Tuchtrecht: Berisping voor tandarts wegens onvoldoende supervisie van mondhygiënist
Een tandarts krijgt een berisping nadat een mondhygiënist zonder vereiste supervisie een secundaire caviteit behandelt. Het tuchtcollege oordeelt dat de tandarts onvoldoende regie voerde en dat binnen de praktijk duidelijke afspraken over bevoegdheden en verantwoordelijkheden ontbraken. Wat kunnen tandartsen hiervan leren?
Situatie
Een patiënte bezocht op 11 januari 2024 haar tandarts voor de behandeling van twee caviteiten in element 35. De cariës werd destijds behandeld en het element werd gevuld. Ruim een jaar later, op 19 maart 2025, nam de patiënte opnieuw contact op met de tandartspraktijk. Zij gaf aan dat er een groot gat in de kies zat en dat de vulling eruit was gevallen. Volgens het dossier had zij op dat moment geen pijn, maar wilde zij niet te lang wachten met het opnieuw laten vullen van de kies.
De behandeling vond de volgende dag plaats, op 20 maart 2025. De kies werd behandeld door een mondhygiënist, die een éénvlaks composietvulling plaatste. De tandarts was op dat moment niet betrokken bij de behandeling. De patiënte bleef na de behandeling echter klachten houden.
Op 16 mei 2025 nam de patiënte opnieuw contact op met de praktijk vanwege pijn aan de vulling. Zij gaf daarbij aan bang te zijn haar kies te verliezen en wilde dat haar klachten serieus zouden worden genomen. In het dossier werd onder meer vastgelegd dat de kies eerder door de mondhygiënist was gevuld zonder supervisie van de tandarts.
Op 17 juni 2025 werd de patiënte opnieuw onderzocht. Uit het onderzoek bleek dat de klachten afkomstig waren van element 35. Op een röntgenfoto was een ontsteking zichtbaar. De patiënte was ervan overtuigd dat deze ontsteking het gevolg was van het vullen van de kies. Omdat het vertrouwen tussen de patiënte en de praktijk inmiddels was verminderd, werd in overleg besloten dat zij beter een andere tandarts kon zoeken. De tandarts schreef een antibioticum voor en bracht voor het consult en de gemaakte röntgenfoto geen kosten in rekening.
Klacht
De patiënte diende vervolgens een tuchtklacht in tegen de tandarts. Zij verweet hem in de kern dat hij de behandeling van haar kies had laten uitvoeren door een mondhygiënist zonder supervisie, terwijl de mondhygiënist volgens haar niet bevoegd was om deze behandeling zelfstandig uit te voeren. Volgens de patiënte had dit geleid tot onnodige schade aan haar gebit, waarbij zij de ontstane ontsteking en het mogelijk afsterven van de kies in verband bracht met de behandeling.
Daarnaast stelde zij dat zij niet was geïnformeerd over het feit dat de mondhygiënist de behandeling uitvoerde binnen het kader van een vijfjarig experiment met betrekking tot de zelfstandige bevoegdheid van geregistreerd mondhygiënisten.
Tot slot klaagde zij over de communicatie en bejegening door de tandarts. Zij voelde zich onheus behandeld door de opmerking dat zij er zelf voor had kunnen zorgen dat zij geen gaatjes zou krijgen.
De tandarts bestreed de klachten. Hij stelde dat de mondhygiënist ten tijde van de behandeling op grond van het tijdelijke experiment zelfstandig bevoegd was om onder andere primaire cariës te behandelen. Volgens hem viel de behandeling van de patiënte binnen de periode waarin het experiment van toepassing was.
Wat betreft zijn opmerking over het ontstaan van gaatjes verklaarde de tandarts dat hij hiermee niet had willen suggereren dat de patiënte zelf verantwoordelijk was voor haar caviteit. Hij bedoelde hiermee dat het voorkomen van gaatjes voorkomt dat restauratieve behandelingen en mogelijk wortelkanaalbehandelingen nodig zijn. De tandarts erkende dat hij de opmerking anders had kunnen formuleren en had hiervoor later zijn excuses aangeboden.
Beoordeling
Het college beoordeelde of de tandarts had gehandeld zoals van een redelijk bekwame tandarts mag worden verwacht, met name wat betreft de bevoegdheid van de mondhygiënist en zijn eigen verantwoordelijkheid.
Behandeling door de mondhygiënist: gegrond
De mondhygiënist mocht binnen het tijdelijke experiment zelfstandig primaire cariës behandelen, maar element 35 had al een vulling en betrof daarom een secundaire caviteit. Hiervoor was een opdracht van de tandarts en voldoende supervisie vereist. De tandarts had hier onvoldoende regie op gevoerd en binnen de praktijk ontbraken duidelijke afspraken over de zelfstandige bevoegdheden van de mondhygiënist.
Informatievoorziening: ongegrond
Er was geen wettelijke verplichting om de patiënte te informeren dat de behandeling binnen het tijdelijke experiment plaatsvond. Het probleem was dat de mondhygiënist de behandeling niet zelfstandig mocht uitvoeren.
Bejegening en communicatie: ongegrond
De opmerking van de tandarts dat de patiënte zelf had kunnen voorkomen dat zij gaatjes kreeg, was onhandig. Omdat hij de opmerking erkende en meerdere malen excuses aanbood, was volgens het college geen sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.
Uitspraak
De klacht over het zonder vereiste supervisie laten behandelen van een secundaire caviteit door de mondhygiënist werd gegrond verklaard. De klachten over de informatievoorziening rond het experiment en de communicatie van de tandarts waren ongegrond.
De tandarts kreeg een berisping, omdat hij onvoldoende toezicht hield en de verantwoordelijkheden binnen de praktijk onvoldoende had vastgelegd. Ook ontbraken duidelijke werkafspraken en structureel overleg met de mondhygiënist.
Het college vond publicatie van de geanonimiseerde uitspraak in het algemeen belang, zodat andere tandartsen hiervan kunnen leren.
Bron:
Tuchtrecht Overheid










