Gewaardeerd compliment: Je hebt een mooie glimlach

Vier van de tien vrouwen hoort graag een compliment over haar glimlach. Dit blijkt uit onderzoek van de Engelse Dental Care Plus Implant Centres. Daarmee staat dit compliment op de tweede plaats van de lijst met meest gewenste complimentjes.

Ruim 43 procent van de tweeduizend ondervraagde dames hoort graag dat ze er slank uitziet. Een derde wordt bijzonder gelukkig als een man zegt dat ze er aantrekkelijk uitziet.

De tien complimentjes die vrouwen het liefst krijgen:

1. Ben jij afgevallen?
2. Je hebt een mooie glimlach
3. Je ruikt lekker
4. Je haar zit leuk
5. Die jurk staat je beeldig
6. Die kleur flatteert je
7. Je hebt iets mooi aan
8. Je hebt prachtige ogen
9. Je ziet er slank uit
10. Je bent prachtig

De tien ‘complimentjes’ die je moet mijden:

1. Je ziet er moe uit
2. Ben je ziek?
3. Je ziet er goed uit
4. Je bent verdikt
5. Je lijkt op je vader/moeder
6. Je ziet er niet zo slecht uit als ik dacht
7. Je bent niet zo dom als je lijkt
8. Vandaag zie je er minder moe uit
9. Je hebt uitgesproken gezichtskenmerken
10. Je bent aan de mollige kant, niet?

Lees meer over: Actueel, Thema A-Z
Global communication metaphor. Isolated on white.

UMC St Radboud stelt patiëntendossiers open en lanceert online communities

Patiënten van het UMC St Radboud kunnen binnenkort via internet hun eigen medisch dossier raadplegen. Daarmee is het UMC St Radboud het eerste ziekenhuis dat voor alle patiënten de dossiers openstelt. Tegelijkertijd worden vijftig online communities gelanceerd, waarin patiënten, zorgverleners en mantelzorgers elkaar kunnen treffen rondom een ziektebeeld.

Patiënt als partner
Projectleider prof. dr. Jan Kremer: ‘Wij zijn ervan overtuigd dat de patiënt steeds meer de regie wil voeren over zijn of haar behandeling en daar samen met de zorgverleners aan wil werken. Dat is een logische ontwikkeling, het gaat immers over zijn of haar leven en gezondheid. Onder het motto ’de patiënt als partner’ werken we in het Radboud aan diverse voorzieningen die dit mogelijk maken. Het openstellen van het medisch dossier en de online communities stelt patiënten in staat om samen met zorgverleners nog beter te werken aan een optimale behandeling van hun ziekte.’

MijnRadbouddossier
Patiënten kunnen binnenkort met hun DigiD inloggen op hun MijnRadbouddossier via een speciale button op www.umcn.nl. In dit dossier staan labuitslagen, verwijsbrieven, afspraken en nieuwe onderzoeken. Op termijn zijn ook röntgenfoto’s en aantekeningen te raadplegen.

Omwille van de veiligheid en bescherming van de persoonlijke gegevens moeten patiënten zich eerst eenmalig persoonlijk bij het ziekenhuis aanmelden met een geldig identiteitsbewijs en mobiele telefoon. Dan wordt de inzage actief gemaakt en ontvangt de patiënt een toegangscode via sms. Daarna kunnen patiënten met hun DigiD van thuis uit inloggen zo vaak als ze willen.

Online communities
Ook zijn binnenkort vijftig online communities beschikbaar, bijvoorbeeld op het gebied van verloskunde en reuma. Zestien van deze communities zijn gerelateerd aan oncologische zorg. Een community brengt patiënten, naasten, mantelzorgers en zorgverleners dichter tot elkaar. Ervaringen kunnen worden uitgewisseld en kennis gedeeld. De online communities staan open voor iedereen die betrokken is bij een bepaalde ziekte of aandoening; dus niet alleen voor patiënten van het Radboud.

Bron:
UMC St Radboud

 

Lees meer over: Actueel, Kennis, Patiëntendossier, Thema A-Z
relatie-patient

Versterk uw patiëntrelatie met de WGBO

Met de praktijkwijzer WBGO slaat u twee vliegen in één klap: twee handige checklists helpen u aan de wet te voldoen én de relatie met uw patiënt te versterken.

De inwerkingtreding van de vrije prijsvorming is voor patiënten een moment om de keuze voor hun tandarts te heroverwegen. Dit kan er toe leiden dat patiënten overstappen. De reden daarvoor ligt lang niet altijd in de hoogte van de gehanteerde prijzen. Patiënten beoordelen hun tandarts en de praktijk vaak veel meer op kwaliteit, dan op prijs. Tandartsen doen er goed aan de kwaliteit van hun eigen praktijk en zorgverlening regelmatig door de bril van de patiënt te bekijken en te beoordelen.

Klantenbinding
Maar wat zie je als je die bril opzet? Er zijn meerdere, lange lijsten in omloop die de kwaliteitscriteria vanuit patiëntenperspectief beschrijven. Een belangrijk en regelmatig terugkerend criterium is de relatie tussen tandarts en patiënt. Een relatie die, als deze goed is, tot klantenbinding leidt. En klantenbinding is juist nu zo belangrijk voor praktijken, want het is aanzienlijk goedkoper een bestaande klant (patiënt) te houden dan een nieuwe te werven.

Informatie en toestemming
De Wet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst (WGBO) geldt voor alle zorgverleners en heeft als doel de rechtspositie van de patiënt te versterken. De praktijkwijzer WGBO is opgesteld door de NMT. Op grond van binnen de tandheelkunde gesignaleerde knelpunten is hierin een vertaalslag gemaakt naar de praktijk, aangevuld met specifieke casuïstiek uit de tandartspraktijk.

Los van de wettelijke verplichting om aan de WGBO te voldoen, vormt de praktijkwijzer een goed hulpmiddel om uw eigen praktijk te beoordelen als het gaat om het verstrekken van relevante informatie en het vragen van toestemming aan de patiënt. De onderdelen ‘informatie en toestemming’ bepalen in belangrijke mate de kwaliteit en sfeer van de tandarts-patiëntrelatie. De doeltreffendheid van de behandeling is ervan afhankelijk. Bovendien zijn informatie en toestemming de basiselementen van patiëntgerichtheid en patiëntvriendelijkheid.

Onderstaande checklists zijn prima hulpmiddelen om te beoordelen in hoeverre de eigen praktijk scoort op de kwaliteit van de tandarts-patiëntrelatie.

Checklist 1: Informatie (al dan niet schriftelijk) verstrekken over:

 

  • De aandoening (diagnose/indicatiestelling en prognose).
  • Het voorgenomen onderzoek of de voorgenomen behandeling (behandelplan).
    (Denk aan aard, doel en risico’s van het onderzoek of de behandeling, de fysieke gevolgen, de wachttijd, de medicatie, etc.)
  • De periode na het onderzoek of de behandeling.
    (Denk aan de voortgang van de behandeling, de benodigde nazorg en met wie kan de patiënt contact opnemen bij complicaties.)
  • De prijs van de behandeling.
  • Overige zaken als de mogelijkheid van een second opinion.

Checklist 2: Toestemming vragen:

 

  • Controleer of de patiënt de informatie heeft begrepen.
  • Wijs de patiënt op het toestemmingsrecht.
  • Geef de patiënt voldoende bedenktijd.
  • Vraag de patiënt om toestemming.
  • Pas verslaglegging toe van de informatieverstrekking en de verkregen toestemming.

Lees hier de volledige praktijkwijzer WGBO

Door: Sjoerd Kuiken – Kuiken Praktijkmanagement.

Kuiken Praktijkmanagement toetst, adviseert en begeleidt praktijken op het gebied van wet- en regelgeving, organisatie en klantgerichte zorg.

Lees meer over: Klachten, Thema A-Z
Kunstgebit

Prothese beter geaccepteerd bij goede communicatie

Niet de kwaliteit van een gebitsprothese, maar de patiënt-tandartsrelatie bepaalt of de patiënt tevreden is met zijn prothese.

Psychologie en het kunstgebit. Daarover sprak prof. dr. Rien van Waas tijdens de cursus ‘Mondhygiënist en kunstgebit’ van ACTA Quality Practice Mondhygiëne.

Gevolgen tandeloosheid
Tandeloosheid is geen kleinigheid. Als gevolg van tandeloosheid treedt er resorptie van de boven- en onderkaak op, waardoor een gebitsprothese los kan zitten en pijn kan geven. Een loszittende prothese kan ook veroorzaakt worden door flabby ridges, ondersnijdingen en ongunstige kaakrelaties. Door de tandeloosheid vermindert het kauwvermogen en veroudert bovendien het gelaat versneld.

Tevredenheid
Ook met een kwalitatief goede gebitsprothese heeft 30% van de dragers er problemen mee: 25% heeft klachten en 5% is echt ontevreden. De problemen bestaan uit klachten over een loszittende prothese, pijnklachten, eetproblemen en een lelijk uiterlijk.

Het vreemde hierbij is dat er maar een hele zwakke relatie is tussen de kwaliteit van de gebitsprothese en de tevredenheid. Na twee jaar is deze relatie zelfs verdwenen. Opmerkelijk is dat volgens onderzoek vooral de patiënt-tandartsrelatie de doorslaggevende factor is voor het al dan niet tevreden zijn met de prothese.

Goede communicatie
Een goede gebitsprothese garandeert dus niet alles en bij mooie kaken zijn er helaas toch ook regelmatig problemen. De acceptatie van een prothese is beduidend beter bij goede communicatie. Rien van Waas adviseert ons daarom te investeren in de band met de patiënt en hem uitgebreid voor te lichten. Vertel in hoeveel zittingen een prothese kan worden geplaatst en welke klachten de patiënt hierbij kan verwachten. Een goed intake-gesprek dus. Als dit wordt gedaan, is de kans groter dat bij het uiteindelijk dragen van de prothese deze niet tegenvalt.

Leeftijd
De leeftijd blijkt tegenwoordig ook een heel belangrijke factor te zijn: hoe hoger de leeftijd, des te moeilijker veranderingen te accepteren zijn. De oudere kan er maar niet aan wennen, zeker als velen in de omgeving nog dentaat zijn. Iets wat steeds vaker voorkomt.

Psychische stoornis
Waar men wel waakzaam voor moet zijn, is dat sommige orale klachten niet direct veroorzaakt zijn vanuit de mondholte. Er kan sprake zijn van een psychische stoornis. Maar liefst 25% van de Nederlanders maakt immers jaarlijks een psychische ziekte door, met name angststoornissen, depressieve stoornissen en alcoholmisbruik. Orale klachten kunnen dus psychosomatisch zijn.
Om hier achter te komen kan men gebruik maken van de 3-sporenanamnese. Het is belangrijk te weten of de patiënt onder behandeling staat van een medisch specialist of bepaalde medicijnen gebruikt, b.v. tegen depressies. Dit kan namelijk de (on)tevredenheid beïnvloeden. Luister vooral goed naar de patiënt. En vraag goed door bij opvallende reacties.

Empathie
Een allereerste oplossing is het geven van aandacht aan de patiënt. Laat de patiënt aan het woord en reageer in geen geval meteen met oplossingen of veroordelingen. Reageer met empathie en reflectie. Met begrip dus en laat dit begrip ook zien en horen. Vraag hierbij niet te veel, maar laat de patiënt echt zelf praten.

Daarna kunt u vragen naar specifieke klachten, het protheseverleden en het prothesegedrag. Anatomische problemen kunnen vaak goed worden gecompenseerd met implantaten. Psychosociale problemen uiteraard niet.

Door: Lieneke Steverink-Jorna, mondhygiënist
Bron: Cursus ‘Mondhygiënist en kunstgebit’ van ACTA Quality Practice Mondhygiëne

Prof. dr. Rien van Waas studeerde tandheelkunde aan de Universiteit van Utrecht. Hij promoveerde in 1985 op het proefschrift: Een kunstgebit, een kwestie van doorbijten. Daarna werkte hij bij de Katholieke Universiteit in Nijmegen als coördinator van onderzoek. Hij hield zich in het bijzonder bezig met onderzoek op het terrein van de volledige prothese, de gerodontologie, de overkappingsprothese en de orale implantologie.
In 1995 werd hij tot hoogleraar benoemd op ACTA om onderwijs te geven en onderzoek te doen in de Prothetische Tandheelkunde en de Orale Implantologie. Hij schreef een 60-tal artikelen in de Engelse en een 60-tal in de Nederlandse taal. Hij geeft cursussen op het terrein van de sterk gemutileerde dentitie (bij ouderen), kroon- en brugwerk, de orale implantologie, de volledige en de partiële prothese en de overkappingsprothese op natuurlijke elementen en implantaten in binnen- en buitenland.

 

 

Lees meer over: Tandprothese | techniek, Thema A-Z

Groot brein door zwakke kaak

De mens dankt zijn grote brein aan zijn zwakke kaak, denken Amerikaanse wetenschappers. Ooit gaf een genetisch foutje onze voorouders kleine, slappe kaakspieren. Bevrijd uit de ijzeren greep van het spiercorset, kon de schedel uitgroeien tot menselijke proporties.

Vergeleken met alle andere primaten hebben mensen eigenlijk een miezerige kaak en een merkwaardig bol achterhoofd. Maar waarom gaan die twee eigenlijk altijd samen? Welke kwam eerst? Hoe leidde het een tot het ander?

Eiwit
Terwijl paleo-antropologen in de Afrikaanse woestijngrond spitten op zoek naar antwoorden, kwamen medisch biologen het mogelijke antwoord toevallig tegen. In hun onderzoek naar een spierziekte, stuitten Marilyn Mitchell en haar medewerkers van de Amerikaanse Universiteit van Pennsylvania op een gen, MYH16, dat een belangrijk eiwit voor spierkracht in de kaakspieren levert.

Fout
Alle niet-menselijke primaten hebben van dit gen een normale versie, met de bijbehorende stevige kaakspieren. De onderzoekers ontdekten echter dat alle mensen een fout in dat gen hebben. Het gendefect levert ons dunne en slappe kaakspiervezels en dat is onder de microscoop goed te zien. Als we zo’n afwijking in andere spieren in ons lichaam zouden hebben, dan zouden we flink gehandicapt zijn.

Die ‘ziekte’ moet ongeveer 2,4 miljoen jaar geleden in de kaken van onze voorouders geslopen zijn, berekenen de Amerikanen. Dat is vlak voor de schedel zijn menselijke vormen aannam. De onderzoekers tellen één en één bij elkaar op en suggereren veel in het volgende scenario. Net als huidige mensapen hadden onze gezamenlijke voorouders fikse kaakspieren die als strakke teugels de hele schedel omvatten. Toen het genfoutje die teugels liet vieren, ontnam dat het schedeldak zijn barrière om van vorm te veranderen.

Vragen
Bewezen is de nieuwe hypothese allerminst. Ook werpt ze nieuwe vragen op. Want is het niet vreemd dat de heel vroege mensachtigen in eerste instantie slechts gemankeerde kaakspieren hadden? Goed, daar konden ze mee leven als ze rond die tijd hun dieet van taaie bladeren verruilden voor mals vlees. Maar hadden ze er zoveel baat bij dat de spierzwakte zich onder de populatie kon verspreiden?

De Australische geneticus Pete Currie vindt deze biologische invalshoek een mooie aanvulling op de opgravingen. Fossielen tonen momentopnamen van de evolutie, maar zolang de overgangsvormen tussen onze voorlopers en mens – de ‘missing links’ – niet gevonden worden, blijft het gissen naar de oorzaken, volgorde en samenhang van alle veranderingen. Genetisch onderzoek, hoopt Currie, kan meer over het mechanisme vertellen.

“Iedere theorie over de menselijke oorsprong moet zich baseren op opgravingen. Maar studies als deze plaatsen het vlees op het geraamte van die theorieën.”

Bron:
Wetenschap24


Lees meer over: Actueel, Thema A-Z
Highly Detailed Red Shopping Tag

Dekking tandartsverzekering vrijwel nooit toereikend

De vergelijkingswebsite www.123tandarts.nl bekeek de vergoedingen van mondzorgverzekeringen voor de 10 meestvoorkomende behandelingen. De dekking van de verzekering blijkt vrijwel nooit toereikend. Slechts drie behandelingen worden volledig vergoed.

De vergelijkingswebsite keek naar de vergoedingen van de vier grootste verzekeraars (CZ, Menzis, VGZ en Agis) en naar de tarieven van ruim 1100 tandartspraktijken verspreid door heel Nederland.

De resultaten vindt u onderstaande tabel. Klik hier voor een vergrootte versie

De gemiddelde prijs is de gemiddelde prijs van alle tandartspraktijken samen per begin april 2012. Per verzekeraar is de vergoeding weergegeven bij een aanvullende verzekering.

Slechts drie behandelingen volledig vergoed
“Alleen Agis biedt voor maar twee behandelingen een volledige dekking, voor een onderzoek tandvleesbehandelingen en een volledig kunstgebit. Maar zelfs die dekking is toereikend in slechts 60% van de tandartspraktijken. CZ vergoedt alleen de controle voor 100%. Dit betekent dat het merendeel van de behandelingen bij de meeste tandartsen niet wordt gedekt door de verzekeraar. Bij de huidige tarieven moet de patiënt dus vrijwel altijd bijbetalen. Een bezoek aan de tandarts kan hierdoor al snel honderden euro’s extra kosten, ook al ben je aanvullend verzekerd. Patiënten dienen zich serieus af te vragen of de extra kosten van een tandartsverzekering daadwerkelijk opwegen tegen de baten.”, aldus Kune Burgers van 123tandarts.nl.

Bron:
123tandarts.nl

Lees meer over: Tarieven, Thema A-Z

Tandvleespatiënten krijgen voedingssupplement uit eigen doos

Tandarts Daniel Joffe, lid van de Vereniging tegen de Kwakzalverij (VtdK) ontdekte een vreemde redactionele dwaling in het Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde, in het nummer van februari 2010. Daarin staat een wetenschappelijk artikel over het nut van voedingssupplementen om chronische ontsteking van het tandvlees (parodontitis) te lijf te gaan. Het is een signalering die opmerkelijk genoeg, nu twee jaar later, weer reuze actueel is geworden.

Artikel over voedingssupplement EPV01
Het stuk in het tandartsenblad is geschreven door Pavel (L.) en Pavel (S.). Het artikel gaat over het nut van het slikken van het middel EPV01. Ze rekruteerden voor hun studie een groep van 32 patiënten, die geheel conform de officiële regels gerandomiseerd en placebo-gecontroleerd voor parodontitis werden behandeld. Alleen patiënten in de leeftijd van 18 to 65 jaar werden geïncludeerd, die moesten bovendien ten minste acht pockets hebben van vier millimeter of meer, verdeeld over minimaal vier gebitselementen. De patiënten kregen of het echte voedingssupplement of een daarvan niet te onderscheiden placebo. In het voedingssupplement EPV01 zit ondermeer vitamine C, vitamine E, vitamine D en wat groene thee-extract. Stoffen waarvan de bedoelde biologische werking enigszins een raadsel lijkt. Niet dat je direct door hebt om welke stoffen het gaat: het artikel rept namelijk over cholecalciferol, tokoferol (dat moet natuurlijk tocoferol zijn) en ascorbinezuur. De patiënten werd en onder meer gerekruteerd in een tandartsenpraktijk in Uithoorn.

Resultaten onderzoek
De resultaten van het onderzoek zijn als volgt: ‘Na zes maanden was het aantal gingivabloedingen na sonderen in de experimentele groep significant meer gedaald dan in de placebogroep’. De conclusie luidt dus dat vier capsules per dag hun werk doen. Maar eigenlijk is het een gerandomiseerde trial die veel te klein is om al te doldrieste conclusies uit te trekken. In hetzelfde nummer reageert de hoofdredacteur van het tandartsenblad desondanks enthousiast: ‘Interessant is het onderzoek van Pavel en Pavel’, schrijft tandarts Aad van Luijk in zijn maandelijkse hoofdredactionele column onder de lerende kop ‘Aanleiding tot zelfreflectie’.
Het artikel, vindt tandarts Joffe, druipt over van de belangenverstrengeling. Die wordt duidelijk op de website van het bedrijf Vitalenk, dat het product Exparovit op de markt brengt. Exparovit is het product dat in het artikel in het tandartsenblad wordt aangeduid met Epv01. Vitalenk is gevestigd in het Barcelona. Jan (J.) Honzik Pavel, is general-manager van het bedrijf, Lenka (L.) Pavel is er medisch directeur. Jan Pavel is ook tennisleraar bij de KLM tennisvereniging De Vliegende Hollander (DVH) in Amstelveen. Lenka Pavel is in 1999 afgestudeerd aan het universitaire tandartsinstituut ACTA in Amsterdam; ze heeft sinds 2006 een praktijk in Barcelona (Spanje). Een deel van het onderzoek dat in het artikel wordt beschreven, is uitgevoerd in de praktijk die ze jaren geleden had in Uithoorn. De familiale banden van de van origine Tsjechische familie Pavel gaan verder. Tandarts Lenka Pavel heeft het artikel in het blad geschreven met ene S. Pavel, die indertijd – volgens de opgegeven affiliatie achterin het artikel – werkzaam was op de afdeling dermatologie van het LUMC in Leiden. De Paveltjes schreven een wetenschappelijk artikel over een product dat ze zelf verkopen, hoe onafhankelijk kun je zijn, schrijft tandarts Joffe, lid van de Vereniging tegen de Kwakzalverij. De redactie van het tandartsenblad zou schaamte sieren, de voltallige redactie zou het boetekleed moeten aant rekken, vindt Joffe.

Heeft de Medisch Ethische Commissie (MEC) van het LUMC het studievoorstel gezien? De secretaris van de MEC meldt desgevraagd dat ‘het onderzoek van de heer Pavel niet bekend is bij de CME van het LUMC. Ook de afdeling dermatologie is niet bekend met het onderzoek. De heer Pavel is sinds 1 juli 2010 niet meer werkzaam op de afdeling dermatologie’. Dat klopt. Dr. Stan Pavel werkt inmiddels in het Dermatologisch Centrum in Breda.

Misleidend volgens Reclame Code Commissie
De zaak Pavel kreeg begin maart van dit jaar een onverwachte staart. De Reclame Code Commissie (RCC) oordeelt dat reclame-uitingen op de website van Vitalenk misleidend zijn. Het gaat dan onder meer om uitingen als ‘klinisch bewezen natuurlijke ondersteuning bij de strijd voor gezond tandvlees’ en ‘Exparovit helpt u in de strijd voor gezond tandvlees’. Het bedrijf Vitalenk, de Paveltjes, is niet komen opdagen bij de zitting van de raad en heeft ‘derhalve de geclaimde werkzaamheid niet aangetoond’, aldus het oordeel van de RCC.

Vitalenk heeft ook zelf zijn conclusies getrokken, getuige de mededeling op zijn website: ‘Op dit moment worden nieuwe Exparovit tabletten gemaakt. Helaas kunt u nu niks bestellen. Onze excuses voor het ongemak’.

Bron:
Vereniging tegen de Kwakzalverij


Lees meer over: Parodontologie, Thema A-Z, Voeding en mondgezondheid

Bacteriën vergrendelen kan gingivitis stoppen

Onderzoekers van de Universiteit van Bristol hebben het molecuul ontdekt dat de toegangssleutel is tot het ontstaan van gingivitis.

Het molecuul CTLP bevindt zich op het oppervlak van de mondbacterie Treponema denticola.Deze klit samen met andere ziekteverwekkende micro-organismen in de mond, waardoor tandplak wordt gevormd.
Deze plak, bestaande uit bacteriën, speeksel en voedselresten, is een belangrijke oorzaak van bloedend tandvlees en gingivitis, wat weer kan leiden tot parodontitis en verlies van tanden.

Interactie
Het is de interactie tussen verschillende orale ziekteverwekkers die cruciaal zou zijn voor de ontwikkeling van parodontitis. De studieresultaten, gepubliceerd in het Tijdschrift Microbiology, suggereren dat er een manier moet zijn om deze interactie te stoppen.

Een sleutelrol is weggelegd voor het molecuul CTLP. Dit fungeert als de sleutel die de bacterie Treponematoegang verschaft tot de gemeenschap van andere mondbacteriën. Eenmaal opgenomen in deze gemeenschap, zijn CTLP en andere bacteriële moleculen samen in staat de bloedstolling te remmen (wat leidt tot verder bloedend tandvlees) en weefsel te vernietigen.

Medicijn
Mensen met een hoog risico op gingivitis zijn gebaat bij een medicijn dat de werking van CTLP blokkeert, door het van de bacterie te scheiden.
Professor Howard Jenkinson, die de studie leidde, over het belang van de studieresultaten: “Het bedenken van nieuwe manieren om tandvleesinfecties te bestrijden, vereist een dieper inzicht in de betrokken microben, hun interacties en de manier waarop ze worden opgenomen in het tandplak.”

Bron:
Dentistry

 

Lees meer over: Parodontologie, Thema A-Z

Temporomandibulaire dysfunctie: de rol van de orofaciaal therapeut

Een patiënt met temporomandibulaire dysfunctie (TMD) kan baat hebben bij orofaciale fysiotherapie. Wat zijn de huidige inzichten?

Temporomandibulaire dysfunctie
Temporomandibulaire dysfunctie (TMD) is een verzamelnaam voor een aantal klinische problemen die de kauwspieren en het kaakgewricht betreffen.
TMD wordt gekenmerkt door pijn in het hoofd-halsgebied en stoornissen in de beweging en de functie van het kauwstelsel. In de etiologie spelen naast problemen in het kaakgewricht neuromusculaire en psychosociale factoren een rol.
Bij 2,4% van de Nederlandse bevolking tussen de 18 en 70 jaar leidt TMD tot dusdanige klachten dat behandeling is geïndiceerd (1).

Diagnostiek
De standaard voor de diagnostiek is het uitgebreide functieonderzoek. Op dit onderzoek volgt een probleemstelling die bestaat uit:

  • de pijndiagnose: voornamelijk myogene of artrogene pijn
  • de functiediagnose: knappende of crepiterende geluiden, luxaties,
    myogene of artrogene bewegingsbeperking
  • de etiologie: bijvoorbeeld parafuncties en gewoonten of psychosociale factoren
  • de behandelingsbehoefte en de behandelingsnoodzaak.

De probleemstelling vormt uiteindelijk de basis voor de behandelindicatie.

De fysiotherapeut-specialist
De orofaciaal fysiotherapeut (OFT) is een fysiotherapeut-specialist voor gezondheidsproblemen bij functiestoornissen en functionele beperkingen in het hoofd- en halsgebied en in het kauwstelsel. De OFT analyseert, interpreteert en behandelt dit soort gezondheidsproblemen die het gevolg zijn van artrogene, musculaire en neurogene stoornissen in de hoofd- en halsregio.

Indicatie fysiotherapie bij TMD
Binnen de huidige inzichten is fysiotherapie bij TMD vooral geïndiceerd in geval van luxaties, parafuncties overdag, mandibulaire bewegingsbeperkingen, myogene hypertonie en pijn (2).

Bij de lichte vormen van myogene dysfunctie blijkt dat bij goede voorlichting over ziektebeeld, behandeling en prognose de behandelingsbehoefte komt te vervallen. Als startoptie bij ernstigere vormen verdient fysiotherapie de voorkeur boven spalktherapie vanwege een vergelijkbare effectiviteit, een kortere therapieduur en lagere kosten (3).

Waar vindt de tandarts een orofaciaal fysiotherapeut?
De ruim 190 orofaciaal fysiotherapeuten zijn aangesloten bij de NVOF. Dit is de erkende specialistenvereniging voor Orofaciale Fysiotherapeuten. De vereniging maakt onderdeel uit van het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie.
De beroepsvereniging NVOF stelt hoge eisen aan de kunde van haar leden. Zo is er onder meer een actueel programma voor verplichte bij- en nascholing. De officieel geregistreerde fysiotherapeut-specialisten zijn te vinden op de site van de beroepsvereniging NVOF.

Door: Jacques Keyzer, orofaciaal fysiotherapeut te Goirle (NB)

Bronnen:
(1) Kanter R. de, et al. Demand and need for treatment of craniomandibular dysfunction
in the Dutch adult population. J Dent Res 1992; 71: 1607-1612.
(2) Lobbezoo F., Naeije M. Wetenschappelijk gefundeerde behandeling van temporomandibulaire dysfunctie. Bezint eer ge begint! Ned Tijdschr Tandheelkd 2006; 113: 14-17.
(3) Glas L.H.W. van der, Buchner R., Grootel R.J. van. Vergelijking tussen behandelingsvormen bij myogene temporomandibulaire dysfunctie. Ned Tijdschr Tandheelkd 2000; 107: 505-512. 


Lees meer over: Medisch | Tandheelkundig, Thema A-Z

CVZ wordt Nederlands Zorginstituut

Vanaf 2013 is het College voor zorgverzekeringen (CVZ) een andere organisatie met een nieuwe naam: het Nederlands Zorginstituut (NZi). Naast de taken die het CVZ nu al uitvoert (uitvoering verzekeringen en pakketbeheer) worden twee andere taken in het Nederlands Zorginstituut ondergebracht: het verbeteren van de kwaliteit van de zorg én het vernieuwen van zorgberoepen en -opleidingen. Daarmee zijn de taken en verantwoordelijkheden voor kwaliteit van zorg bij elkaar gebracht in één organisatie.

Organisatieonderdelen en taken Nederlands Zorginstituut

 

  • NZi Uitvoering Verzekeringen: uitvoeren van regelingen voor specifieke groepen verzekerden.
  • NZi Pakketbeheer: adviseren over de inhoud van de wettelijke verzekerde zorg.
  • NZi Kwaliteit: stimuleren van permanente verbetering van kwaliteit van zorg.
  • NZi Innovatie zorgberoepen en -opleidingen: bevorderen van vernieuwing en verbetering van zorgberoepen en -opleidingen.

NZi Kwaliteit: betere en doelmatigere zorg
NZi Kwaliteit beoogt een forse impuls te geven aan de kwaliteitsverbetering van de zorg. Belangrijk onderdeel daarvan is het stimuleren en ondersteunen van de ontwikkeling van ‘professionele standaarden’ en richtlijnen. Deze zijn voor artsen en andere beroepsgroepen leidraad bij hun handelen; wensen en behoeften van patiënten staan hierbij centraal.

NZi Kwaliteit is de plaats waar zorgpartijen uit de care en cure hun kennis, ervaring en innovaties uitwisselen. Bijvoorbeeld in interactieve, digitale ontwikkelgemeenschappen, waarin zij hun inbreng leveren. Samen maken zij voor een aantal behandelingen professionele standaarden: een overzicht met afspraken voor goede zorg. Daarin is bijvoorbeeld opgenomen welke richtlijnen of ‘best practices’ kunnen worden gebruikt, welke kwaliteitsindicatoren gelden en hoe verschillende professionals samenwerken. Het Kwaliteitinstituut ondersteunt zorgpartijen ook bij de implementatie van standaarden. Hierdoor kunnen cliënten overal dezelfde goede zorg verwachten. Met de ervaring en inzichten die alle zorgpartijen vervolgens opdoen en uitwisselen, wordt de standaard op gezette tijden geactualiseerd. Daarnaast worden onderscheidende indicatoren ontwikkeld die de kwaliteit van het zorgaanbod inzichtelijk maken en daarmee patiënten helpen bij hun keuzes in de zorg.

NZi Innovatie zorgberoepen en -opleidingen functioneert vanaf 1 april 2012 bij het CVZ en bestaat uit een adviescommissie en een klein ondersteunend team. De voorzitter van de Adviescommissie is Dr. Marian Kaljouw. Zij is en blijft directeur van de St. Antoniusacademie.

Lees meer

Bron:
CVZ

Apr 2012

Lees meer over: Kennis, Kwaliteit, Thema A-Z, Zorgverzekeringen

Een op de zeven artsen getuige van wetenschappelijke fraude

Een op de zeven artsen heeft weleens gezien dat wetenschappelijke resultaten werden verzonnen en bijna een kwart heeft weleens meegemaakt dat de onderzoeker alleen die gegevens gebruikte die goed uitkwamen. Dit blijkt uit een enquête van Medisch Contact.
Zij hielden het onderzoek onder achthonderd huisartsen, medisch specialisten, specialisten ouderengeneeskunde en sociaal geneeskundigen.

De belangrijkste onderzoeksresultaten

  • 15% van de artsen die meededen aan het onderzoek zegt weleens van nabij te hebben gezien dat wetenschappelijke resultaten werden verzonnen.
  • 22% zegt weleens te hebben gezien dat onderzoeksdata werden geselecteerd of statistisch werden bewerkt om significante resultaten te behalen.
  • Ruim één op de drie artsen (36%) heeft wel eens meegemaakt dat aan de lijst van auteurs van een wetenschappelijk artikel iemand werd toegevoegd die niets met het onderzoek te maken had.


Bron:
Medisch Contact

Lees meer over: Actueel, Thema A-Z
schippers

Antwoord minister Schippers op kamervragen over forse rekening tandarts

Antwoorden van minister Schippers (VWS) op de vragen van het Kamerlid Kuiken (PvdA) over de forse rekening die patiënten ontvangen door vrije tarieven in de mondzorg. Gezien de prille startfase van het experiment met vrije prijsvorming in de mondzorg wil zij geen overhaaste conclusies trekken. Zij laat zich primair leiden door de rapportages van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en geeft aan dat volgens de NZa de meeste prijzen binnen de zogenaamde bandbreedte vallen.

Lees hieronder de gehele tekst.


Geachte voorzitter,

Hierbij zend ik u de antwoorden op de vragen van het Kamerlid Kuiken (PvdA) over de forse rekening die patiënten ontvangen door vrije tarieven in de mondzorg.

Hoogachtend,

de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
mw. drs. E.I. Schippers

Vragen van het lid Kuiken (PvdA) aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de forse rekening die patiënten ontvangen door vrije tarieven in de mondzorg (ingezonden 8 maart 2012)

1. Hebt u kennisgenomen van het artikel “Tandartsrekening doet pijn; Forse nota patiënt door vrije tarieven” 1) en het artikel “Verzekering dekt tandarts zelden helemaal” 2) waarin verslag wordt gedaan van de nadelige gevolgen van de vrije tarieven voor patiënten? 

Ja.

2. Hoe beoordeelt u de bevindingen van de Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie (NPCF)? Is het waar dat uit een vergelijking van gehanteerde tarieven van 1150 tandartsen is gebleken dat van de 177 soorten behandeling tandartsen voor 155 behandelingen méér vragen dan de verzekeraars maximaal vergoeden?

3. Welke actie gaat u ondernemen richting tandartsen, dan wel richting verzekeraars, om patiënten niet de dupe van het experiment vrije tandartstarieven te laten worden?

2 en 3.
Bij verschillende gelegenheden heb ik met uw Kamer gesproken over de verschillen tussen de prijzen die tandartsen in rekening brengen en de vergoedingen die zorgverzekeraars daar tegenover stellen. Daarbij heb ik eveneens gewezen op de prille startfase waarin het experiment met vrije prijsvorming in de mondzorg zich nu bevindt en gewaarschuwd voor overhaaste conclusies. Dat geldt wat mij betreft ook nu rondom de door u aangehaalde berichten van de NPCF, maar ook met betrekking tot de inmiddels verschenen berichtgevingen over orthodontie.

Met waardering die ik voor de diverse publicaties heb, laat ik mij primair leiden door de rapportages van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). Onlangs heeft de NZa haar tweede marktscan uitgebracht. Ten opzichte van de eerste scan is de prijsontwikkeling van meer prestaties bekeken. De NZa concludeert dat de meeste prijzen vallen binnen de zogenaamde conversiebandbreedte. Dat wil zeggen dat de prijzen van de meeste prestaties uit 2012 omgerekend corresponderen met de bandbreedte van de oude prijzen uit 2011.
Voorts houd ik vast aan mijn eerder gedane uitspraken om geen bijbetalingen binnen het basispakket te dulden. Zorgverzekeraars en tandartsen hebben hierover op mijn initiatief heldere afspraken gemaakt. In mijn brieven van 31 januari 2012 en 15 februari 2012 heb ik u over de resultaten van dit overleg geïnformeerd. Zoals ik u eerder heb gemeld zal de NZa in juni haar monitor uitbrengen, waarin zij naast de prijzen ook zal ingaan op volumegegevens, serviceverlening, innovatie, kwaliteit en spreiding van aanbod.

Bron:
Rijksoverheid



Lees meer over: Tarieven, Thema A-Z

Liefdesleven lijdt onder koortslip

40% van alle Nederlanders heeft last van een koortlip. Uit onderzoek van Novartis blijkt dat dit effect kan hebben op het sociale leven en dan vooral het liefdesleven. 30% schaamt zich voor het hebben van een koortslip. En dat geldt vooral voor vrouwen. Zij worden onzeker wanner het virus toeslaat. Vrijwel alle vrouwen (97%) ondernemen direct actie bij de eerste tekenen van een koortslip. Mannen ondernemen vaak pas aktie als de koortslip doorzet.

Effect op liefdesleven
Een koortslip kan effect hebben op het liefdesleven. De helft van de Nederlanders zoent niet met iemand bij wie ze iets verdachts rondom de lippen zien en zoenen niet meer met een koortslip, bang anderen te besmetten (53%).
Maar liefst 18% stelt een eerste date uit.

Vrouwen op de gevoelige plaat
Een koortslip wordt door vrouwelijk Nederland ervaren als onaantrekkelijk (48%), evenals de witte kleur van de voorgaande Fenistil Penciclovir koortslipcrème (43%). Het gevolg? Een gevoel van onaantrekkelijkheid (62%) en schaamte (30%). Voor 30% van de vrouwen is een fotomoment met koortslip hoogst ongelukkig, zelfs een kwart ziet haar trouwdag met koortslip als meest slechtste timing. 75% van de vrouwelijke ervaringsdeskundigen verlangt naar een camouflerende koortslipcrème, vooral om zich minder gegeneerd en onzeker te voelen. Cupido krijgt zo weer kans raak te schieten; met een goede camouflage durven vrouwen een ander aan te spreken (35%).

Lees meer over: Medisch | Tandheelkundig, Thema A-Z

Aanvullende tandartsverzekering onnodig

“Mensen betalen vaak te veel in verhouding tot wat ze ervoor terugkrijgen.” Dat stelt Rob Barnasconi – Voorzitter van de NMT – volgens een artikel in de Telegraaf.

Rob Barnasconi is voorstander van andere manieren van verzekeren, zoals een zorgabonnement. Volgens de NMT-voorzitter betalen consumenten soms wel 800 euro voor een aanvullende tandartsverzekering terwijl een volwassene gemiddeld jaarlijks voor 180 euro mondzorg nodig heeft.

Veel mensen met een laag inkomen zijn volgens hem niet in staat een aanvullende verzekering voor tandartskosten te betalen doordat verzekeraars de laatste jaren de premie hiervan met 10% per jaar hebben verhoogd.

Lees meer over: Thema A-Z, Zorgverzekeringen

Raad van State schrapt boete RU Nijmegen

De Radboud Universiteit Nijmegen (RU) heeft van de Raad van State gelijk gekregen in een kwestie uit 2007 met de arbeidsinspectie, zegt Omroep Gelderland.

Een Iraanse studente tandheelkunde werkte bij de universiteit als co-assistent en was in afwachting van een verblijfsvergunning. De RU kreeg van de arbeidsinspectie een boete van 9.500 euro wegens verzuim van aanvraag van een werkvergunning.

De universiteit gaf aan dat er geen sprake was van werk maar van onderwijs. Deze zaak werd vervolgens tot de hoogste rechter uitgevochten.


Lees meer over: Inspectie, Thema A-Z
patient-moet-weten-wat-zorg-kost

Kamerbrief minster Schippers over tarieven orthodontie

Brief van minister Schippers (VWS) aan de Tweede Kamer over de gestegen prijzen in de orthodontie. Zij vindt het te vroeg om al conclusies te trekken en wacht de resultaten van de marktscan van de NZa af die in juni zal verschijnen. Ook wil zij aandacht schenken aan kwaliteit, zoals toegankelijkheid en productontwikkeling.

Hieronder vindt u de tekst van de gehele brief van 5 april 2012.


Geachte voorzitter,

Het Tweede Kamerlid Van Gerven (SP) heeft mij, mede namens de fracties van PvdA en GroenLinks verzocht om een oordeel te geven over de gestegen prijzen in de orthodontie. Tevens roepen genoemde fracties op tot het beëindigen van het experiment met de vrije prijzen in de mondzorg.

Het experiment met de vrije prijsvorming is zoals bekend gestart op 1 januari 2012 en bevindt zich derhalve nog in een prille startfase. Bij verschillende gelegenheden heb ik uw Kamer gemeld dat ik het experiment een serieuze kans wil geven. Niet alleen vanwege de voordelen die ik zie op het gebied van innovatie, serviceverlening, variatie in productassortiment en meer
keuzemogelijkheden voor de consument, maar ook vanwege de investeringen die mondzorg organisaties, zorgverzekeraars en patiënten- en consumentenfederaties in de afgelopen periode hebben gedaan om het experiment goed voor te bereiden.

Dat geldt ook voor het onderdeel orthodontie. Ik vind het nu te vroeg om conclusies te trekken uitsluitend op basis van steekproeven die door verschillende onderzoeksbureaus zijn gedaan. Ik geef er de voorkeur aan om de resultaten van de marktscan van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) af te wachten. Zoals ik u eerder heb gemeld, zal deze scan in juni verschijnen. Hierin zal ook specifiek aandacht worden besteed aan de effecten van de vrije prijsvorming op de orthodontie.

Daar komt bij dat in de media sinds de start van het experiment vooral aandacht is geweest voor de ontwikkelingen op het gebied van tarieven en vergoedingen. Er wordt niet of nauwelijks aandacht besteed aan eventuele effecten op toegankelijkheid en ‘productontwikkeling’. Ik denk bijvoorbeeld aan ruimere openingstijden en de keuze voor meer geavanceerde behandeltechnieken en/of – materialen. Voorbeelden hiervan in de orthodontie zijn doorzichtige beugels, zelfstellende slotjes waardoor je minder vaak naar de orthodontist hoeft, etc. Naar mijn mening moeten ook deze ontwikkelingen meegenomen worden in de beoordeling of het experiment met vrije prijzen slaagt of niet.

Alles overziend ben ik van mening dat er nu onvoldoende reden is om het experiment reeds in zijn opstartfase te beëindigen. Dat neemt niet weg dat ik de ontwikkelingen op de voet volg en uw Kamer terstond zal informeren indien er aanleidingen zijn voor wijzigingen in mijn beleid.

Bron:
Rijksoverheid







Hoogachtend,

de Minister van Volksgezondheid,

Welzijn en Sport,









mw. drs. E.I. Schippers

Lees meer over: Tarieven, Thema A-Z

Winnie Sorgdrager gaat onderzoek doen naar dossiers IGZ

Op verzoek van minister Edith Schippers (VWS) gaat Winnie Sorgdrager onderzoek doen naar dossiers en de afhandeling daarvan door de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ). Schippers wil met dit onderzoek een ‘herstel van vertrouwen’ in de IGZ bewerkstelligen.

In de brief aan de Tweede Kamer stelt Schippers dat zij eraan hecht dat de IGZ breed vertrouwen en gezag heeft in de samenleving, het zorgveld en in het parlement. Op dit moment ontbreekt het daaraan, zo erkent de IGZ zelf ook. De IGZ is veelvuldig negatief in het nieuws vanwege trage afhandeling van dossiers en gebrek aan klantvriendelijkheid. Zo hebben de Nationale Ombudsman en Tros Radar in een zwartboek recent talloze klachten over de IGZ verzameld.

Ander onderzoek
Eerder dit jaar kondigde Schippers al een ander onderzoek naar de IGZ aan: dit onderzoek is erop gericht om te zien of de IGZ robuust genoeg om te voldoen aan de eisen die Schippers in haar Toezichtvisie stelt aan een moderne handhavingsorganisatie. Dit onderzoek wordt uitgevoerd door ABD Top Consult en staat onder leiding van Koos van der Steenhoven.

Vlotte afhandeling
In de ogen van Schippers moet de IGZ daadkrachtig, proactief en klantvriendelijk zijn. Zaken bij de Inspectie dienen vlot afgehandeld te worden. Meldingen mogen niet langer open staan dan 1 jaar, tenzij daar goede redenen voor zijn. Schippers wil dat de IGZ dit principe van 1 jaar toepast, dan wel uitlegt als het niet toegepast kan worden.

Verder moet de IGZ helder aangeven waar ze al dan niet over gaat. Wanneer een zaak niet bij de IGZ thuishoort, moet de melder adequaat door de IGZ worden doorgeleid naar de juiste instantie.

Met het aangekondigde tweede onderzoek (het onderzoek onder leiding van Sorgdrager naar de dossiers van de IGZ) handelt Schippers in de geest van een aangehouden motie van de Kamerleden Leijten en Bouwmeester.

Patiënten en vertegenwoordiger zorg
Voor beide onderzoeken geldt dat daarbij zowel patienten als vertegenwoordigers van het zorgveld nauw worden betrokken. De aandachtspunten van de Ombudsman zullen eveneens bij beide onderzoek worden betrokken. Schippers zal de Tweede Kamer na de zomer over de uitkomsten informeren.

Bron:
Rijksoverheid.nl


Lees meer over: Inspectie, Kennis, Patiëntendossier, Thema A-Z
Keramische materialen: gemotiveerd kiezen

Keramische materialen: gemotiveerd kiezen

Welke keramische materialen kunt u het beste gebruiken? Verslag van de presentatie van prof. dr. M. Cune en dr. M. Gresnigt tijdens de klinische avond in het UMC in Groningen op 15 maart.

Presentatie: Prof. dr. M. Cune
Prof. dr. M. Cune begon de avond met een presentatie over keramische materialen waarbij vooral werd ingegaan op zirconia keramiek.

Overzicht vol keramiek

  • Zirconia met opegbakken porselein (Lava, Everest)
  • Lithium discilicaat (IPS emax Press)
  • Materiaal schijnt door, liever niet op donkere stomp gebruiken.
  • Er kan een keuze gemaakt worden om de gehele kroon van dit materiaal te laten maken of om alleen de kap te laten bestaan uit lithium discilicaat.
  • Veldspaatporselein
  • Dit materiaal is geschikt als men beperkt invasief wil werken, 1,5 mm afname is al genoeg. – Dit porselein is bijvoorbeeld geschikt voor hoekopbouw. Een voordeel is dat het keramiek licht doorlaat, ook onder het tandvlees, waardoor het vriendelijker oogt.

 

Zirconia
Zirconia is het meest gangbare keramische materiaal momenteel. Het wordt zowel gebruikt als indirect restauratie-materiaal als voor abutments. Prof. dr. M. Cune ging door op de volgende onderwerpen wat betreft Zirconia.

1. Mechanisch: Hoe sterk is het?
Zirconia lijkt qua eigenschappen (buigsterkte, elasticiteitsmodus, thermische expansie, dichtheid) op dat van gehard staal.
Om het materiaal zo sterk te krijgen moet het de volgende opeenvolgende fases ondergaan: isostatisch persen (200Mpa), sinteren (850 graden Celcius), fraisen, sinteren (1350 graden Celcius). Tijdens het sinteren treedt exact 20% (gelijkmatige) krimp op. Hierdoor kan de kroon 20% te groot gemoduleerd worden en is de kroon exact reproduceerbaar.
Tijdens het verwarmen van zirconia, verandert ook de fase waarin zirconia zich bevindt. Het materiaal is bij kamertemperatuur in de mono-klinische fase. Door de temperatuur van het materiaal te verhogen, komt het materiaal in de tetragonale fase. Bij nog meer temperatuursverhoging komt het materiaal in de kubische fase. In deze laatste fase is het materiaal op zijn sterkst. Echter zal het materiaal uit elkaar spatten indien de temperatuur weer wordt verlaagd. Om deze reden wordt er een stabilisator toegevoegd aan zirconia: yttriumoxide. Deze stabilisator zorgt ervoor dat Zirconia in de tetragonale fase blijft bij kamertemperatuur.
Zirconia heeft ook nadelen. Bij een temperatuur van 220 graden celcius kan het vocht opnemen. Daarom is het af te raden om bijvoorbeeld zirconia-abutments te steriliseren. Daarnaast wordt het materiaal zwakker als het bewerkt wordt. Wat precies de oorzaak hiervan is, is niet bekend. Vermoedelijk heeft het iets te maken met de warmte die bij het bewerken ontstaat. Ook de slijtage is een nadeel. Dit geldt vooral bij zirconia-abutments. Het is bekend dat er meer slijtgage optreedt aan de implantaten dan bij titanium abutments.
Ondanks deze nadelen kan er gesteld worden dat Zirconia voldoende sterk is.

2. Biologisch: Is het wel gezond?
Er is onderzoek gedaan naar de cytototxiciteit, carcinogeniteit en mutageniteit. Deze blijken alledrie goed te zijn bij zirconia. Ook zijn er geen histologische verschillen te vinden tussen titanium en zirconia in de weke delen.

3. Esthetiek/functie: Is het mooier/beter dan ik dacht?
Bij een onderzoek met titanium en zirconia abutments bleek het volgende: bij dun tandvlees (<2mm) schijnt een titanium abutment door. Indien er dus sprake is van een dunne mucosa of een recessiegevoelige gingiva, dan kan beter gekozen worden voor zirconia. Er zijn nog geen vijfjaars resultaten bekend over zirconia kronen. Hier kan dus nog geen uitspraak over gedaan worden.

Presentatie dr. M. Gresnigt
Vervolgens heeft dr. M. Gresnigt zijn lezing gehouden over het adhesief cementeren van porseleinen partiele restauraties. Hieruit kwam naar voren dat men het beste zo minimaal invasief mogelijk kan werken. Dit betekent dat er eerder gekozen moet worden voor een partiële omslijping in plaats van een volledige omslijping. Hoe meer glazuur er behouden blijft, hoe beter de adhesie. Bovendien worden endodontische problemen hierdoor beter voorkomen.
Dr. M. Gresnigt vertelde dat sterkte van glaskeramieken niet alleen afhankelijk is van het restauratiemateriaal maar ook afhankelijk is van het cementatie proces. Het is belangrijk dat er gebruik wordt gemaakt van een adhesief cement.
Hierbij moet het porselein op de volgende manier bewerkt worden:

  1. Etsen met Hydrofluoridezuur (tijd is afhankelijk van soort porselein).
  2. 30 seconden spoelen met water.
  3. Debris verwijderen d.m.v. ultrasone reiniging in een trilbad met gedestilleerd water.
  4. Drogen.
  5. Silaan (monobond plus, Ivoclar Vivadent) aanbrengen en 1 minuut laten intrekken. Silaan kan worden gezien als een koppeling tussen twee verschillende oppervlaktes, de ene kant het porselein en de andere de bonding.
  6. Het aanbrengen van het adhesief en cement.

Hierna werd er door dr. M. Gresnigt ingegaan op de betreffende behandeling in het anteriore gebied en het posteriore gebied.

Anterior
Bij het gebruik van porselein in het anteriore gebied, is het belangrijk dat er gebruik wordt gemaakt van een wax-up om vervolgens een mock-up te maken van composiet of protemp. Op die manier kan de patiënt namelijk wennen aan de nieuwe situatie. Ook zijn er nog veranderingen mogelijk. Dit is om teleurstelling bij de patiënt achteraf te voorkomen.

Posterior
Bij het vervaardigen van porseleinen restauraties in het posteriore gebied waarbij veel dentine bloot ligt, is een Immediate Dentine Sealing (IDS) aan te raden. Dit betekent dat vóór het nemen van de afdruk al een sealing wordt aangebracht op het dentine (ets, prime, bonding). Voor het plaatsen van de porseleinen restauratie, wordt de IDS-laag voorbehandeld met behulp van een silica-coating (Cojet, 3M ESPE). Wanneer er gebruik wordt gemaakt van IDS dan is er sprake van een significantie lagere post-operatieve gevoeligheid. Daarnaast is er een betere hechting aan dentine.

Bekijk foto’s van behandelingen op de website van dr. Gresnigt

Bron: Klinische avond georganiseerd door de Stichting PAOT-NN in samenwerking met het UMCG Wenckebach Instituut.

Prof. dr. M. Cune is hoogleraar Orale Functieleer, in het bijzonder in de Restauratieve en Reconstructieve Tandheelkunde, aan het UMC Groningen en is daar werkzaam binnen het Centrum voor Tandheelkunde en Mondzorgkunde. Daarnaast is hij actief op het Centrum voor Bijzondere Tandheelkunde in het St. Antonius ziekenhuis in Nieuwegein.

Dr. M. Gresnigt is werkzaam als klinisch docent en onderzoeker in de reconstructieve en esthetische tandheelkunde bij het Centrum voor Tandheelkunde en Mondzorgkunde van het UMC Groningen. Daarnaast werkt hij in de algemene praktijk, waar hij zich met name richt op de orthodontie, esthetische en reconstructieve tandheelkunde.

Lees meer over: Restaureren, Thema A-Z

Tandartsen geven autoriteit niet graag uit handen

De competentiestrijd tussen tandartsen en mondhygiënisten is verscherpt, sinds die laatsten zijn opgeleid om zelfstandig diagnoses te stellen en eenvoudige tandheelkundige ingrepen te doen. Tandartsen verwelkomen mondhygiënisten-nieuwe-stijl in hun praktijk, maar hebben er moeite mee hun autoriteit uit handen te geven. Daardoor verloopt de beoogde herschikking van de taken veel minder soepel dan de bedoeling was. Dat blijkt uit onderzoek van de Groningse hogeschooldocent Mondzorgkunde Katarina Jerkovic. Zij promoveert op 5 april 2012 aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Jerkovic beschouwt deze ontwikkeling als symptomatisch voor de hele gezondheidszorg. Want inmiddels worden in veel takken van de zorg hbo-opgeleide zorgverleners geacht taken uit handen te nemen van hun academisch geschoolde collega’s.

Dreigend tandartsentekort
Ruim twaalf jaar geleden lag er al een eerste voorstel om de opleiding tot mondhygiënist te verlengen en meer taken van de tandarts naar de mondhygiënist te verschuiven. Daardoor zou de tandarts meer tijd overhouden voor complexere taken. Het besluit anticipeerde op een tandartsentekort, dat zou ontstaan als gevolg van de vergrijzing. In 2002 begon de vierjarige opleiding Mondzorgkunde, waar die vroeger twee en later drie jaar duurde. Sinds 2006 studeren er jaarlijks zo’n 100 à 150 mondhygiënisten-nieuwe-stijl af, die bijvoorbeeld halfjaarlijkse controles mogen uitvoeren, kleine gaatjes mogen boren en vullen, en daarover ook zelfstandig diagnoses mogen stellen.

Besluitvorming
Tandartsen blijken echter moeite te hebben met de overdracht van hun verantwoordelijkheden, merkte Jerkovic: ‘Ze waarderen de ruimte die ze krijgen als ze mondhygiënisten in hun praktijk hebben, maar ze willen zelf de besluitvorming in handen houden. Daardoor krijgen de mondhygiënisten minder te doen dan waarvoor ze zijn opgeleid. Dat komt overigens ook omdat ze vaak een baan van een oude-stijl-collega opvullen, die dat werk toch al niet deed. Ook combineren de mondhygiënisten vaak meerdere banen, waardoor ze naast hun primaire taken in preventie en het behandelen van tandvleesaandoeningen, weinig tot geen tijd overhouden om zich met de nieuwe taken bezig te houden.’

Werkplezier
Uit het onderzoek van Jerkovic blijkt bovendien dat mondhygiënisten-nieuwe-stijl minder plezier in hun werk hebben dan hun voorgangers: ‘Deze nieuwe mondhygiënisten ervaren minder autonomie en meer rolconflict in hun banen, wat weer te verklaren valt door de huidige taakverdeling tussen de tandarts en de mondhygiënist.’ Jerkovic verwacht dat de situatie verandert nu patiënten zonder verwijzing naar een mondhygiënist mogen gaan. Dat vereist alleen bekendheid met die mogelijkheid, anders blijven ze trouw naar de tandarts gaan voor ingrepen die een mondhygiënist ook kan uitvoeren.

Symptomatisch
Wat gebeurt in de verhouding tandarts-mondhygiënist, komt ook voor in andere takken van de gezondheidszorg, stelt Jerkovic. Daarom is het van groot belang om goed te monitoren of dit model werkt. Jerkovic: ‘Deze nieuwe taakverdeling is symptomatisch voor de hele gezondheidszorg. Neem bijvoorbeeld oogartsen en optometristen, artsen en verpleegkundigen. De academisch gevormde artsen krijgen te maken met zorgverleners met een hbo-opleiding die veel van hun gewone taken kunnen overnemen. Dat is alleen maar goed, en het past in het beleid van de overheid om mensen met een gepast opleidingsniveau een gepast takenpakket te geven. Op het gebied van tandheelkunde loopt Nederland daarin in internationaal opzicht ook voorop. Er zijn geen aanwijzingen dat dat tot verdringing leidt van de academische artsen. Ze kunnen daarvan juist profiteren, als ze bereid zijn een deel van hun bevoegdheden te delen met hun hbo-collega’s.’

Curriculum vitae
Katarina Jerkovic-Cosic (Bosnië, 1976) studeerde af als mondhygiënist (oude stijl) aan de Hanzehogeschool Groningen en behaalde haar master Epidemiologie aan de UvA in Amsterdam. Sinds 2000 werkt ze als docent bij de opleiding Mondzorgkunde, vanaf 2002 maakt ze als onderzoeker deel van het lectoraat Transparante Zorgverlening aan de Hanzehogeschool en is ze verbonden aan het Centrum voor Tandheelkunde en Mondzorgkunde van het UMCG. Ze promoveert aan de Faculteit Economie en Bedrijfskunde bij prof.dr. A.M. Sorge, hoogleraar bedrijfskunde, en prof.dr. C.P. van der Schans, hoogleraar revalidatiegeneeskunde, op het proefschrift ‘The relation between profession development and job (re)design. The case of dental hygiene in the Netherlands’.

Bron:
RUG.nl

Lees meer over: Kennis, Mondhygiëne, Onderzoek, Thema A-Z
camera - foto

Alleen een foto als het echt nodig is

Röntgendiagnostiek is essentieel in de tandartspraktijk. Maar de straling kan ook schadelijk zijn. Wat mag en moet u, als het gaat om het maken van röntgenopnamen?

Een dag zonder röntgen is een dag niet geleefd, vat prof. dr. Paul van der Stelt het belang van röntgendiagnostiek voor de tandartspraktijk samen. Van der Stelt (sectie Orale en maxillofaciale radiologie van de ACTA) sprak op het congres Veiligheid en regelgeving in de tandheelkundige praktijk’.

Dosis en effect
11% van de straling die we gemiddeld jaarlijks ontvangen is afkomstig van röntgendiagnostiek”, legde Van der Stelt zijn gehoor uit. Hoewel 36% van het medische röntgenonderzoek bij de tandarts plaatsvindt, kan slechts 1% va de straling op het conto van de tandheelkunde worden geschreven.

Een groot deel van de straling gaat dwars door de patiënt heen en veroorzaakt geen schade. Een deel van de fotonen veroorzaakt echter schade aan het DNA. Een deel daarvan wordt door het lichaam weer hersteld, maar een ander deel is blijvend.
Ook lage doses, zoals gebruikelijk in de tandheelkunde, kunnen schadelijke effecten teweegbrengen. Het gaat dan vooral om effecten die op langere termijn (na 10 tot 25 jaar) tot uiting komen als tumoren en leukemie.
Dat betekent dus dat bij dit soort lage doses de kans op een effect weliswaar beperkt is, maar dat het effect, als het tot uiting komt, altijd dezelfde ernst heeft, onafhankelijk van de oorspronkelijke dosis.

Het is nog niet exact bekend hoe groot de relatieve kans is op een nadelig effect bij lage doses. Daarom wordt veiligheidshalve een lineaire dosis-effect relatie aangehouden. De aanname is dus dat ook een lage dosis kans geeft op een effect. Daarom moet de dosis zo laag mogelijk worden gehouden.

Besluit Stralingsbescherming
Richtlijnen en regels zijn te vinden in het Besluit Stralingsbescherming (BS) van 2002. In het BS is geregeld wie er bevoegd zijn om röntgenopnamen te maken. In 2012 komt daarop een aanvulling, waarin ook rekening wordt gehouden met nieuwe opnametechnieken, zoals Cone Beam CT. Dit gaat effect hebben op uw praktijkvoering, voorziet van der Stelt.

De uitgangspunten van het veilig gebruik van röntgenstraling in het BS zijn gebaseerd op de principes die zijn geformuleerd door de International Commission on Radiological Protection (ICRP): rechtvaardiging, ALARA en dosislimieten.

Rechtvaardiging
Er moet een medische reden zijn om een opname te maken. Daartoe kan dus alleen worden besloten na klinische inspectie. De tandarts is de enige die de indicatie en de rechtvaardiging kan geven. Deze moeten bovendien worden toegelicht in het patiëntendossier, evenals een verklaring van het resultaat van de opnamen. Houdt u er rekening mee dat een panoramafoto maar een beperkt toepassingsgebied heeft.

Het maken van de opnamen kan alleen aan een assistent worden gedelegeerd indien deze een erkende opleiding daarvoor heeft gevolgd. De instructies aan deze persoon moeten schriftelijk worden vastgelegd.

ALARA
Bij het maken van opnamen moet de dosis As Low As Reasonably Achievable (ALARA) zijn. Dat betekent dus dat de hoeveelheid belastende röntgenstraling zo laag als redelijkerwijs uitvoerbaar is’ , moet zijn zijn. Het besluit Stralingsbescherming geeft geen exacte richtlijnen, maar stelt dat u moet handelen naar geldend inzicht. Dit betekent dat u voor zover nodig afschermingsmaatregelen moet treffen, de patiënt een loodkraag of -schild kunt (laten) dragen, gevoelige films moet gebruiken of digitaal werken, en een rechthoekig diafragma moet toepassen.

Wat er verder wordt verwacht volgens “geldend inzicht” is onder andere te vinden in de NMT Praktijkrichtlijn Radiologie en de European guidelines on radiation protection in dental radiology

Dosislimieten
Voor werknemers gelden dosislimieten. U dient daar zo ver mogelijk onder te blijven. De meeste praktijken zullen kunnen aantonen dat de straling onder 1 milliSievert per jaar blijft. In dat geval behoeven uw werknemers geen dosimeter te dragen.

Erkenning als deskundige
Heeft u een röntgenapparaat in uw praktijk, dan moet u kunnen aantonen dat u stralingsdeskundige op niveau 5A/M bent. U moet dus kennis over de eigenschappen van straling hebben en medisch gezien het maken van röntgenopnamen kunnen rechtvaardigen. Bovendien dient u uw tandartsbul te hebben om de rechtvaardiging en interpretatie van de opnamen te kunnen uitvoeren, en uw deskundigheid door bijscholing up-to-date te houden.

KEW-dossier
U bent verplicht een kernenergiewet-dossier samen te stellen. Belangrijkste onderdeel daarvan is de risicoanalyse. U moet daarvoor de stralingsbelasting op de omgeving (laten) meten of berekenen: op de werkplekken, op de gang, in de wachtkamer en op de straat voor uw praktijk. Met de juiste software is dit volgens Van der Stelt adequaat zelf te doen. Het röntgentoestel moet ook gemeld worden (indien het < 100 kV is; anders is vergunning nodig) bij het Agentschap-NL.

Bekijk het VGT-overzicht van de wettelijk verplichte inhoud van een KEW-dossier.

Bron:
Verslag door dental INFO, tijdens het congres Veiligheid en Regelgeving in de tandheelkundige praktijk, georganiseerd door Dental Best Practice, 25 november 2011, RAI Amsterdam

Prof. dr. Paul van der Stelt studeerde af als tandarts bij de Vrije Universiteit in 1974. Hij promoveerde in 1979 op een onderzoek naar de herkenning van peri-apicale botresorptie op röntgenopnamen. Vanaf 1978 is hij actief in onderzoek op het gebied van digitale radiologie. In 2000 resulteerde dit erin dat ACTA als eerste tandheelkundige opleiding in de wereld volledig overging op digitale opnametechnieken. In 1984/85 bracht hij een sabattical door in de Verenigde Staten aan de National Institutes of Health. In 1986 werd hij benoemd tot hoogleraar Orale en Maxillofaciale Radiologie bij ACTA.

Apr 2012


Download brochure vgt-inhoud-kew-dossier-2011.pdf
Lees meer over: Congresverslagen, Diagnostiek, Kennis, Röntgen | Digitale tandheelkunde, Thema A-Z