zelfstandig onderzoek ingesteld naar het handelen van de tandarts. Uit dat onderzoek zijn drie klachtonderdelen voortgevloeid, namelijk;

1) dat de tandarts stelselmatig op een onprofessionele wijze zijn patiënten heeft bejegend door aanraking van lichaamsdelen waartoe hij als tandarts geen noodzaak had,
2) de tandarts is buiten zijn professionele grenzen getreden door digitale foto’s te maken van verwondingen van de patiënt na een ongeval waarbij hij de patiënte verzocht zich uit te kleden tot aan haar ondergoed, en
3) de tandarts zou een onvoldoende mate van zelfreflectie en gebrek aan interpersoonlijke sensitiviteit getoond hebben in de ongelijkwaardige relatie tussen patiënt en hulpverlener.

De tandarts betwist de gestelde onprofessionele bejegening en voert daarbij aan dat de aangiftes die tegen hem werden gedaan moeten worden bezien in het licht van een slechte werkverhouding die hij tijdens de behandelingen kreeg en welke uiteindelijk hebben geleid tot zijn ontslag.

Ten aanzien van het nemen van de foto’s van de patiënte oordeelt het College dat de tandarts in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in art. 7:453 BW (SL: het vereiste van goed hulpverlenerschap) nu de tandarts bij het verlenen van de zorg niet heeft gehandeld in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid. Ten aanzien van de stelselmatige onprofessionele bejegening, de attitude richting de patiënte en het aanraken van lichaamsdelen waartoe de tandarts geen noodzaak had stelt het College vast dat de feiten uiteenlopen en omdat deze door de tandarts stelselmatig worden betwist, kan niet worden vastgesteld welke lezing de juiste is zodat volgens vaste jurisprudentie de klacht op punt ongegrond moet worden verklaard. Tot slot constateert het Tuchtcollege dat er ter zitting nog steeds geen sprake is van enige zelfreflectie zodat de klachtonderdelen 2 en 3 gegrond worden verklaard en de maatregel van een berisping wordt opgelegd.

Tandarts maakt het op vrijwel alle terreinen te bont zodat diens doorhaling als maatregel wordt opgelegd
Uitspraken 18 februari 2014, Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag:
(nr. 2012/178) (ECLI:NL:TGZRSGR:2014:21)
(nr. 2012/191) (ECLI:NL:TGZRSGR:2014:22)
(nr. 2013/055) (ECLI:NL:TGZRSGR:2014:23)
(nr. 2013/050) (ECLI:NL:TGZRSGR:2014:24)

Het gaat in deze tuchtzaak om vier tegen de tandarts aanhangig gemaakte klachtzaken. De vier klachtonderdelen worden grotendeels gegrond verklaard en zien onder andere op het niet of slecht informeren van patiënten, langdurig en structureel onoordeelkundige bijstand als tandarts en het niet of onvoldoende bijhouden van de dossiers. Daarnaast is in algemene zin ook gebleken dat niet de vereiste patiëntenzorg is geleverd, dat in alle gevallen de administratie niet adequaat is bijgehouden (er zijn dubbele declaraties ingediend en er worden op verschillende data dezelfde behandelingen met verwijdering van dezelfde elementen genoteerd, er lijkt zelfs sprake te zijn van een frauduleus lijkende aanpak) en er is ten aanzien van de radiologie geen adequaat röntgenbeleid. Zo ontbreekt iedere verslaglegging waar röntgenfoto’s zijn gemaakt.

Dit alles maakt dat het College tot het oordeel is gekomen dat de tandarts structureel op verschillende essentiële terreinen tekort is geschoten in de zorg voor zijn patiënten waarbij het College zich afvraagt of de tandarts in staat is om aan deze situatie een einde te maken. Daarnaast lijkt de tandarts de situatie te bagatelliseren en bestaat er volgens het College geen aanwijzing om te oordelen dat de klagers, van wie de klachten gegrond worden verklaard, behoorden tot een uitzonderingsgroep. Dit alles leidt tot de maatregel van doorhaling van de tandarts in het BIG-register.

Door:
Sebastiaan van der Leer – Köster Advocaten N.V

 

Lees meer over: Ondernemen, Tuchtrecht, Wet- en regelgeving

Dordtse tandarts uit BIG-register gehaald

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg besloot op 18 februari dat de Dordtse tandarts Van Wijngaarden zijn beroep niet meer mag uitoefenen en schrapte zijn BIG-inschrijving.

Het college vindt dat ‘de tandarts structureel en op verschillende essentiële terreinen is tekort geschoten in de zorg voor zijn patiënten.’ Tandarts Van Wijngaarden kreeg eerder een verbod om te boren of scherpe voorwerpen te hanteren. De tandarts zou belemmerd worden door Parkinson om zijn werk uit te voeren.

Verder staat in de uitspraak: ‘gelet op het gebrek aan zelfinzicht en openheid bij de tandarts, het vertrouwen ontbreekt dat de tandarts in staat zal zijn om zijn praktijk en de zorg voor zijn patiënten ingrijpend te verbeteren’. De schoring gaat in op 24 februari. Zijn patiënten zijn hiervan op de hoogte gesteld.

Lees meer over: Ondernemen, Wet- en regelgeving
Recht vierkant

Tuchtrechtelijke uitspraken mondzorg december 2013 / januari 2014

Soms is de scheidslijn dun. Wat is wel en niet geoorloofd? Bekijk de uitspraken van het Centraal Tuchtcollege en de regionale Tuchtcolleges van december 2013 en januari 2014 december 2013 over volledige dossiervorming, achterstallig onderhoud en weekenddienst.

Volledige dossiervorming?

Uitspraak 3 december 2013, Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag (nr. 2012-241) (ECLI:NL:TGZRSGR:2013:33)

De klacht houdt in dat de tandarts zijn informatieplicht niet is nagekomen. Het college oordeelt dat de verplichting om klaagster te informeren over het feit dat er sprake was van een zwak element – zodat er rekening mee moest worden gehouden dat de behandeling niet tot behoud van het element zou leiden – op de tandarts zelf rust. Ook als de reguliere tandarts klaagster al omtrent dat risico zou hebben geïnformeerd. Degene die een tandheelkundige behandeling uitvoert, is verantwoordelijk voor het juist en adequaat informeren van de patiënt omtrent de aard, de gevolgen en de risico’s van de behandeling. Weliswaar heeft de tandarts gesteld dat hij klaagster, zoals hij gewoonlijk doet, omtrent de gevolgen en het risico van de behandeling heeft geïnformeerd, maar dat blijkt niet uit enige aantekening in het medisch dossier en is ook anderszins niet aannemelijk geworden. Als gevolg hiervan wordt de tandarts de maatregel van een waarschuwing opgelegd.
Bekijk hier de uitspraak

Wanneer er in een situatie als deze twee verhalen lijnrecht tegenover elkaar staan wordt in de regel door het tuchtcollege aanknoping gezocht bij het medisch dossier. U doet er als tandarts daarom goed aan, het wijzen van uw patiënten op risico’s expliciet te documenteren.

Achterstallig onderhoud?

Uitspraak 12 december 2013, Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Eindhoven (nr.13105) (ECLI:NL:TGZREIN:2013:5)
Klaagster verwijt verweerster, tandarts, dat zij alleen noodvullingen heeft aangebracht bij klaagster, dat zij een endo twee maal in
rekening heeft gebracht, dat zij een achterstand in de behandeling van twee elementen heeft laten ontstaan, een aantal caviteiten niet heeft behandeld, en dat zij langdurig antibioticum heeft voorgeschreven. Het zorg- of behandelplan laat een “gat” zien waarbij niet duidelijk is of klaagster in die periode door verweerder behandeld is. Het college oordeelt daaromtrent dat, indien ervan wordt uitgegaan dat klaagster in die periode niet is verschenen, juist het ontbreken van een zorg- of behandelplan zich wreekt. Een volledige en accurate dossiervorming is dus van groot belang. Volgens het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Eindhoven kan dit dus zelfs betekenen dat bij een periode waarin geen behandeling heeft plaatsgevonden hiervan melding wordt gedaan in het zorg- of behandelplan, althans het dossier van de patiënte.

Bekijk hier de uitspraak

Onrechtmatig gehandeld tijdens weekenddienst?

Uitspraak 31 januari 2014, Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle (nr. 302-2012) (ECLI:NL:TGZRZWO:2014:11)

Klager heeft zich met pijn en een gezwollen kaak bij de tandarts gemeld tijdens een weekenddienst. De vraag die in deze procedure centraal staat is, of de tandarts heeft mogen handelen zoals hij heeft gehandeld. Het college oordeelde dat wanneer iemand zich met pijn en een gezwollen kaak zich in het weekend meldt, het daarbij voor de hand ligt om een foto te maken om tot een afgewogen oordeel te komen. Dit heeft de tandarts ook onderschreven. Nu de tandarts echter ter zitting tevens aannemelijk heeft gemaakt dat de zwelling klager veel pijn opleverde, dat klager angstig was en de mond niet goed kon openen, is voorstelbaar dat de tandarts er onder die omstandigheden, waarbij hij door middel van medicijnen de ontsteking wilde inperken, van heeft afgezien om een foto te maken. Hierdoor valt de tandarts volgens het Regionaal Tuchtcollege tuchtrechtelijk geen verwijt te maken.
Hierbij is meegewogen dat de tandarts wel een voor de hand liggende behandeling is gestart waarbij hij, blijkens zijn aantekeningen, de medische situatie en het medicijngebruik van klager heeft meegenomen. Aangezien onder de geschetste omstandigheden in het onderhavige geval van een onzorgvuldige behandeling, laat staan van een onverantwoord risico als door klager gesteld, niet is gebleken wordt de klacht als ongegrond afgewezen.

Bekijk hier de uitspraak

Door:
Sebastiaan van der Leer – Köster Advocaten N.V

Lees meer over: Kennis, Ondernemen, Patiëntendossier, Tuchtrecht, Wet- en regelgeving

Nieuwe praktijk, oude patiënten?

Zoals bij alle vrije beroepen is ook in de tandheelkunde het oprichten, overnemen of verplaatsen van werkzaamheden aan de orde van de dag. Maar wat als bij die verschuivingen er op oneerlijke wijze geconcurreerd wordt?

Zoals bij alle vrije beroepen is ook in de tandheelkunde het oprichten, overnemen of verplaatsen van werkzaamheden aan de orde van de dag. De traditionele tandarts (man en vrije beroeper) maakt daarnaast al jaren plaats voor de tandarts die werkzaam is als zzp’er, vaak vrouw is en werkt in deeltijd. Daarnaast neemt het aantal ketens in de mondzorg toe¹. Maar wat als bij die verschuivingen er op oneerlijke wijze geconcurreerd wordt? Een kleine uiteenzetting.

Gronden voor inbreuk
Wanneer u een nieuwe praktijk start of naar een andere praktijk verhuist, zullen er altijd patiënten zijn die graag “meeverhuizen”. De praktijk die met die verhuizing patiënten verliest, zal wellicht willen betogen dat zij schade lijdt. Voor de vraag of er sprake is van een inbreuk op gemaakte afspraken of (ongeschreven) recht, moet er onderscheid gemaakt worden in de diverse inbreuken die kunnen spelen.

Concurrentie of relatiebeding
Een concurrentiebeding beperkt de vertrekkende tandarts in de keuze op welke wijze (werkzaamheden, plaats of omgeving) als ex-werknemer werkzaam te zijn. Dit beding moet schriftelijk zijn overeengekomen tussen een meerderjarige werknemer en een werkgever. Een relatiebeding is een concurrentiebeding, waarin is opgenomen in hoeverre de ex-werknemer klanten of relaties van de werkgever mag benaderen, of werkzaamheden mag verrichten voor een onderneming waarmee de werkgever in contact staat.

Doorgaans zullen de zzp’ers of tandartsen in loondienst met de inhurende praktijk of werkgever contractueel bedingen dat bij een eventueel vertrek geen klanten en/of relaties ‘meegenomen’ of benaderd mogen worden. Daarnaast is het gebruikelijk om in een dergelijk contract op te nemen dat het de tandarts of mondhygiënist niet is toegestaan om binnen een bepaalde straal rondom de voormalige praktijk voor een bepaalde periode de werkzaamheden van tandarts/mondhygiënist uit te oefenen.
De NMT-arbeidsvoorwaardenregeling tandheelkundige praktijken stelt over een concurrentie of relatiebeding niet meer dan dat deze in de arbeidsovereenkomst opgenomen mag worden. Gebruikelijk is dat de werkzaamheden voor gemiddeld een jaar in een gebied van 30 km rondom de huidige praktijk wordt verboden op straffe van een boete. Met die boete wordt doorgaans de schade voor de werkgever door de concurrentie op voorhand gefixeerd.

Wordt het gebied aanzienlijk uitgebreid voor een langere periode, dan kan de rechter worden verzocht om het beding aan te passen of zelfs als onredelijk te bestempelen, zodat het in zijn geheel niet meer van toepassing is. De afgelopen jaren is er een aantal keer geprocedeerd over de toepassing van een concurrentiebeding. Afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het specifieke geval werd het concurrentiebeding verminderd of zelfs geheel buiten toepassing verklaard.

De mate waarin het de (ex)werkgever vrij staat om zijn voormalig werknemer aan een non-concurrentiebeding te houden, danwel een onrechtmatige daad voor de voeten te werpen wordt mede ingekleurd door de bijzondere relatie tussen de tandarts en de patiënt, namelijk de vertrouwensrelatie die tussen hen bestaat. Patiënten hebben namelijk een vrije artskeuze, hetgeen inhoudt dat zij zich zelf mogen wenden tot de vertrekkende tandarts op een andere locatie. Dit recht staat niet volledig los van de contractuele afspraken die de tandarts met zijn voormalig werkgever heeft gesloten.

Onrechtmatige daad
Uit de jurisprudentie valt verder op te maken dat wanneer werkgever en werknemer geen concurrentiebeding overeengekomen zijn, er sprake moet zijn van bijkomende omstandigheden, wil er sprake zijn van onrechtmatig handelen. De ervaring leert dat het informeren van patiënten over het vertrek van een arts onder omstandigheden gerechtvaardigd is. Wanneer vervolgens de patiënt te kennen geeft met de vertrekkende tandarts mee te willen gaan naar de nieuwe praktijk, dan leidt dat enkele feit niet tot een onrechtmatige daad van de vertrekkende tandarts tegenover de voormalige praktijk. Het wordt echter al snel anders wanneer met gebruikmaking van de vakkennis van de patiënt, inzetbaar in de relatie tot de patient, patiënten worden benaderd met het enkele doel om deze patiënten te bewegen over te laten stappen naar de nieuwe praktijk die rechtstreeks concurrerend is met de voormalige praktijk.

Let op en wees terughoudend
Kortom, let bij het aangaan van een arbeidsovereenkomst of het vestigen van een nieuwe praktijk goed op het eventuele concurrentiebeding in de (arbeids/samenwerkings)overeenkomst. Mocht er geen concurrentiebeding van toepassing zijn, wees dan terughoudend met het ‘ronselen’ van oude patiënten. Deel de patiëent enkel mede dat u overstapt naar bijvoorbeeld een nieuwe praktijk (zonder deze onomwonden voor een nieuwe praktijk te werven) en zorg er vervolgens bijvoorbeeld voor dat u zichtbaar bent op internet, zodat de patiënt die met u mee wilt, u ook kan vinden.
Zoals uit het voorgaande blijkt, hangt de werking van een concurrentie- of relatiebeding af van de concrete feiten en omstandigheden van het geval. Dat wat partijen over en weer jegens elkaar hebben verklaard bij het begin van de relatie, kan ook van invloed zijn op de latere invulling van het beding. Wees daarom niet terughoudend met het inwinnen van advies en leg uw geval voor aan een deskundige.

¹ Rabobank cijfers&trends, mondzorg 2013

Door:
Sebastiaan van der Leer – Köster Advocaten N.V








Lees meer over: Ondernemen, Wet- en regelgeving, ZZP-er
114161823-recht

Tuchtrechtelijke uitspraken mondzorg november 2013

Soms is de scheidslijn dun. Wat is wel en niet geoorloofd? Bekijk de uitspraken van het Centraal Tuchtcollege en de regionale Tuchtcolleges van november 2013 over het uitschrijven van een patiënt, taakherschikking in protocollen en kiespijn als spoedeisend geval.

Geen reactie mag niet zo maar leiden tot uitschrijving van de patiënt

Uitspraak 1 november 2013, Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle (nr. 272/2012) (ECLI:NL:TGZRZWO:2013:47)

De patiënt beklaagt zich over het feit dat hij zo maar door de tandarts uit zijn praktijk is uitgeschreven omdat hij niet zou hebben gereageerd op het verzoek tot het maken van een periodieke controle. Hierdoor werd de patiënt geweigerd op het moment dat hij zich tot de tandarts wendde met een afgebroken kroon. De beklaagde tandarts verweert zich door te stellen dat hij met het opsturen van een brief en het inspreken van de voicemail heeft gehandeld in overeenstemming met de daarvoor geldende richtlijnen van het NMT. Het College beantwoordt de vraag of de tandarts op de juiste wijze de behandelingsovereenkomst met de klager heeft beëindigd. Hiervoor is het uitgangspunt dat de tandarts als hulpverlener de behandelingsovereenkomst niet kan opzeggen, behoudens gewichtige redenen (7:460 BW). Het zwaarwegende belang van de patiënt laat niet toe dat de behandelingsovereenkomst zonder meer kan worden opgezegd en de hulpverlening wordt gestaakt. Nu er volgens het College geen sprake is van een gewichtige reden, althans het niet reageren op een uitnodiging tot een periodieke controle, die de beëindiging van de patiëntenrelatie rechtvaardigt wordt de klacht gegrond verklaard en wordt de tandarts de maatregel van een waarschuwing opgelegd.

Bekijk hier de uitspraak

Zet de circulaire taakherschikking om in praktijkgerichte protocollen

Uitspraak 1 november 2013, Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle (nr. 234/2012) (ECLI:NL:TGZRZWO:2013:48)

De klacht wordt ingediend door de Inspectie voor de Gezondheidszorg die een bezoek heeft gebracht aan de praktijk van verweerder waarbij de rapporten die zij opstelde laten zien dat er niet wordt voldaan aan de vereisten voor taakherschikking. Naar het oordeel van het College blijkt dat door de Inspectie uitgevoerde onderzoeken en opgemaakte rapportages de mondhygiënist in de praktijk voorbehouden handelingen heeft verricht zonder dat op alle punten aan de vereisten voor taakherschikking is voldaan. Dit wordt verweerder als eindverantwoordelijke verweten omdat hij heeft nagelaten om de regels voor taakherschikking en de uitvoering van de circulaire taakherschikking niet heeft omgezet naar praktijkgerichte protocollen. Het College legt de maatregel van een waarschuwing op.

Bekijk hier de uitspraak

“Gigantische kiespijn” geen spoedeisend geval?

Uitspraak 19 november 2013, Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Groningen (Rep.nr.: T2013/12) (ECLI:NL:TGZRGRO:2013:23)

Klaagster belt naar de spoedlijn van de tandarts waarbij zij de telefoniste aangeeft “gigantische kiespijn” te hebben. De tandarts laat de telefoniste daarop weten vanavond niet meer te zullen komen, maar dat er de volgende ochtend wel iemand beschikbaar zal zijn en dat mevrouw in de tussentijd maar paracetamol moet slikken. Het College oordeelt dat uit de NMT-praktijkrichtlijn ‘opvang van tandheelkundige spoedgevallen buiten praktijkuren’ blijkt dat de tandarts in beginsel niet zou mogen weigeren om de patiënt tandheelkundige eerste hulp te verlenen bij kennelijke pijnklachten. De dienstdoende tandarts moet beoordelen of de behandeling van de klacht in redelijkheid kan worden uitgesteld. Het College is van oordeel dat verweerder in deze kwestie op dat punt volstrekt tekort is geschoten zodat hij ook is tekort geschoten in de zorg die hij jegens klaagster behoorde te betrachten. De tandarts heeft namelijk zonder ook maar enige vraag te stellen en zonder enig inzicht in de aard van de ernst van de klacht – en daarmee – de intensiteit van de door klaagster gevoelde pijn, en dus zonder enige grond waarop die beslissing kon worden gebaseerd meegedeeld dat hij daar niet meer voor zou komen.

Bekijk hier de uitspraak

Door:
Sebastiaan van der Leer – Köster Advocaten N.V

Lees meer over: Ondernemen, Tuchtrecht, Wet- en regelgeving
Tuchtrechtelijke uitspraken mondzorg oktober 2013

Tuchtrechtelijke uitspraken mondzorg oktober 2013

Soms is de scheidslijn dun. Wat is wel en niet geoorloofd? Bekijk de uitspraken van het Centraal Tuchtcollege en de regionale Tuchtcolleges van oktober 2013 over achterblijvende vijldeeltjes, klacht tegen directeur/eigenaar, BIG-schrapping, wel of geen headgear en te veel tanden trekken.

Achterblijven vijldeeltje is een complicatie die de tandarts niet kan worden verweten

Uitspraak 15 oktober 2013, Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Eindhoven
(YG3264) (1327a)

Klaagster verwijt de tandarts dat zij bij de behandeling van een kies niet de juiste zorg heeft betracht waardoor de kies is ontstoken. Dit heeft geleid tot een wortelkanaalbehandeling waarbij een vijldeeltje is achtergebleven, vervolgens heeft een nieuwe wortelkanaalbehandeling moeten plaatsvinden en tot slot extractie van de betreffende kies. Hoewel de lezingen van partijen over de feitelijke gang van zaken uiteen lopen oordeelt het College dat het afbreken van een stukje vijl een complicatie is die de verweerster niet kan worden verweten. Het College oordeelt dat de beslissing van de tandarts om het stukje vijl te laten zitten, waardoor het onderdeel is gaan uitmaken van de kanaalvulling, juist is. Omdat de lezingen van partijen over de feitelijke gang van zaken uiteen lopen, en het woord van klaagster niet meer of minder geloofwaardiger dan wel belangrijker is dan het woord van de verweerster, wordt er geconcludeerd dat er onvoldoende feitelijke grondslag is om het verwijt van klaagster te dragen. Het gevolg is dat klaagster gedeeltelijk niet-ontvankelijk wordt verklaard en voor het overige de klacht ongegrond wordt verklaard.

Klacht tegen directeur/eigenaar

Uitspraak 15 oktober 2013, Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Eindhoven
(YG3263) (1327b)

Klaagster verwijt de tandarts dat hij in zijn hoedanigheid als directeur van de kliniek zich kleinerend en onprofessioneel tegenover klaagster zou hebben uitgelaten. De klacht is gebaseerd op de tweede tuchtrechtelijke norm die gaat om gedragingen die niet door de eerste norm (het tekort schieten ten opzichte van een patiënt op diens naaste betrekking) worden bestreken maar niettemin in strijd zijn met het algemeen belang gelegen in een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg. Nu klaagster geen feiten en/of omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan moet worden aangenomen dat de verwerende tandarts onder de tweede tuchtrechtelijke norm valt, althans waaruit valt af te leiden dat hij onzorgvuldig zou hebben gehandeld, oordeelt het College dat verweerder tuchtrechtelijk niet verwijtbaar heeft gehandeld en wijst de klacht af.

Opeenstapeling van fouten leidt tot schrapping

Uitspraak 22 oktober 2013, Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Groningen
(YG3281 YG1701) (Rep.nrs. T2012/03, T2013/03, T2013/01)

Het komt niet vaak voor dat het Tuchtcollege een tandarts uit het BIG-register schrapt (in 2012 was dat slechts in 6% van de gevallen). In het onderhavige geval gaat het om een gecombineerde uitspraak in drie procedures tegen een tandarts. De klachten omvatten de volgende verwijten: onverantwoorde praktijkvoering, taakherschikking en -delegatie die niet voldoet aan de daaraan gestelde voorwaarden, geen adequaat toezicht op een mondhygiënist die tandheelkundige handelingen verrichtte ondanks signalen dat door hem uitgevoerde behandelingen niet goed werden uitgevoerd, onvoldoende dossiervoering, een onprofessionele klachtenafhandeling, onvoldoende toegankelijke spoedzorg en het verrichten van tandheelkundige handelingen door hemzelf van onvoldoende kwaliteit. Het College acht de drie klachten gegrond. Gezien de ernst van de feiten, het tuchtrechtelijk verleden van verweerder, het feit dat vaststaat dat hij tijdens een eerder opgelegde schorsing ten minste één patiënt heeft behandeld en het door hem getoonde gebrek aan reflexie op zijn eigen professionele handelen is het College van oordeel dat doorhaling van zijn inschrijving in het BIG-register de passende maatregel is.

Wel of geen headgear?

Uitspraak 29 oktober 2013, Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Amsterdam
(YG 3293)(2013/129T)

Klaagster verwijt de tandarts dat hij bij de orthodontiebehandeling van haar minderjarige dochter onzorgvuldig te werk is gegaan door een verkeerd behandelplan uit te voeren en geen informatie te verstrekken over de behandeling. Het College onderschrijft de gestelde diagnose maar niet het gekozen behandelplan. Voor het gebruik van de headgear ontbrak volgens het College de indicatie voor het gebruik daarvan. Ten aanzien van het informeren van de wettelijke vertegenwoordigers van de patiënten oordeelde het College dat de aantekeningen van het dossier dermate summier zijn dat niet duidelijk kan worden of het behandelplan en de te verwachten gevolgen daarvan zijn besproken met klaagster. Daarom oordeelt het College dat de tandarts tekort is geschoten in zijn informatieplicht (art. 17.448 BW) jegens de klaagster (ouder van de patiënte). Het gevolg is dat de tandarts de maatregel van een waarschuwing wordt opgelegd.

Te veel tanden getrokken?

Uitspraak 29 oktober 2013, Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Amsterdam
(YG 3292)(2012/075T)

Klaagster verwijt de tandarts dat hij op onzorgvuldige wijze een orthodontiebehandeling heeft uitgevoerd. De tandarts heeft volgens klaagster te veel kiezen getrokken waardoor te grote afstanden tussen de tanden van klaagster zijn ontstaan en klaagster er niet meer representatief uitzag. Ook verwijt klaagster de tandarts dat hij verzekeringsfraude heeft gepleegd. Het College oordeelt dat de wijze waarop en masse elementen zijn verplaatst zeer ongebruikelijk is en getuigt van onvoldoende kennis op het gebied van orthodontische verplaatsingen van meerdere elementen tegelijkertijd. Daarnaast is ter zitting gebleken dat de tandarts opzettelijk allerlei niet verrichte behandelingen en onjuiste codes heeft opgevoerd. Het College bestempelt deze handelswijze als een geval van een zeer brutale benadeling van de ziektekostenverzekeraar zodat beide klachten gegrond zijn verklaard en de tandarts voor de periode van één maand wordt geschorst uit het register.

Door:
Sebastiaan van der Leer – Köster Advocaten N.V

Lees meer over: Ondernemen, Tuchtrecht, Wet- en regelgeving