sport

Sporten beschermt tegen parodontitis maar huishoudelijk werk volgens onderzoek niet

Lichamelijke activiteit kan ontstekingen voorkomen, wat op zijn beurt het risico op het ontwikkelen van parodontitis zou kunnen verminderen. De ene activiteit is echter de andere niet: volgens een studie in het Journal of Clinical Parodontology heeft lichaamsbeweging in de vrije tijd een beschermend effect, maar is beroepsactiviteit juist een risico-indicator voor tandvleesaandoeningen.

Sleutel tot betere gezondheid

Medische professionals hebben regelmatige lichaamsbeweging aangeprezen als de sleutel tot gewichtsbeheersing, een betere hersengezondheid en een verminderd risico op het ontwikkelen van bepaalde ziekten. Het is echter mogelijk dat niet alle soorten bewegingen gelijk zijn in hun voordelen voor de mondgezondheid.

Sporten is beschermende factor

Lichamelijke activiteit in de vrije tijd kan systemische ontstekingen en oxidatieve stress verminderen. Voorbeelden hiervan zijn sporten en wandelen. Het wordt beschouwd als een preventieve factor voor de meeste chronische niet-overdraagbare ziekten.

Fysieke activiteit op het werk heeft negatief effect

Daarentegen heeft wetenschappelijk bewijs aangetoond dat fysieke activiteit op het werk een tegengesteld effect heeft. Hieronder vallen ook huishoudelijke taken. De vaak langdurige statische belasting en repetitieve werkhoudingen hebben negatieve effecten heeft op de psycho-fysieke gezondheid en lichte systemische ontstekingen. Hoge niveaus van bewegingen die verband houden met beroepen hebben volgens de studie juist een verhoogde incidentie van verschillende niet-overdraagbare ziekten.

Fysieke activiteit en parodontitis

Een groep onderzoekers uit Italië en Spanje heeft het verband tussen fysieke activiteit in de vrije tijd en op het werk parodontitis geëvalueerd. Hiervoor analyseerden ze gegevens van ruim 10.000 volwassenen met behulp van de Amerikaanse National Health and Nutrition Examination Survey 2009-2014 database.

Global Physical Activity-vragenlijst

De Global Physical Activity-vragenlijst werd gebruikt om fysieke activiteit te beoordelen en deze te classificeren als hoge of lage vrijetijds- of beroepsactiviteit. De parodontale status werd beoordeeld door middel van een parodontaal onderzoek van de volledige mond en de proefpersonen werden geclassificeerd volgens de American Academy of Periodontology en de U.S. Centers for Disease Control and Prevention. Vervolgens werden regressieanalyses toegepast.

Verschil tussen werk en vrije tijd

Uit de analyse bleek dat hoge niveaus van fysieke activiteit in de vrije tijd een beschermende indicator voor parodontitis is (odds ratio [OR], 0,81; 95% betrouwbaarheidsinterval [BI]: 0,72, 0,92). Hoge niveaus van fysieke activiteit waren daarentegen gerelateerd aan werk werden geïdentificeerd als een significante risico-indicator (OR, 1,16; 95% BI, 1,04, 1,30).
Bovendien toonde de combinatie van weinig fysieke activiteit in de vrije tijd en veel beroepsactiviteit een cumulatief onafhankelijk verband met parodontitis (OR, 1,47; 95% CI, 1,26, 1,72), volgens de studie. Daarnaast resulteerden extremere maten van fysieke activiteit op het werk ook in sterkere schattingen van ernstige parodontitis. Systemische ontsteking, BMI en comorbiditeiten kunnen deze relaties volgens de onderzoekers gedeeltelijk verklaren.

Klinisch onderzoek nodig

In de toekomst zouden gerandomiseerde klinische onderzoeken moeten worden uitgevoerd om het mogelijke effect van fysieke activiteitsadvisering te onderzoeken, zowel op de primaire preventie van tandvleesaandoeningen, als op een onderdeel van de eerste fase van parodontale therapie, schreven ze.

Doelwit voor interventie

“Het verduidelijken van de mogelijke preventieve rol van fysieke activiteit bij parodontitis zou relevant zijn voor mondzorgverleners, aangezien dit een doelwit zou kunnen zijn voor interventie als onderdeel van stap 1 van parodontale therapie”, aldus de auteurs

Bron:
Journal of Clinical Parodontology

 

 

Lees meer over: Parodontologie, Thema A-Z
Glimlach

Parodontologie-orthodontie-synergie kan de glimlachesthetiek verbeteren

De samenwerking tussen parodontologen en orthodontisten is belangrijk om de glimlach esthetiek te verbeteren.
De synergie tussen parodontologie en orthodontie is een uitstekend voorbeeld van het succes van multidisciplinaire benaderingen in de tandheelkunde, volgens Bruno de Carvalho tijdens de presentatie van de European Federation of Periodontology (EFP).

Bij esthetische tandheelkundige behandelingen zijn een correcte orthodontische en parodontale diagnose en een grondige analyse van de harde en zachte weefsels heel erg belangrijk om langetermijnresultaten te behalen.

Multidisciplinaire aanpak

Parodontitis heeft vaak esthetische gevolgen en daarom is een multidisciplinaire aanpak vereist. Het begrijpen van zowel de biologische basis van parodontale chirurgie als de basis van orthodontische bewegingen is belangrijk om goede esthetische resultaten te krijgen.

Orthodontische extrusie

Orthodontische geforceerde extrusie (OFE) is een orthodontische tandbeweging en kan een therapeutisch doel hebben. OFE is een tandbeweging in coronale richting om de tandpositie te wijzigen en/of veranderingen teweeg te brengen in het omliggende bot en weke delen.

Indicaties voor OFE

Veel voorkomende indicaties van orthodontische geforceerde extrusie zijn onder meer tractie van geimpacteerde tanden, blootstelling van tanden die structurele schade vertonen, behandeling van parodontale bot- en papillaire defecten en ontwikkeling van de implantatieplaats.

Tijd van actieve orthodontische extrusie

De totale tijd van actieve orthodontische extrusie wordt voornamelijk beïnvloed door het toegepaste klinische protocol, de hoeveelheid gewenste tandextrusie en wortel morfologie.
In de presentatie werden drie verschillende klinische protocollen gedefinieerd, namelijk:
– OFE met circumferentiële supracrestale fiberotomie (CSF) of intermediaire tandstabilisatie (ITS)
– OFE zonder CSF of ITS
– OFE zonder CSF en met ITS

Mucogingivale chirurgie

Mucogingivale chirurgie kan helpen om de esthetiek van de glimlach te herstellen en om de ondersteuning van de tanden te verbeteren. Zowel klassieke en nieuwe technieken kunnen worden gebruikt in situaties van een vergevorderde recessie. Interdisciplinaire behandelingen kunnen worden uitgevoerd om complexe recessies te behandelen.

Nieuw interdisciplinair protocol

In de presentatie is een nieuw interdisciplinair protocol voor de behandeling van klasse 3/RT2-recessies in de voortanden van parodontale patiënten getoond. Dit innovatieve protocol bestaat uit het uitvoeren van mucogingivale chirurgie met een tunnelbindweefseltransplantaat tijdens orthodontische tandbeweging. De wortel wordt niet alleen buccaal, maar ook mesiaal en distaal bedekt.

Via deze link kan de gehele samenvatting van de presentatie van de EFP worden bekeken

Lees meer over: Orthodontie, Parodontologie, Thema A-Z
dossier - onderzoek

Afstudeeronderzoek: Kan de Simba inzicht geven in ontsteking van de gingiva?

TNO heeft een lichtapparaat ontwikkeld genaamd Simba. Het apparaat kan met behulp van fotonica techniek verandering in weefsel meten. Enes Ercan en Julia Johannink deden een pilotonderzoek naar het gebruik van de Simba en welke waarden van ontsteking in kaart kunnen worden gebracht.

Doel

Het nieuwe apparaat van TNO is nog niet eerder toegepast in de praktijk, waardoor er nog geen gegevens beschikbaar zijn over ontstekingswaarden van de gingiva en hoe het apparaat het beste gebruikt kan worden.

Doel van het onderzoek was om een werkvoorschrift te maken voor de Simba en om te kijken welke waarden bij wel / geen bloeding het apparaat meet bij de vier parameters: saturatie, bloedvolume, bilirubine en vaatdiameter.

Materiaal en methode

Dit pre-experimenteel onderzoek bestond uit 12 deelnemers met in totaal 621 sites. Er werd gebruik gemaakt van een doelgerichte selecte steekproef. Gezonde studenten (N=7), gingivitis (N=3) en parodontitis (N=2). Er werd op twee manieren materiaal verzameld. Allereerst om het werkvoorschrift te kunnen schrijven en daarna volgens het werkvoorschrift metingen te kunnen uitvoeren bij een onderzoekspopulatie. Voor het werkvoorschrift zijn er oefensessies geweest om te leren werken met het apparaat waarbij de opdrachtgever en de onderzoekers zelf proefpersonen waren. Hierbij is getest hoe de positie, plaatsing, meetvolgorde en het gebruik van het apparaat volgens de WIP-richtlijnen mogelijk was. De meetinstrumenten waren de BOMP en de Simba. De meetmomenten vonden plaats op de HU-klinieken van de Hogeschool Utrecht. De deelnemers werden eenmalig gemeten (T=0). De metingen zijn door één onderzoeker uitgevoerd en door één onderzoeker geobserveerd. Voor de data-analyse werd er gebruik gemaakt van beschrijvende statistiek van gemiddelden en percentages. De analyse van het onderzoek zijn verwerkt in het programma Exel.

Resultaten

Het werkvoorschrift werd getest bij zeven proefpersonen voordat het werd ingezet tijdens de klinische onderzoek metingen. Het werkvoorschrift benadrukt het belang van kalibratie, positie, plaatsing, druk, meetvolgorde en efficiënte gebruik volgens de WIP-richtlijnen. Gemiddelde saturatie StO2 was 68,5% (SD 10,4) en 72.5% (SD 12,6) bij geen en wel bloeding. Gemiddelde bloedvolume was 0,97% (SD 1.66) en 0,92% (SD 1.15) bij geen en wel bloeding. Gemiddelde hoeveelheid bilirubine was 14,77µm (SD 13,18) en 16,10µm (SD 10,30) bij geen en wel bloeding. Gemiddelde vaatdiameter was 0,02mm (SD 0,02) en 0,01 mm (SD 0,02) bij geen en wel bloeding.

Klik hier voor een vergrote versie van de poster

Conclusie

Er kan geconcludeerd worden dat de Simba op een efficiënte manier gebruikt kan worden met behulp van het opgestelde meetprotocol met werkvoorschrift. Daarnaast geven de metingen goede/logische fits en kan het apparaat verschillende parameters meten die inzicht geven op de gradatie van ontsteking. De uitkomsten voor alle parameters behalve saturatie bieden een logische uitkomst. Anderzijds is er nog geen waarde vast te stellen voor een gezonde gingiva, gingivitis en parodontitis, hiervoor moet nog meer onderzoek uitgevoerd worden.

Afstudeeronderzoek | poster door:
Enes Ercan en Julia Johannink, studenten mondzorgkunde, Hogeschool Utrecht

Bekijk ook andere afstudeerprojecten van studenten Mondzorgkunde

Deze afstudeerprojecten werden beoordeeld met een cijfer 7 of hoger en zijn een selectie uit de onderzoeken die interessant zijn voor werkzame mondhygiënisten.

 

 

Lees meer over: Parodontologie, Thema A-Z
therapie

De applicatie van nieuwe biologicals bij regeneratieve parodontale therapie

Verslag van de lezing van prof. Anton Sculean over de toepassing van hyaluronzuur bij de regeneratieve parodontale therapie. Hyualuronzuur werd in 1934 voor het eerst beschreven. Er zijn veel artikelen over het effect op groeifactoren. Hyaluronzuur is een belangrijke stof bij het ontstaan van granulatieweefsel in de extra cellulaire matrix. Daar hoopt het zich op na beschadigingen om tot drie tot vijf dagen op een maximum hoeveelheid uit te komen.
De organen van embryo’s zijn inbed in hoge concentraties hyaluronzuur. Wanneer je bij een hele jonge patiënt of embyo een operatie uitvoert, is de genezing uitzonderlijk goed. Er wordt nagenoeg geen littekenweefsel gevormd. Hyaluronzuur lijkt hierbij een belangrijke rol te spelen.

Preklinisch onderzoek

In een preklinische studie werd onderzocht wat de effecten waren van hyaluronzuur op verschillende soorten fibroblasten. Er werd vooral gekeken of het een positief effect had op de wondheling.
Het hyaluronzuur molecuul komt in verschillende variaties voor: kort, lang, gecrosslinked of juist niet. Wanneer het hyaluronzuur gecrosslinked is, heeft het een betere stabiliteit. Er werden verschillende variaties onderzocht.
Bij het toevoegen van hyaluronzuur bleek dat de cellen meer geprolifereerd waren vergeleken met de controle groep, waarbij niets toegevoegd was. Hetzelfde werd gevonden voor de mate waarin deze cellen kunnen migreren: bij de hyaluronzuurgroep was dit significant groter. Als laatste bleek dat hyaluronzuur een stimulerende werking heeft op de expressie van genen die coderen voor groeifactoren die belangrijk zijn voor de (littekenvrije) wondgenezing. Het is een biocompatibel materiaal en heeft geen negatieve effecten op de fibroblasten. Klinisch zorgt de aanwezigheid voor hyaluronzuur ervoor dat er minder littekenweefsel gevormd wordt.

Dierstudies

Beagles werden gebruikt om te beoordelen of hyaluronzuur een effect heeft op de genezing bij intrabony defecten. Deze botdefecten zijn chirurgisch gemaakt en geïnfecteerd en op verschillende manieren beoordeeld. De controlegroep was een behandeling met behulp van een open flap debridement en de testgroepen waren met toevoeging van hyaluronzuur, een collageenmatrix en een gecombineerde behandeling met hyaluronzuur en collageen.
Er werd een klinische beoordeling gedaan en een histologische analyse. Bij de controle groep is spontane regeneratie te zien bij het apicale deel, maar als je kijkt naar het deel meer apicaal dan is er weinig regeneratie te zien van cement, parodontaal ligament (PDL) en bot. Bij de testgroepen is histologisch coronaal vorming van cement, PDL en zelfs bot te zien. Dit was het eerste bewijs dat hyaluronzuur een positief effect heeft op de parodontale regeneratie. Wanneer hyaluronzuur gecombineerd wordt met collageen is de mate van regeneratie zelfs nog groter.

Hyaluronzuur en herstel van recessies

Ook werd onderzocht of hyaluronzuur een bijdrage kan leveren aan het herstellen van recessies. Ook hierbij werd bij honden een botdefect gecreëerd. De controle groep werd alleen behandeld met een flap. Bij de testgroepen werd of alleen hyaluronzuur toegevoegd of gecombineerd met collageen. Bij hyaluronzuurgroep was de pocketdiepte veel minder diep ten opzichte van de controle groep. Bij de histologische analyse was veel meer vorming van cement te zien en PDL, waarbij duidelijk parodontale regeneratie zichtbaar is.

Regeneratie van klasse III furcatiedefecten

Vervolgens is onderzoek gedaan naar de regeneratie van klasse III furcatiedefecten bij honden. Deze studie is nog niet gepubliceerd. De open flap debridement is wederom de controlegroep. Bij de controle groep was geen volledige sluiting van de furcatie te verkrijgen. Ook bij de groep die behandeld werd met de collageenmatrix was weinig genezing te zien in de furcatie. Bij de hyalurongroep was duidelijk botingroei en vorming van cement te zien, maar nog steeds was de furcatie niet volledig gesloten. Bij de gecombineerde groep was een vergelijkbaar beeld te zien. Het volledig sluiten van de furcatie was niet mogelijk. Wel is duidelijk een toename aan nieuw gevormd cement te zien.

Klinische studies

Hierbij wordt een vergelijking gemaakt tussen de behandeling met hyaluronzuur en de behandeling met amelogenins. Bij beide groepen was een vergelijkbare behandeluitkomst te zien en lieten beide een goede uitkomst zien die stabiel was na twee jaar.
Anton Sculean is professor and chairman of the Department of Periodontology and currently the Head of the Dental Research Center (DRC) of the School of Dental Medicine, University of Bern, Switzerland. Prof. Sculean has authored more than 460 articles in peer-reviewed journals, 30 chapters in periodontal textbooks and has delivered more than 500 lectures at national and international meetings. He is Editor in Chief of Periodontology 2000, one of the top 2 ranked journals in Dentistry. Prof. Sculean has been a recipient of many research awards, among others the Distinguished Scientist Award of the International Association for Dental Research (IADR), the Anthony Rizzo Young Investigator Award of the Periodontal Research Group (PRG) of the IADR, the IADR/PRG Award in Regenerative Periodontal Medicine, and the Distinguished Teacher Award of the European Orthodontic Society. Professor Sculean is currently listed as the top-rated expert in Periodontics in the world. He is board member of the Osteology Foundation and of the Continental European Division (CED) of the IADR.

Door: Paulien Buijs, tandarts, verslag van de lezing van prof. Anton Sculean tijdens de EuroPerio Series Single Session van de EFP.

 

 

Lees meer over: Congresverslagen, Kennis, Parodontologie, Thema A-Z
gebit, tandvlees

Onderzoekers ontwikkelen nieuw apparaat voor vroege opsporing van tandvleesaandoeningen

Onderzoekers van de University of Birmingham zijn bezig met het ontwikkelen van een sonde die uit slechts een speekselmonster een snelle en nauwkeurige beoordeling kan geven van zowel de aanwezigheid als de omvang van tandvleesaandoeningen. Volgens een persbericht van de universiteit zal de technologie een cruciale rol zal spelen bij de vroege detectie van hart- of longaandoeningen, diabetes type 2 en reumatoïde artritis.

Ernstige gevolgen van parodontitis

Parodontitis wordt veroorzaakt door een infectie in het tandvlees en is de belangrijkste oorzaak van tandverlies. Onbehandelde tandvleesaandoeningen hebben daarnaast ook verstrekkende en ernstige gevolgen voor de rest van het lichaam, waar het correleert met een ontstekingsreactie die het ziekteverloop bij andere aandoeningen kan verergeren. Voorbeelden hiervan zijn een verhoogd risico op een hartfalen bij diabetes type 2, en een verhoogd risico op een beroerte of hartfalen bij hart- en vaatziekten.

Vroege detectie is essentieel

Voor mensen met deze aandoeningen is vroege detectie en behandeling van tandvleesaandoeningen een prioriteit. Tandvleesaandoeningen worden meestal vastgesteld in de tandartsstoel, wanneer mondhygiënisten of tandartsen op zoek zijn naar indicatoren als tandbeweging, gevoeligheid, bloedend tandvlees of zwelling. Twee onderzoekers van Birmingham University’s School of Chemistry en School of Dentistry hebben nu een techniek ontworpen die parodontitis kan vaststellen in welke zorgomgeving dan ook.

Meting van biomarkers in speeksel

Om parodontitis uit speeksel te detecteren, zou een gespecialiseerde sonde en een detector worden gebruikt. Een kwantitatieve meting van specifieke biomarkers zou dan zowel de aanwezigheid van tandvleesaandoeningen als de ernst ervan aangeven.

Vier eiwitten

Eerder dit jaar identificeerde en valideerde een team van onderzoekers van de Parodontale Onderzoeksgroep van de universiteit een biomarkerpanel in gingivale creviculaire vloeistof- en speekselmonsters. Het panel bevatte vier eiwitten die onderscheid zouden kunnen maken tussen parodontale gezondheid en ziektetoestanden. Het onderzoek werd gepubliceerd in het Journal of Clinical Periodontology.

Goed voor de gezondheid en kostenverlagend

“De mogelijkheid om biomarkers voor ziekten in realtime te detecteren en te profileren, maakt het mogelijk om de ernst van de ziekte te controleren, en met name de overgang tussen mildere en ernstigere vormen van tandvleesaandoeningen. Dit zal niet alleen de tandheelkundige gezondheid ten goede komen, maar ook de kosten verlagen en patiënten aantrekken voor wie parodontale behandeling op de lange termijn levensreddend kan zijn”, aldus een van de onderzoekers in het persbericht.

Binnen een jaar beschikbaar

Op basis van de bevindingen kregen de onderzoekers financiering van de Engineering and Physical Sciences Research Council, de primaire financieringsentiteit voor dit soort onderzoek in het VK, om een prototype van het nieuwe apparaat te ontwikkelen. Volgens het persbericht is het toestel naar verwachting binnen een jaar beschikbaar.

Langetermijnvisie

Op de lange termijn verwachten de onderzoekers een sonde te ontwikkelen die klein genoeg is om in de ruimte tussen tandvlees en tanden te worden ingebracht. Hierdoor kunnen tandartsen vloeistof uit specifieke gebieden in de mond verzamelen en de plaats van infectie nauwkeurig identificeren.

Bronnen:

University of Birmingham
Journal of Clinical Periodontology 

 

 

Lees meer over: Parodontologie, Thema A-Z
Wat kan het microbioom ons vertellen bij parodontitis

Wat kan het microbioom ons vertellen bij parodontitis?

Voor microbiologie heb je altijd de microscoop nodig. Het microbioom is niet zichtbaar met het blote oog. In 1998 werd Socransky bekend met zijn onderzoek naar parodontale clusters. Deze clusters zijn bacteriën die vaak samen voorkomen in subgingivale plaque. Wat weten we nu over het microbioom? Verslag van de online lezing van prof. dr. Egija Zaura tijdens de EuroPerio Series Single Session.

Voor microbiologie heb je altijd de microscoop nodig. De microbioom is niet zichtbaar met het blote oog. In 1998 werd Socransky bekend met zijn onderzoek naar parodontale clusters. Deze clusters zijn bacteriën die vaak samen voorkomen in subgingivale tandplaque. Ze werden gevonden door de DNA checkerboard methode. Een gemakkelijke en snelle methode, zeker voor die tijd. De bacteriën moesten eerst individueel gekweekt worden en daarna ingevroren. De meeste bacteriën die in de pocket voorkomen, groeien niet zo goed in het laboratorium. Dit is een groot struikelblok voor deze methode. Vervolgens moest er DNA vrijgemaakt worden uit de bacterie. De dubbele helix van de DNA uit de gekweekte bacteriën wordt gesplitst door het te verwarmen. Zo ontstaan er probes. Ook de samples worden verwarmd, om een enkelstrengs DNA te creëren. Vervolgens worden de twee type enkelstrengs DNA – die van de probes en van de samples gekruist met elkaar. Als er twee strengen complementair blijken te zijn, dan plakken ze aan elkaar vast. Het heet de checkerboard methode omdat de resultaten eruit zien als een schaakbord met afwisselend lichte en donkere vakjes.
De verschillende clusters komen vaak samen voor in subgingivale plaque. Socransky koppelde de status van de parodontale gezondheid waarmee desbetrefende groep van de bacteriën geassocieerd was aan kleur: paarse en rode – meest gerelateerd met parodontitis, oranje – gemiddeld, gele en groene – het minst. Aan de hand van deze clusters werd het parodontale risico ingeschat.
Helaas is het zo dat weinig bacteriën uit de mond gekweekt kunnen worden in het lab. Van alle bacteriën op de wereld, kunnen we maar 2% kweken in een petri-schaaltje. Van de bacteriën in de mondholte kunnen we ongeveer 50% kweken, maar de rest blijft onbekend.

Moleculaire biologie

In de cel van de bacterie is DNA aanwezig. Dit DNA codeert voor verschillende genen. Het ribosomale RNA gen codeert voor ribosoom – de plek waar eiwitten worden geproduceerd. Er vinden weinig mutaties plaats in dit stukje DNA, daardoor is het goed te gebruiken voor microbiële taxonomie (naamgeving).
Wanneer je de cel kapot hebt gemaakt, het DNA geëxtraheerd hebt, zie je dat het ribosomale RNA gen uit verschillende onderdelen bestaat. Een aantal stukjes van dit gen is aanwezig in alle bacteriën en is heel constant. We noemen dit daarom ook het ‘constante gebied’. Andere delen zijn specifiek per bacteriële soort en hiermee kunnen we onderscheid maken tussen verschillende bacteriën. Dit DNA wordt eigenlijk gebruikt als een soort barcode om verschillende microben te onderscheiden. Er is een grote database waar we met deze informatie op kunnen zoeken om welke bacterie het gaat. Hierbij is het voordeel dat we de bacterie niet hoeven te kweken om de naam te vinden.

Verschillende technieken

Toch wordt de kennis uit de methode van Socransky nog veel toegepast. Een voorbeeld hiervan in de Quantitative Polymerase Chain Reactie (qPCR) die moleculaire biologie combineert met de clusters van Socransky. Hierbij worden de bacteriën nog steeds opgedeeld in clusters en aangegeven in welke mate deze bacteriën aanwezig waren. Het qPCR is een hele sensitieve methode: je weet precies hoeveel bacteriën er aanwezig zijn. Nadeel is dat er alleen naar bepaalde bacteriën gezocht wordt: namelijk de bacteriën die gekweekt konden worden in de tijd van Socransky.
Er moet verder gekeken worden dan alleen de kweekbare bacteriën. Dit kan met behulp van 16SrRNA gen amplicon library sequencing. Hierbij worden stukjes van 16S rRNA gen van alle bacteriën in een sample afgelezen. Deze ‘big data’ wordt ingevoerd in de computer en een algoritme kan ons vertellen wat er in het sample aanwezig is. Hierbij gaat het dus om de aanwezigheid van bacteriën en weet je nog niets over de activiteit of virulentie van de bacteriën. Je weet niet of de bacterie alleen aanwezig is of dat deze ook actief is.
Met behulp van de 16SrRNA gen kun je nagaan welke bacteriën aanwezig zijn, maar je kunt ook nagaan welke genen actief zijn binnen het sample: dan wordt gekeken naar het meta-transcriptoom. Ook kan er beoordeeld worden wat het metabolisme is.

Klinische voorbeelden

Een patiënt van 52 jaar werd verwezen naar de parodontoloog. De mondhygiëne was goed en de plak score was laag. Toch was er een hoge bloedingsscore. De diepte van de pockets viel mee. Na het maken van een kweek volgens Socransky, kwamen er weinig bacteriën naar voren en al helemaal geen specifieke paropathogenen. Ook uit de qPCR kwam weinig resultaat naar boven. Met behulp van de 16SrRNA gen amplicon sequencing techniek hebben ze naar het hele microbioom gekeken en hieruit kwam naar voren dat er heel veel van een specifieke bacteriesoort aanwezig was. Deze bacteriesoort was bekend vanuit ziekenhuizen en resistent tegen de meeste antibiotica. Het was een aerobe bacterie die je in eerste instantie niet in een pocket zou verwachten. De naam is Pseudomonadaceae.
Wat er bij deze patiënt gebeurd is, is dat hij hoogstwaarschijnlijk overbehandeld is met antibiotica. Daarna hebben andere bacteriesoorten de plek ingenomen in de pocket en deze reageren niet op onze behandeling. Hiervoor moet een nieuwe behandeling gezocht worden die specifiek deze bacteriën kan aanpakken.

Verschillende onderzoek naar het microbioom

Uit onderzoek van Bizarro uit 2016 bleek dat je patiënten in twee groepen kunt opdelen: de eerste groep reageerde goed op de huidige behandelmethode, waardoor het aanhechtingsverlies stabiliseerde. De tweede groep reageerde niet op de huidige behandelmethode en het aanhechtingsverlies nam toe. Er was daarbij geen verschil tussen het wel of niet toedienen van antibiotica.
Wanneer het microbioom van de twee groepen werd vergeleken, bleek dat voor behandeling al verschillen aanwezig waren. Degenen die niet goed op de therapie reageerden, hadden een complexer microbioom met meer samenhang tussen de verschillende bacteriën. Uit deze kleine studie komt naar voren dat het wellicht in de toekomst mogelijk zal zijn om van te voren een inschatting te maken hoe succesvol je behandeling zal worden aan de hand van het microbioom.
In een grotere studie werden speekselsamples verzameld van gezonde jongvolwassen vrijwilligers zonder parodontale problemen. Het microbioom werd onderzocht en het bleek dat deze groep grofweg in te delen was in vijf subgroepen. Er was een specifiek microbioom dat puur proteolytisch was en een die meer saccharolytisch was. Een ander microbioom kon makkelijker switchen tussen verschillende groepen. Met name in de proteolytische groep vonden ze al tekenen van dysbiose. Dit is een disbalans tussen je microbioom en jezelf. Om echt duidelijke uitspraken te kunnen doen of deze patiënten een hoger risico hebben, zul je ze met de tijd moeten vervolgen. Dat is niet gedaan in dit onderzoek.
Een ander onderzoek heeft een kleine groep patiënten iedere twee maanden gevolgd. Aan de hand van klinische symptomen hebben de onderzoekers beoordeeld of er op een specifieke plek in de mond een stabiele parodontale situatie was of dat er sprake was van toename van het aanhechtingsverlies. Op deze verschillende plekken hebben ze naar het microbioom gekeken en specifiek naar de genen die op dat moment actief waren (het meta-transciptoom). Ze vonden dat er veel meer genen actief waren op de plekken met toename van aanhechtingsverlies. Daarnaast vonden ze dat het niet alleen specifieke bacteriën waren die actief waren, maar het hele microbioom.
Helaas is het afnemen van een sample van het microbioom nog erg techniekgevoelig. Er is hier nog geen duidelijke gestandaardiseerde methode voor, waardoor er vaak fouten insluipen.

Bacterioom

We gebruiken vaak de term microbioom, maar eigenlijk kijken we bij de bovengenoemde technieken alleen naar bacteriën: het bacterioom. Je gaat hierbij voorbij aan bijvoorbeeld schimmels, virussen en andere micro-organismen.

Het microbioom heeft veel potentie, maar we kijken of dit moment nog naar de top van de ijsberg. We hebben nog te weinig informatie over de rest van de micro-organismen in de mond.
Prof. dr. Egija Zaura behaalde haar opleiding Tandheelkunde in 1995 in Zweden. Zij combineerde vanaf 1997 haar werk in een tandartspraktijk met haar masteropleiding Algemene Tandheelkunde aan de Riga Stradins Universiteit in Letland. In 2002 behaalde zij cum laude haar PhD in Preventieve tandheelkunde aan ACTA. Sinds 2003 werkt zij als onderzoeker en docent bij ACTA, afdeling Preventieve tandheelkunde.

Verslag van de lezing van prof. dr. Egija Zaura door Paulien Buijs, tandarts, tijdens de EuroPerio Series Single Session van de EFP.

 

 

Lees meer over: Congresverslagen, Kennis, Parodontologie, Thema A-Z
Hart - gezondheid

Parodontitis gekoppeld aan de resultaten van een hartaanval

Mensen met parodontitis lopen een verhoogd risico op ziekenhuisopname als gevolg van een hartaanval. Dat blijkt uit onderzoek dat is gepubliceerd in de Journal of the American Dental Association.

Onderzoekers evalueerden hoe hartaanvalgerelateerde ziekenhuisopnames en nazorgbezoeken varieerden op basis van de eerdere tandheelkundige en medische zorg van de patiënten. Patiënten met actieve parodontale zorg vóór hun hartaanval hadden meer evaluatie- en managementbezoeken na hun ziekenhuisverblijf. Dat suggereert dat het een voordeel is om mondgezondheid op te nemen om de resultaten te verbeteren.

“Tandheelkunde kan beschermende effecten hebben met betrekking tot ziekenhuisopname voor hartaanvallen binnen bepaalde patiëntengroepen”, schreven de auteurs. Het onderzoek werd geleid door Dr. Romesh P. Nalliah, MHCM, van de University of Michigan School of Tandheelkunde.

Het onderzoek werd uitgevoerd in de VS. Daar vinden elk jaar 800.000 hartaanvallen plaats. Eerder onderzoek suggereert dat patiënten met parodontitis een verhoogd risico lopen op ziekenhuisopnames die verband houden met een hartaanval. En dat preventieve mondzorg kan helpen beschermen tegen ziekenhuisopname voor sommige patiënten.

Opzet van het onderzoek

Om het verband tussen parodontale zorg en hartaanvalgerelateerde ziekenhuisopnames en nazorg te bestuderen, gebruikten de onderzoekers gegevens over verzekeringsclaims uit MarketScan Research Databases. Die bevatten informatie van meer dan 265 miljoen particulier verzekerde patiënten.

Ze omvatten patiënten die in 2017 in het ziekenhuis waren opgenomen voor een hartaanval en die ook claimgegevens hadden in 2016 en in 2018. Patiënten werden uitgesloten als ze in 2016 in het ziekenhuis waren opgenomen voor een hartaanval. De auteurs hebben ook patiënten uitgesloten die gedurende alle drie de studiejaren geen medische en tandheelkundige dekking hadden.

Meer en langere zorgbezoeken

Van de 2.370 patiënten in het onderzoek ontving 47% reguliere mondzorg voor hun ziekenhuisopname, 7% ontving actieve parodontale zorg en 10% ontving gecontroleerde parodontale zorg. Meer dan een derde van de patiënten had geen mondzorg voordat ze in het ziekenhuis werden opgenomen voor een hartaanval.

Degenen in de gecontroleerde parodontale zorggroep hadden meer postacute zorgbezoeken in de 30 dagen na ziekenhuisopname voor een hartaanval. Ze hadden ook een kortere ziekenhuisopname dan patiënten in de groep zonder tandheelkundige zorg (4,39 dagen versus 5,11 dagen).

Toen de onderzoekers de gecontroleerde en actieve parodontale zorggroepen in één groep combineerden, hadden degenen die parodontale zorg kregen vóór een hartaanval nog steeds meer kans op postacute zorgbezoeken dan degenen in de groep zonder tandheelkundige zorg.

“De resultaten van onze cohortstudie suggereren fundamentele gezondheidsverschillen tussen de parodontale zorggroep en de andere groepen”, schreven de auteurs.

De onderzoekers zagen het toegenomen aantal posthospitaalbezoeken voor patiënten met parodontitis als een goed teken en merkten op dat ze de zorg beter konden opvolgen na een ziekenhuisopname. Ze wezen op begeleiding van een gezondheidsinstantie die postacute zorgbezoeken gebruikt als een kwaliteitsmaatstaf om de resultaten en ervaringen van patiënten te verbeteren.

Beperkingen van het onderzoek

De studie was echter niet zonder beperkingen. Om te beginnen heeft de MarketScan-database geen gegevens van alle staten en ook niet alle particuliere verzekeringsmarkten. Informatie over overlijden was ook niet beschikbaar. Uiteraard zijn deze resultaten ook niet generaliseerbaar buiten de VS.

Zelfs met de beperkingen zeggen de onderzoekers dat hun bevindingen een duidelijk beeld geven: dat parodontale zorg gekoppeld is aan gunstigere resultaten met betrekking tot ziekenhuisopnames voor hartaanvallen.

“We presenteerden enkele belangrijke implicaties voor de klinische zorgverlening”, schreven de auteurs. “Meer samenwerking tussen tandartsen en eerstelijnsartsen en cardiologen en een betere uitwisseling van zorginformatie tussen zorgverleners zou kunnen helpen bij vroege interventie en preventie van AMI en de complicaties ervan.”

Bron:
The Journal of the American Dental Association

 

 

Lees meer over: Medisch | Tandheelkundig, Parodontologie, Thema A-Z
caries - tandarts

Vijf factoren die het risico op peri-implantitis beïnvloeden

Om peri-implantitislast te verminderen en de levensduur van tandheelkundige implantaten te verlengen is de zoektocht naar optimale implantaatoppervlakken in volle gang. Een review die is gepubliceerd in Dentistry Review beschrijft de antimicrobiële impact van implantaatoppervlakken op het complexe orale microbioom, en vonden vijf factoren die het risico op peri-implantitis beïnvloeden.

Levensduur is cruciaal

Implantaten komen steeds vaker voor: prognoses geven aan dat tot 23% van de gedeeltelijk edentate bevolking in de VS kan kiezen voor tandheelkundige implantaten om de orale esthetiek, het kauwen en de kwaliteit van leven te verbeteren. Het waarborgen van de levensduur van implantaten is van cruciaal belang voor positieve uitkomsten. Het falen van een implantaat kan optreden als het gevolg van een gebrek aan osseointegratie of peri-implantaire infectie. Dit resulteert in een immuunrespons van de gastheer die leidt tot botresorptie en destabilisatie van het implantaat.
Microbiologische respons op implantaatmaterialen

Onderzoekers van de VK hebben een uitgebreide studie uitgevoerd naar de beschikbare literatuur over de microbiologische respons op de reeks beschikbare implantaatmaterialen en oppervlaktekenmerken. Ze hadden in het bijzonder aandacht voor orale biofilms en het complexe netwerk van interacties van het microbioom.

Vijf factoren

Aangezien men zich bewust is van het probleem is er veel onderzoek gedaan naar vergroting van implantaatoppervlakken om microbiële kolonisatie tegen te gaan. Hoewel het implantaatmateriaal zelf een directe invloed heeft op de hechting en levensvatbaarheid van bacteriën, zijn de oppervlakteafwerking en vermoedelijke antimicrobiële coatings van cruciaal belang om vroege biofilmvorming tegen te gaan. In grote lijnen zijn er vijf factoren van invloed kunnen zijn op het risico op peri-implantitis, volgens de auteurs.

1. Implantaatmaterialen

De belangrijkste verschillen tussen implantaatmaterialen en inheemse tanden zijn hun samenstelling en structurele invloed op de topografie van het uitwendige oppervlak. Het selecteren van het primaire implantaatmateriaal zoals titaniumlegering of zirkonium kan cruciaal zijn voor het voorkomen van biofilmaccumulatie, volgens de auteurs.
Titanium is biologisch inert, en kan baat hebben bij de afwezigheid van een cytotoxisch effect op gastheercellen. Dit soort materialen zal ook geen invloed hebben op exogene cellen, zoals bacteriën. Het toevoegen van extra metalen aan implantaten van titaniumlegering kan een blijvend antimicrobieel potentieel toevoegen aan het implantaatmateriaal. Er is echter ook verband gerapporteerd tussen peri-implantitis en opgelost titanium in het orale milieu. Deze ontdekking geeft aanleiding tot bezorgdheid over de ongewenste afgifte van deeltjes tijdens titaniumcorrosie, meldden de auteurs.
Zirkonium wordt veel gebruikt in tandheelkundige implantaten vanwege de niet-cytotoxiciteit, sterke biocompatibiliteit en esthetiek. Implantaten worden vaak gemaakt van aluminiumoxide-gehard of yttriumoxide-gestabiliseerd zirkoniumoxide. Dit zorgt voor een combinatie van de temperatuurbestendige eigenschappen van keramiek en breukvastheid van metaal.

2. Afgifte van antimicrobiële middelen

Een oppervlak met afbreekbare antimicrobiële stoffen met snelle afgifte beschermt tegen infectie en helpt bij langdurig implantaatsucces. Het toedieningssysteem van deze antimicrobiële verbinding is cruciaal voor de levensduur van het effect.
Hoewel er meerdere soorten antimicrobiële systemen voor implantaten zijn, zeiden de auteurs dat het beste is om een burst-release-systeem te combineren met andere antimicrobiële coatingmethoden. Echter is dit “een onderzoeksgebied dat verdere aandacht vereist om de werkzaamheid van deze coatings tegen complexe biofilms te rapporteren”, schrijven de auteurs.

3. Ophoping van tandplak

Verschillende klinische onderzoeken hebben de ophoping van tandplak op verschillende implantaatoppervlakken onderzocht. Er bestaat volgens de onderzoekers echter geen consensus over de invloed van de biomassa op botresorptie en implantaatfalen.
Ook bestaat het idee dat een ruw implantaatoppervlak kan leiden tot meer opgehoopte tandplak. De auteurs meldden daarentegen dat de “ultragladheid van oppervlakken misschien geen noodzakelijk kenmerk is voor anti-biofilmeigenschappen”.

4. Epigenetische factoren

Een recente trend richt zich op het identificeren van de rol van epigenetische mechanismen. Voorbeelden hiervan zijn methylering en de invloed van microRNA, een genetische component, op osseointegratie. Hoe een implantaat in het omliggende bot integreert beïnvloedt de overleving van het implantaat, benadrukken de auteurs.

5. Ontstekingsreactie

Tot slot is bekend dat ontstekingen een negatieve invloed hebben op de levensduur van implantaten. Daarom is het beheersen van ontstekingen de sleutel tot het voorkomen van peri-implantitis. “De potentiële pro-inflammatoire reacties geassocieerd met het eigenlijke implantaatoppervlak kunnen van vitaal belang zijn voor de overleving van het implantaat”, aldus de auteurs.

Noodzakelijke zoektocht

“De zoektocht naar optimale implantaatoppervlakken is noodzakelijk voor het verminderen van de peri-implantitislast en de levensduur van tandheelkundige implantaten. Tot op heden worden in dit onderzoeksgebied onderbenutte sequentiemethodologieën van de volgende generatie, die een dieper inzicht in de complexe interacties tussen orale micro-organismen, gastheerrespons en implantaatoppervlakcoatings mogelijk maken”, concluderen de onderzoekers.

Bron:
Dentisry Review

 

 

Lees meer over: Parodontologie, Thema A-Z
Podcast

Podcast: hoe voorspelbaar is parodontale regeneratie?

Tanden verwijderen en vervangen of toch proberen om de tanden te redden? Wat is de beste optie en hoe voorspelbaar is parodontale regeneratie eigenlijk? Dit wordt besproken door Mariano Sanz en Anton Sculean in de tweede (Engelstalige) Perio Talks-podcast van de European Federation of Periodontology.

Recente vorderingen

De afgelopen jaren zijn vorderingen gemaakt op het gebied van regeneratie. Ook houden Sanz en Scuelan bij hun overweging rekening met de huidige biologische kennis en chirurgische vaardigheden die clinici nodig hebben om botregeneratie met succes uit te voeren, in plaats van tanden te verwijderen en te vervangen.

Redden is beter op de lange termijn

“Op korte termijn is het een goede optie om de tanden te trekken, het is heel gemakkelijk, maar op lange termijn is het redden van tanden door gebruik te maken van regeneratieve technieken veel voorspelbaarder en kan de levensduur van de behandeling verbeteren,” legt Prof. Sculean uit in de podcast.

Patiëntenselectie bepaalt mede de voorspelbaarheid

Wat betreft voorspelbaarheid is patiëntenselectie belangrijk, zegt prof. Sanz. Om succes te bereiken heeft “een patiënt [namelijk] een uitstekende mondhygiëne en biofilmcontrole nodig, omdat de belangrijkste factor bij wondgenezing is dat deze genezing plaatsvindt in een schone omgeving die ontstekingsvrij is”.

Het hele gesprek is hier te beluisteren:

Bron:
EFP

Lees meer over: Parodontologie, Podcast, Thema A-Z
Is het tijd voor een nieuwe parodontitisaanpak

Is het tijd voor een nieuwe parodontitisaanpak?

Het is mogelijk tijd voor een nieuwe aanpak voor het identificeren van patiënten met een groter risico op actieve en verergerende parodontitis, volgens een bericht in het Journal of the American Dental Association. Nieuwe hulpmiddelen die zich bijvoorbeeld richten op specifieke biomarkers zouden kunnen leiden tot eerdere en verbeterde beslissingen.

Voorspellen is lastig

Parodontitisactiviteit wordt klinisch gedefinieerd als progressief verlies van sondehechting en alveolaire botresorptie. Het is geen uitdaging voor clinici om parodontitis te identificeren, maar wel om de patiënten met een verhoogd risico op het ervaren van actieve en voortschrijdende ziekte te vinden. Momenteel zijn clinici afhankelijk van klinische en radiografische metingen die bestaande parodontitis identificeren. Zo weten clinici de ziektestatus van een patiënt pas als de schade onomkeerbaar is.

Speekselmarkers

In de afgelopen decennia zijn speekselmarkers, waaronder matrixmetalloproteïnasen-8 (MMP-8), onderzocht als manieren om onderscheid te maken tussen gezonde patiënten en mensen met tandvleesaandoeningen. Eerdere studies hebben aangetoond dat MMP-8 overvloedig aanwezig is in speeksel en een rol kan spelen bij de destructieve gebeurtenissen die kenmerkend zijn voor parodontitis, schreven de auteurs.

Aanpakken voor het te laat is

De ontwikkeling van een snelle test die MMP-8-niveaus kan detecteren kan dus een manier zijn om tandvleesaandoeningen aan te pakken voordat het te laat is. Dit zou moeten worden gecombineerd met een analyseplatform dat de dossiers van een patiënt integreert met ziekteactiviteit. Deze tools moeten gebruiksvriendelijk zijn en worden ontworpen om gemakkelijk in de huidige klinische workflows te kunnen worden geïntegreerd.

Testen aan de stoel

Dit type diagnostiek zou kunnen worden geïmplementeerd in een teststrategie aan de stoel binnen een tandartspraktijk. De hoop van de auteurs van het artikel is dat dit zou kunnen leiden tot eerdere en verbeterde beslissingen met betrekking tot behandeling, prognose en recallplanning. Patiënten die een groter risico op ziekteprogressie zouden hebben, zouden dan bijvoorbeeld tijdig (preventief) behandeld kunnen worden door tandartsen.

Verschuiving in het denken

Om een dergelijke innovatie impact te laten hebben, is adoptie op grote schaal vereist. Dit vereist volgens de auteurs een verschuiving in het denken “die facetten van onze huidige en al lang bestaande reactieve benaderingen van diagnose en behandeling op de proef stelt”. Hoewel clinici de beperkingen van het vermogen om ziekte te voorspellen moeten erkennen, betekent dat niet dat de status-quo de oplossing is. Het is tijd om over te stappen van de huidige reactieve benaderingen voor het diagnosticeren en behandelen van parodontitis en op zoek te gaan naar nieuwe innovaties, schreven ze.

Discussie stimuleren

“Het doel van ons commentaar is om de discussie op zowel algemeen tandheelkundig als gespecialiseerd niveau te stimuleren over de behoefte aan nieuwe hulpmiddelen, waaronder POC [point-of-care]-technologieën met een verhoogde focus op biomarkers van ziekteactiviteit.” Uiteindelijk zou een verbeterde patiëntgerichte benadering “zowel generalistische als gespecialiseerde clinici in staat om het ziekteproces voor te lopen en de behandelingsplanning beter te personaliseren”, concluderen de auteurs.

Bron:
Journal of the American Dental Association

 

 

Lees meer over: Parodontologie, Thema A-Z
vraagteken - vragen

Het paro-endo-probleem: de kip of het ei?

Het paro-endo-probleem is een op zichzelf staande aandoening, wordt vaak gedacht. Met meer kennis over de verschillen en overeenkomsten tussen parodontale en endodontische problemen zien we dat het iets weg heeft van het ‘kip of het ei’ verhaal: wat was er nu eigenlijk eerst? Maakt dat wat uit voor de behandeling en wat kan je eraan doen?

Daniëlle Boonzaaier vertelde hierover tijdens haar lezing op het lustrumcongres van NVM-Mondhygiënisten.

Weggetjes

In 1964 werd er voor het eerst geschreven over paro-endo. Bij een paro-endo bestaat er communicatie via een pocket met het apicale gebied.
Het apicale gebied met het foramen apicale is bij iedereen wel bekend maar de laterale kanaaltjes als weggetjes zijn minder bekend. Ook deze kanaaltjes gaan richting het parodontium. Daarnaast zijn er nog de tubuli die kunnen communiceren met het parodontium. Meestal is dit allemaal geen probleem, maar wanneer is het wel een probleem? Op welk moment gaat het fout? In de loop van tijd zijn de ideeën hierover verschoven.

Incidentie

Bij 5% van de patiënten komen paro-endo-problemen voor terwijl 30% een endo-probleem heeft dat zichtbaar is op de foto. Dus dan valt de incidentie van 5% nog wel mee. Bij een paro-endo probleem is er wel meer botafbraak. Als het eenmaal zo ver is, gaat het heel hard achteruit.

Wanneer begint het elkaar te versterken?

Een paro-patiënt heeft niet meteen na een paar jaar een endo-probleem. Vaak zie je dat als er communicatie is dat de bacteriën proberen binnen te dringen en dat de pulpa prima in staat is om dit proces te stoppen. Dat kan bijvoorbeeld door reparatief of tertiaire dentine. Dit zie je ook binnen het cariësproces gebeuren en dit kan dus ook bij parodontale problematiek. Als de pulpa gewoon gezond is, komen er geen problemen doordat de pulpa goed kan reageren.

Een endodontisch probleem daarentegen geeft bijna altijd tekenen bij het parodontium. Dit beeld zich uit bij de laterale kanaaltjes en ook in de furcaties als lucenties op het röntgenbeeld. Als er apicaal een abces ontstaat, dan zoekt zich dat een weg met de minste weerstand. Er kan dan een pocket of een fistel ontstaan. Hier hebben we dus redelijk vaak mee te maken bij endodontische problemen. Net als bij de pulpa is ook hier sprake van een lokale afweer, dus vaak zijn dit geen blijvende parodontale defecten dankzij het cement. Het cement zorgt ervoor dat de infectie niet zomaar de tand in en uit kan gaan. Als het cement is verwijderd door intensief scalen/planen, bleken, trauma, perforatie, wortelresorptie, fractuur of orthodontie dan kan er wel een opening ontstaan en kan een probleem zich snel verder ontwikkelen.

Diagnostische testen voor het vinden van de oorsprong

Om er achter te komen of je met een paro-endo of met een endo-paro te maken hebt, bekijk je eerst of een pocket een solitaire pocket is of niet. De koudetest is bij een primair endodontisch probleem in principe negatief en een percussietest kan dan wel gevoelig zijn. Een primair endo-probleem met een paro-complicatie is onwaarschijnlijk als er meer pockets in de buurt zijn en de koudetest negatief is. Bij een primair parodontaal probleem zijn er meer elementen met pockets en dan is het element vitaal en reageert normaal op de koudetest. Een primair parodontaal probleem met endodontale complicatie reageert negatief op een koudetest of geeft pulpitisklachten en er zijn bij meerdere elementen pockets.

Verschil tussen reversibele en irreversibele pulpitis en parodontitis apicalis

Als de pulpa geïrriteerd raakt door bijvoorbeeld cariës dan ontstaat er ontsteking. Het element probeert eerst nog een barrière op te werpen. Er ontstaat reversibele pulpitis. De pulpa is dan nog in staat om te genezen als de cariës wordt weggenomen. Bij irreversibele pulpitis is de pulpa niet meer in staat om te genezen. De pulpa is dan nog vitaal. Vervolgens kan er een necrotische pulpa ontstaan. Dan hebben bacteriën vrij spel en er ontstaat lucentie bij het apicale deel en dat noemen we parodontitis apicalis. De pulpa is avitaal.

Hoe voer je de testen uit?

Een koudetest doe je eerst op een ander element. Anders schrikt je patiënt of je ziet het verschil niet goed. Dus loop alle elementen van het kwadrant af en doe dit ook op verschillende elementen.
Bij een percussietest zorg je ook dat je eerst andere elementen beklopt. Doe dit zachtjes bij verschillende elementen op verschillende vlakken. Bekijk of het gevoeliger reageert of niet.
Bij een palpatietest voel je naar eventuele verdikkingen in de weefsels en voel of je een element kunt bewegen.
Met behulp van een Toothslooth kan je een crack of fractuur vinden. Je laat de patiënt erop bijten en daarna rustig open doen.
Bij het maken van een röntgenfoto gebruik je instelapparatuur. Je kunt dan het element ook goed monitoren doordat de instelling hetzelfde blijft.

Hoe herken je ontstekingen?

Een reversibele pulpitis is te herkennen aan een heftige pijnscheut bij het koudetesten maar trekt snel weer weg. Bij reversibele pulpitis kan het ook matig positief zijn en de percussietest negatief. Op de röntgenfoto zijn geen afwijkingen te zien. Bij een irreversibele pulpitis schiet ook iemand uit de stoel van de pijn bij het koudetesten maar de pijn blijft dan ook heel lang hangen. Dit is moeizaam te verdoven met pijnstillers. De percussietest is meestal negatief en ook op een röntgenfoto niet zichtbaar. Bij parodontitis apicalis is de sensitiviteit helemaal weg, maar de percussietest is wel positief. Vaak willen mensen dit koelen. Er kan een lucentie zichtbaar zijn op de foto.

Noteer in het dossier

Zorg ervoor dat je noteert waardoor de parodontitis apicalis is veroorzaakt. Bijvoorbeeld door cariës, trauma of een lekkende restauratie. Hierdoor word je gedwongen om langer stil te staan bij je diagnose en het geheel.

Solitaire pocket

Het kan moeilijk worden bij een solitaire pocket. Dat kan door een parodontitis apicalis komen, maar ook door een verticale radixfractuur. Zo’n element is avitaal en vaak al endodontisch behandeld. Op de foto is er coronaal dan soms ook een fractuur te zien en een L-vormige lucentie. Dit heeft een hele slechte prognose. Een geperforeerd element kan op de foto herkend worden, net als ontwikkelingsafwijkingen zoals een glazuurparel, groeve, gefuseerde wortels en dens in dente.

Daniëlle Boonzaaijer (afgestudeerd in 2001 aan ACTA) werd in 2003 mede-eigenaar van een groepspraktijk in Almere. Na de postdoctorale opleiding endodontologie (ACTA, 2007-2010), werkte ze als tandarts-endodontoloog bij EndoClinics Almere. Sinds 2017 is ze werkzaam als directeur Tandheelkundige Kwaliteit en Veiligheid bij Topmondzorg. In 2011 werd Daniëlle lid van het bestuur van de NVvE, waar zij van 2014 tot 2018 voorzitter was. Sinds 2016 is Daniëlle bestuurslid van het KiMo. Zij werkt tevens aan een promotie-traject over werkplezier bij endodontische behandelingen aan de RUG.

Verslag door Lieneke Steverink-Jorna, mondhygiënist, voor dental INFO van de lezing van Daniëlle Boonzaaijer tijdens het lustrumcongres van NVM-mondhygiënisten.

 

 

Lees meer over: Congresverslagen, Kennis, Parodontologie, Thema A-Z
Airpolishing: nazorg uit voorzorg

Airpolishing: nazorg uit voorzorg

Met airpolishing kunnen afzettingen op het tandoppervlakte worden weggespoten, wat bijzonder effectief is in de nazorg-fase. Welke hardheid, korrelgrootte en vorm kunt u het beste gebruiken? Wat zijn indicaties voor gebruik van de airpolisher en hoe gaat u om met de airpolisher bij implantaten? Verslag van de lezing van prof. dr. Fridus van de Weijden, hoogleraar ‘Preventie en Therapie van Parodontale Aandoeningen’ aan ACTA.

Wat is airpolishing?

Bij airpolishing wordt in een apparaat lucht onder druk vermengd met een specifiek poeder, waar tot slot water aan wordt toegevoegd. Met dit mengsel kunnen afzettingen op het tandoppervlakte worden weggespoten, wat bijzonder effectief is in de nazorg-fase.

Het bedrijf dat zich het meest heeft gespecialiseerd in airpolishing, heet EMS en hun merknaam voor airpolishing is het bekende Airflow. Maar ook fabrikanten zoals Dürr en Satelec hebben een air-polishing handstuk.

Verschillende poeders

Door diverse fabrikanten wordt er met het poeder geëxperimenteerd op gebied van hardheid, korrelgrootte en vorm.

POEDERMATERIAAL Moh (hardheid mineraal) µm (grootte van de korrel)
Natrium bicarbonaat

(supragingivaal, “Classic”)

2.5 ≈ 65 µm
Glycine Soft (supra-gingivaal) < 2 ≈ 65 µm
Glycine Perio (sub-gingivaal) < 2 ≈ 25µm
Erytrytol Plus (“All-in-one”) ≈ 2.5 ≈ 14 µm
TANDMATERIAAL
Glazuur 4 – 5
Dentine 2 – 4 !!
Cement 2 – 3 !!
Glazuur melkelement 4.3 – 4.5
RESTAURATIEMATERIAAL
Amalgaam 4 – 5
Composiet 5 – 7
Porselein 6 – 7
Titanium 6
Goud 2.5 – 4 !!

Deze tabel geeft aan dat Natrium bicarbonaat zo hard is dat het dentine kan beschadigen maar veilig is voor galzuur. Glycine poeders zijn zachter en daarmee veiliger voor het tandweefsel. Hoewel Erythritol poeder ongeveer net zo hard is als Natrium bicarbonaat zal dit poeder door de kleine korrelgrootte minder abrasief zijn.

Glycine ‘perio’ poeder en Erythritol poeder, beide met een kleine korrel, kunnen veilig richting het tandvlees of zelfs onder het tandvlees gebruikt worden. Omdat de hardheid van gouden restauraties/kronen nagenoeg gelijk is aan dat van het poeder natrium bicarbonaat, kan dit de gouden restauratie dof maken. GIC-restauraties kunnen zelfs bij gebruik van glycine poeder abrasie vertonen.

In een onderzoek naar subgingivale reiniging bij verdiepte pockets rondom natuurlijk elementen met een handstuk met een normale spuittip, bleek dat het mogelijk was om tot 2 – 3 mm subgingivaal de biofilm volledig te verwijderen. Bij een pocketdiepte van 4 mm bleek 60% van de biofilm na airpolishing verwijderd te zijn. Wanneer de pockets > 4 mm zijn, zal het gebruik van curettes en ultrasonische scalers noodzakelijk zijn om de pocket voldoende te reinigen.

Veiligheid

Naast de veiligheid van de airflowpoeders op dentine en cement, is het belangrijk dat de poeders veilig zijn voor de gingiva. Dit is onderzocht door na de behandeling met airflow een biopt van de marginale gingiva te nemen. Hieruit bleek dat bij gebruik van glycine de structuur van het epitheel vrijwel onveranderd was. Bij gebruik van natrium bicarbonaat (en bij gebruik van handinstrumenten) was wel een tijdelijke verandering in opbouw van het epitheel zichtbaar. Echter het mooie van de genezing in de mond was dat dit na 14 dagen weer volledig hersteld was.

Wel een ernstige, maar gelukkig zeer zelden voorkomende, complicatie is het ontstaan van emfyseem. Dit ontstaat wanneer door de hoge druk het poeder in de zachte weefsels wordt geblazen. Wanneer dit onverhoopt gebeurt, is het belangrijk de patiënt gerust te stellen en uitleg te geven, en te vertellen dat de pijn de eerste 3 dagen kan toenemen. Ook kan er door druk op de zenuw sprake zijn van tijdelijke visus- en audiostoornissen. Na 3 tot 10 dagen treedt volledig herstel op. Bij pijn op de borst, last met slikken en benauwdheid is verwijzing naar de kaakchirurg geïndiceerd. Indien er koorts optreedt, is ondersteuning met een antibioticakuur gewenst.

Implantaten en airpolisher

Peri-implantitis, botafbraak rondom een implantaat door infectie, is een aandoening welke slecht voorspelbaar reageert op behandeling. Het adagium hierbij is dan ook; beter voorkomen dan genezen. Het werken met handinstrumenten rondom implantaten is complex doordat de pocket moeilijk toegankelijk is en carbon fiber instrumenten minder effectief zijn dan metalen curettes; Op basis van een analyse van de beschikbare literatuur lijkt airpolishing hier een uitkomst te bieden. Uit onderzoek blijkt dat bij het gebruik van airpolisher het implantaat-oppervlakte niet aantast en dat de bio-compatibiliteit van het implantaat wordt hersteld.

Het beste resultaat hierbij wordt verkregen, wanneer er gewerkt kan worden onder een hoek van 90° en het implantaatoppervlak dus goed bereikbaar moet zijn. Uit in vitro onderzoek bleek dat als de hoek waaronder gewerkt kan worden veel kleiner is (door bijvoorbeeld een nauw infra-bony defect rondom het implantaat) ongeveer de helft van het implantaat-oppervlakte ongereinigd bleef, dit bleek dan vooral de onderzijde van de windingen te betreffen. Wat logisch is als de toegankelijkheid met een kleine hoek is bepaald dat je alleen de windingen van boven kunt reinigen.

Uit een ander in vitro onderzoek bleek dat gemiddeld na het gebruik van de airpolisher 20 – 40 % van het oppervlak onvoldoende gereinigd te zijn terwijl dit na ultrasonische reiniging 60% was en met handinstrumenten zelfs 80%.

Het kan, in selecte gevallen, een oplossing zijn om alle blootliggende windingen glad te slijpen, mits er om dit te kunnen doen, niet teveel bot verwijderd moet worden bij de buurelementen. .

Het is voor de effectiviteit van de airpolisher rondom implantaten belangrijk om het poeder op de juiste plek te krijgen. De ervaring leert dat zeker in een ontstoken situatie, met enigszins verdiepte pockets, het kan helpen om in de pocket een minuut etsgel te appliceren. Nadat dit goed is weggespoeld met water gaat de pocket wat open staan en is het subgingivale implantaatoppervlak beter toegankelijker voor de spray van de airpolisher. Een andere truc is om de gingiva met een carbon fiber instrument voorzichtig iets van het implantaat af te trekken en dan de spray langs het instrument naar apicaal te richten.

Indicatie & techniek airpolishing

Primaire indicaties voor gebruik van airpolishing:

  1. Verwijderen biofilm (supra- en subgingivaal)
  2. Verwijdering aanslag en verkleuring
  3. Nazorg rondom implantaten

Secundaire indicaties voor gebruik van airpolishing:

  1. Reinigen vóór sealen
  2. Reinigen vóór fluoride-applicatie
  3. Reinigen vóór afdrukken kroon- en brugwerk
  4. Reinigen vóór cementeren kroon- en brugwerk
  5. Reinigen vóoór aanbrengen orthodontische brackets
  6. Reinigen vóór bleken

De effectiviteit van de behandeling met airpolisher hangt af van de volgende factoren:

Behandelaar-afhankelijke factoren

  • Afstand tussen de spuittip en het te behandelen oppervlakte
  • Hoek tussen de spuittip en het te behandelen oppervlakte
  • Tijdsduur van de behandeling

Hydropneumatische factoren

  • Hoeveelheid water
  • Luchtdruk

Soort poeder

  • Grootte van de korrels
  • Hardheid van de korrels
  • Vorm van de korrels
  • Massa van de korrels

Wanneer er met de airpolisher supra-gingivaal wordt gereinigd, moet er tussen de spuittip en het glazuur 3 tot 5 mm afstand zitten. De hoek tussen de tip en het element mag variëren tussen de 30° tot 60°, waarbij er continu kleine ronddraaiende en borstelende bewegingen gemaakt worden, altijd van de gingiva áf.

Laat in het belang van een schone werkomgeving vóóraf de patiënt een minuutje spoelen met chloorhexidine. Dat vermindert de bacteriële druk in de aerosolen die ontstaan tijdens de behandeling. Ter bescherming moet de patiënt ook een spatbril op. De lippen van de patiënt worden vooraf ingevet (vaseline, kokosolie). Voor degene die zonder assistentie werken kan het handig zijn om de behandeling met behulp van een optragate mondspreider uit te voeren.

Afzuiging is tijdens het gebruik van de airpolisher belangrijk, zorg er ook voor dat na het loslaten van het bedieningspaneel met de voet de afzuiger nog even in de mond blijft, omdat bij de meest units er automatisch wordt nageblazen en het poeder gedurende een aantal seconden blijft stromen.

Check voorafgaand aan de behandeling of alle onderdelen goed en stevig zitten aangesloten, voordat er hoge druk op komt te staan. Na afloop moet het handstuk voorzichtig maar grondig worden schoon gemaakt, zodat de spuitmond niet verstopt kan raken. Tegenwoordig zitten er handige hulpmiddelen bij het handstuk om dat op eenvoudige wijze te kunnen doen.

Guided biofilm therapy

Bij de nieuwe guided biofilm therapy, zoals die gepropageerd wordt door de firma EMS, is er sprake van een paradigma shift. Het is een andere manier van denken over hoe een nazorgbehandeling ingedeeld kan worden. Op dit moment ontbreekt er nog hard wetenschappelijk bewijs, maar er is zeker iets voor te zeggen.

In het kort: Er wordt gestart met een plaquekleuring, daarna wordt het gebit eerst supra-gingivaal behandeld met de airpolisher. Mocht er daarna nog tandsteen aanwezig zijn, dan wordt dit eerst met Ultrasone scaler verwijderd. Ook pockets dieper dan 4 mm worden nagelopen met ultrasoon. Tot slot wordt de recall-termijn met de patiënt bepaald. De fabrikant adviseert in dit concept ook het gebruik van het handstuk met een subgingivale tip. In de literatuur zijn er geen duidelijke aanwijzingen dat het hierdoor beter subgingivaal gereinigd wordt. Sowieso moeten de pockets van 5 mm altijd met ultrasoon of een handinstrument nagelopen worden omdat de spray uit het spuitstuk van de airpolisher dit gebied onvoldoende kan bereiken om het worteloppervlak voldoende te reinigen.

Samengevat: De airpolisher is een heerlijke aanvulling op het instrumentarium in de preventieve en parodontale zorg. Het lijkt zelfs onmisbaar in adequate peri-implantaire zorg

Prof. dr. Fridus van der Weijden studeerde in 1984 af als tandarts en ontving zijn erkenning tot tandarts-parodontoloog NVvP in 1990. In 1993 promoveerde hij op zijn proefschrift `The use of models and indices in plaque and gingivitis trials´. In 2006 ontving hij zijn erkenning als tandarts-implantoloog door de NVOI. Sinds 1989 verdeelt hij zijn tijd tussen zijn gespecialiseerde praktijk in Utrecht en de vakgroep Parodontologie van ACTA. Begin 2010 werd hij benoemd tot bijzonder hoogleraar ‘Preventie en Therapie van Parodontale Aandoeningen’ aan ACTA. In september 2016 werd dit door ACTA omgezet in een reguliere leerstoel met dezelfde leeropdracht. Na bovengenoemde lezing werd hij voor zijn inzet en verdienste benoemd als ‘erelid’ van de Nederlandse Vereniging voor Parodontologie.

Verslag door Jacolien Wismeijer, tandarts, voor Dental INFO van de lezing van prof. dr. Fridus van der Weijden, tijdens het congres Dentech, innovatie in de parodontologie van de NVVP.

Lees meer over: Congresverslagen, Kennis, Parodontologie
Podcast

Podcast: uitleg over behandeling parodontitis stage IV

Eind 2022 kwam de European Federation of Periodontology (EFP) met nieuwe richtlijnen voor de behandeling van periodontitis in stage IV, de meest ver gevorderde stage. In een nieuwe aflevering van ‘Perio Talks’, de maandelijkse podcast van EFP wordt er meer uitleg gegeven over deze richtlijnen.

Aan het woord zijn Davids Herrera, professor aan de Complutense Universiteit van Madrid, en Moritz Kebschull, professor en ‘chair of restorative dentistry’ aan de Universiteit van Birmingham. Beide professoren stonden aan de wieg van de nieuwe richtlijnen van de EFP.

In de podcast gaat het onder andere over de methodologie die ze toepasten bij het ontwerpen van de richtlijnen, de reden waarom de complexiteit van stage IV parodontitis vroeg om nieuwe richtlijnen, de noodzaak voor een multidisciplinaire aanpak, en de ingrediënten voor een succesvolle aanpak van parodontitis in stage IV.

Clinical practice guideline for the treatment of stage IV periodontitis

EFP Perio Talks Podcast

In de EFP Perio Talks Podcast gaan EFP experts maandelijks in discussie over wetenschappelijk onderwerpen rondom parodontologie en implantaten. Eerdere afleveringen gingen bijvoorbeeld over de mondgezondheid van topatleten en social media voor tandartsen. Alle afleveringen zijn terug te luisteren via de website van EFP. De podcast is alleen in het Engels te beluisteren.

Bron:
EFP

 

 

Lees meer over: Parodontologie, Podcast, Thema A-Z
eten - groenten

Plantaardig dieet vermindert mogelijk kans op parodontitis

Patiënten die een dieet volgen dat rijk is aan plantaardig voedsel maar geraffineerde granen en toegevoegde suikers beperkt hebben mogelijk minder kans op parodontitis. Dit blijkt uit een publicatie in Nutrients die de relatie tussen specifieke bekende voedingspatronen en de prevalentie van parodontitis onderzocht.

Plantaardig dieet met weinig suiker

Het is aangetoond dat de vermindering van oxidatieve stress in combinatie met een verhoogde inname van antioxidanten via de voeding gunstige effecten heeft op gingivale en parodontale ontstekingen. Twee diëten die hier rekening mee houden en gericht zijn op het verminderen van ontstekingen zijn de Dietary Approach to Stop Hypertension (DASH) en het mediterrane dieet. Deze diëten bevatten veel fruit, groente en volkoren granen en beperken de consumptie van suiker.

Voedingspatronen en orale ontstekingen

Het effect van verschillende voedingspatronen op orale ontstekingen is niet vaak in grote epidemiologische settings onderzocht. Daarom voerden wetenschappers van het Universitaire Medisch Centrum Hamburg-Eppendorg een prospectieve cohortstudie uit om de relatie tussen parodontitis en de naleving van DASH- en mediterrane diëten te onderzoeken.

Ontwikkeling van chronische ziekten

Hiervoor gebruikten ze gegevens uit de Hamburg City Health Study, die tot doel heeft inzicht te krijgen in het ontstaan en de ontwikkeling van ernstige chronische ziekten. In totaal zijn de gegevens van 6.209 deelnemers geanalyseerd. De voedingsinname werd gemeten met de voedselfrequentievragenlijst. Parodontaal onderzoek omvatte sondeerdiepte, gingivarecessie, plaque-index en bloeding bij sonderen.

Lager risico op parodontitis

De resultaten suggereren dat het volgen van DASH- of mediterrane diëten het risico op het ontwikkelen van parodontitis verlaagt. Ongeveer 21% van de personen die het DASH-dieet niet goed volgden, had last van ernstige parodontitis versus ongeveer 13% van degenen die het eetplan strikt volgden. Ongeveer 20% van degenen die zich losjes aan het mediterrane dieet hielden, ervoer ernstiger tandvleesaandoeningen vergeleken met ongeveer 19% die het dieet nauwkeuriger volgden.
Ook vertoonden patiënten die zicht niet strikt aan een van de diëten hielde hogere bloedingen bij sonderen en plaque-indices. De waardes van het bloeden bij sonderen waren 7,1 en 8,93 bij degenen die zich wel aan het DASH- respectievelijk mediterrane dieet hielden vergeleken met 8,70 en 9,99 voor degenen die dat niet deden. Plaque-indexen waren 6,25 en 3,57 bij een strikt DASH en mediterrane dieet tegenover 10,71 en 10,42 bij de rest.

Significant verband

“De huidige cross-sectionele studie identificeerde een significant verband tussen hogere naleving van de DASH- en mediterrane diëten en een lagere kans om last te krijgen van parodontale aandoeningen”, concluderen de auteurs. Ze schrijven dat dit de tweede studie is die de relatie tussen het volgen van een dergelijk dieet en het voorkomen van parodontitis onderzocht heeft.

Klinisch onderzoek nodig

Studiebeperkingen omvatten dat de studiedeelnemers blank en van middelbare leeftijd waren. Daarom kunnen de bevindingen niet worden gegeneraliseerd naar jongere mensen of andere etniciteiten, merkten de auteurs op. In de toekomst zijn meer klinische onderzoeken nodig om beter te begrijpen in hoeverre macro- en micronutriënten de initiatie en progressie van tandvleesaandoeningen kunnen beïnvloeden, schreven ze.

Bron:
Nutrients

 

Lees meer over: Parodontologie, Thema A-Z
De toekomst: Autologe mesenchymale cellen en synthetische grafts voor botvervanging bij mensen

De toekomst: Autologe mesenchymale cellen en synthetische grafts voor botvervanging bij mensen

Naast eigen weefsel kunnen we middels tissue-engineering verschillende soorten weefsel creëren. Wat is hiervoor nodig en welke conclusies volgen uit klinisch onderzoek over botregeneratie? Verslag van de lezing van Dr. Cecilie Gjerde

Problemen met autoloog bot

  • Chirurgie is nodig.

Wat tot gevolg heeft >>

  • Langere operatietijd.

Wat tot gevolg heeft >>

  • Hogere patiënt morbiditeit.
  • Beperkte hoeveelheden zijn beschikbaar.
  • Onvoorspelbare resorptie: tot 50 % van het getransplanteerde bot kan resorberen tijdens de heling.

Naast eigen weefsel kunnen we middels tissue-engineering verschillende soorten weefsel creëren. Hiervoor hebben we drie bronnen nodig namelijk:

  1. Stamcellen (SC)
  2. ‘Scaffolds’ om de cellen aan te laten hechten en groeien.
  3. GF (groei factor): hormonen en signalen vanuit het lichaam om de stamcellen te kunnen aansturen.

Soorten Stamcellen

  1. Embryonale SC; Deze zijn ethisch gelimiteerd. Deze cellen zijn zeer potent en kunnen zich tot elke cel in het lichaam ontwikkelen. Vaak is het lastig om de groei te controleren, waardoor er teratoma’s kunnen ontstaan (oncontroleerbare weefselgroei).
  2. IPS (induced pluripotent SC): Kan tot oncontroleerbare weefselgroei leiden. Deze SC worden gebruikt voor medische trials en om medicijnen te testen.
  3. Adult SC (multipotent)

Verschillende soorten stamcellen

Embryonale SC ontwikkelen zich tot adulte stamcellen in 6 weken. Adulte SC ontwikkelen zich tot verschillende cellen. Ze zijn multipotent en afhankelijk van de signalen die het lichaam geeft.

Adulte mesenchymale SC:

  1. Hematopoëtisch SC: zijn de actieve cellen van het immuunsysteem en bloedvorming en deze cellen circuleren.
  2. Mesenchymale SC: zijn passieve cellen die wachten tot ze een signaal krijgen en gaan dan naar de plek waar ze nodig zijn voor actie.

De klinische uitdaging ligt vooral bij behandeling van de mandibula. Er is minimaal een diameter van 4 mm nodig en bij voorkeur 1,5 mm bot rondom het implantaat. Samen komt dit uit op minimaal 7 mm bot wat nodig is en dit kan soms uitdagend kan zijn. De andere uitdaging is de vaak gelimiteerde hoeveelheid gekeratiniseerde gingiva.

In verschillende preklinische onderzoeken is gebleken dat stamcellen graag aan biomateriaal hechten.

Stamcellen en biomateriaal moeten minimaal een uur van tevoren samenkomen, zodat alle stamcellen zich kunnen hechten aan het biomateriaal. Sterk gevasculariseerd bot wordt zo gevormd. Het implantaat heeft twee maanden nodig om te genezen voordat het abutment geplaatst kan worden.

Het ultieme doel in de toekomst is het 3D printen van een botdefect en dit te kunnen vervangen met biomateriaal en mesenchymale stamcellen.

Conclusies uit verschillende publicaties:

Transplantatie van cellen in combinatie met biomateriële scaffolds is superieur ten opzichte van alleen biomaterialen (de scaffolds) bij sinus augmentatie en horizontale augmentatie en is vergelijkbaar met autogeen bot bij een alveolaire cleft reparatie.

De beperkingen van deze studies zijn vooral de hoge kosten. Hopelijk kan er in de toekomst gebruik gemaakt worden van allogene stamcellen.

Dr. Cecilie Gjerde works at the Department of Clinical Dentistry, University of Bergen. Cecilie does research Tissue Engineering and Bone Regeneration using MSC. Their current project is ‘Reborne and Maxibone’.

Verslag door Nika Koolwijk, tandarts, van de lezing van Dr. Cecilie Gjerde tijdens de EuroPerio Series van de European Federation of Periodontology (EFP).

 

Lees meer over: Implantologie, Parodontologie, Thema A-Z

Botregeneratie: de mogelijkheden van nu en in de toekomst

In de afgelopen 20 jaar is er vaker sprake van grotere  bot defecten en is de patiënt gemiddeld jonger geworden. Guided Bone Regeneration (GBR) kan worden toegepast middels verschillende membranen en verschillende materialen.  Deze worden geselecteerd op grond van persoonlijke voorkeur van de behandelaar en aan de hand van de beschikbare literatuur.

Bij GBR wordt gebruik gemaakt van autogeen materiaal en biomaterialen. Het feit dat materialen resorberen over tijd is een van de lange termijn problemen.

Recent is GBR herzien en er zijn verbetering gemaakt in de techniek:

– Verbeterde bot maturatie en mineralisatie met een membraan

– Verbeterde vascularisatie

Het is klinisch bewezen dat de botkwaliteit beter is geworden.

Micro dosering

Een nieuwe aanpak die recent is geïntroduceerd binnen GBR is ‘micro dosering’: minder dan 100 gr bot substitutie. Voorheen werd er geprobeerd om zoveel mogelijk bot te gebruiken, waardoor er te veel zwelling optreedt en de kosten hoger zijn. Met micro dosering wordt er een dun laagje bot onder het periost aangebracht.

Bot morfogeen eiwit

Naast de micro dosering is ook een bot morfogeen eiwit geïntroduceerd en hiermee is de kwaliteit van het bot toegenomen. Ook lijkt de heling sneller te gaan, dus dit is mogelijk waar de toekomst naartoe gaat.

Het heden

Bij GBR wordt gebruik gemaakt van autogeen bot met een mix van ABBM (anorganic bovine bone mineral) in een 50/50 mix. Uit onderzoek hiervan is gebleken dat materiaal tot goede lange termijn resultaten leidt, zowel op histologisch als op klinisch vlak.

GBR is het meest toegepast in de posterior mandibula.

Er zijn twee verschillende membranen die gebruikt worden, namelijk de oplosbare membranen (meestal collageen) en de niet-oplosbare membranen (dienen verwijderd te worden).

Wanneer een niet oplosbaar membraan verwijderd wordt, moet extra worden opgelet op de volgende weefsels:

  1. Native (aangeboren) weefsel: Type I rondom de nervus mentalis
  2. Fibrotische periost: Type II
  3. Littekenweefsel: Type III

Conclusie

Bot augmentatie met GBR is veilig en voorspelbaar. Behandelingen zijn eenvoudig, herhaalbaar en biologisch stabiel. Het zijn eenvoudige behandelstrategieën (voor een ervaren behandelaar) met weinig complicaties en het is voorspelbaar ten opzichte van 20 jaar geleden.

Discussie

Voor horizontale defecten gebruikt Dr. Urban collageen membranen omdat volgens hem een titanium membraan het gecompliceerder maakt. Doordat een titanium membraan een tweede ingreep nodig heeft (verwijdering van het membraan), heeft het een hoger risico op complicaties. Eenvoudigere defecten moeten eenvoudiger worden opgelost. In GBR zijn het chirurgische uitgangspunt en de materiaalkeuze even belangrijk voor een goed eindresultaat.

Dr. Urban teaches implant dentistry in the graduate program at Loma Linda University. He is licensed in the state of California (USA) and has a private practice in Budapest, Hungary. Dr. Urban received his PhD degree in Periodontlogy in 2012 at the University of Szeged, Hungary. He is currently an honorary professor at the University of Szeged. Dr. Urban has published scientific articles and text book chapters on bone regeneration and soft tissue reconstructive surgery around dental implants.

Verslag door Nika Koolwijk, tandarts, van de lezing van Dr. Urban tijdens de EuroPerio Series van de European Federation of Periodontology (EFP).

 

 

Lees meer over: Implantologie, Parodontologie, Thema A-Z
Kunnen-we-gepersonaliseerde-zorg-gebruiken

Kunnen we gepersonaliseerde zorg gebruiken bij de behandeling van parodontale problemen?

De traditionele manier om ziekte te behandelen is niet-gepersonaliseerd. Onze huidige methode is evidence based. Deze is gebaseerd op gerandomiseerde klinische onderzoeken. Gepersonaliseerde zorg is precies het tegenovergestelde van de evidence based methode. Prof. Mariano Sanz vertelde tijdens zijn online lezing over de vraag of we gepersonaliseerde zorg bij parodontale problemen kunnen inzetten.

De eerste vraag die we hiervoor moeten beantwoorden is: ‘Wat is de gepersonaliseerde zorg?’

De traditionele manier om ziekte te behandelen is niet-gepersonaliseerd. Onze huidige methode is evidence based. Deze is gebaseerd op gerandomiseerde klinische onderzoeken, waarbij gerandomiseerd al aangeeft dat het niet gepersonaliseerd is. Middels de randomisatie worden juist de verschillen binnen een populatie gemaskeerd. Binnen deze studies wordt gekeken naar de effectiviteit van een behandeling op de gehele groep. Waarbij er dus vanuit gegaan wordt dat de behandeling hetzelfde effect heeft op alle personen van deze groep.

Gepersonaliseerde zorg is precies het tegenovergestelde van de evidence based methode.

Preventie

Preventie kan ook gepersonaliseerd worden. Hierbij willen we in een vroeg stadium de personen opsporen die vatbaar zijn voor een aandoening, voordat er sprake is van enige ziekte. Risicofactoren kunnen helpen deze personen op te sporen.

Diagnose

Het tweede aspect is het stellen van de diagnose. Hierbij moet bepaald worden wat deze persoon uniek maakt. Hierop kan de behandeling aangepast worden. Het stellen van de diagnose en bepalen van de juiste behandeling is sterk met elkaar verbonden.

Etiologische factoren en risicofactoren

Voor het bepalen van etiologische factoren en risicofactoren, is het van belang om te begrijpen hoe parodontitis zich ontwikkelt. Één van de manieren om parodontitis gepersonaliseerd te benaderen is door de samenstelling het microbioom van een patiënt te analyseren en hierop de behandeling te baseren. Het probleem van het bestuderen van het microbioom is dat we heel veel verschillende bacteriën vinden in de mond, waarvan we de rol en etiologie nog niet volledig kennen. Het hele microbioom is veel complexer dan we vroeger dachten.

Er zijn een aantal genetische risicofactoren bekend. In 1997 vonden we een interleukine-1beta genotype wat het risico op het ontstaan van parodontitis leek te verhogen. Helaas was slechts één afwijkend genotype niet voldoende om de vatbaarheid voor parodontitis te verklaren. Tegenwoordig hebben we de technologie om naar het hele genoom te kijken om hierbinnen genetische risicofactoren op te sporen. In een recent onderzoek werden acht risicogenen geïdentificeerd met een suggestieve associatie met vatbaarheid voor parodontitis.

Er zijn andere ziektes, zoals borstkanker, waarbij er een hogere polygene risico score is. Deze is samengesteld uit zowel genetische markers als de familiegeschiedenis en de klinische historie. Bij borstkanker kunnen we aan de hand van genetisch informatie redelijk goed bepalen of iemand een groter risico heeft op het krijgen van borstkanker. Bij parodontitis hebben we nog niet zo’n score. Bij de pathogenese van parodontitis lijkt de heftigheid van de ontstekingsreactie belangrijker dan de samenstelling van de biofilm.
Biomarkers zijn veelbelovende stofjes die ons een aanwijzingen geven dat de ziekte aan het ontstaan is, voordat de klinische symptomen zichtbaar zijn. Voorbeelden van biomarkers zijn MMP-8, IL-1b, ICTP. Vandaag de dag hebben we nog niet voldoende informatie om een gepersonaliseerde aanpak te maken aan de hand van deze biomarkers. Het is nodig om een combinatie te maken tussen deze biomarkers. Hiervoor is waarschijnlijk een algoritme nodig om alle informatie te bundelen.

De nieuwe classificatie

We hebben recent een nieuwe classificatie gekregen voor de behandeling van parodontitis met daarbij een nieuw stapsgewijs behandelprotocol. Dit protocol is nog steeds evidence based.

Aan de hand van de classificatie proberen we de behandeling wel meer gepersonaliseerd te maken. Er is op dit moment geen bewijs dat biomarkers kunnen helpen een meer gepersonaliseerde aanpak te creëren. Daarom is de mate van progressie leidend geworden in het opdelen van de patiënten. Dit maakt het individualiseren makkelijker. In de toekomst kunnen we met behulp van ‘big data acquisition’ en algoritmes nog verder personaliseren. Hiervoor hebben we klinische en radiologische informatie nodig die we samen voegen. Een voorbeeld waarbij al in enige mate gepersonaliseerd wordt, is bij het bepalen van de nazorg termijn. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in een hoog, gemiddeld en laag risico met de daarbij behorende nazorg periode.

Niet alleen onze manier van benaderen verandert, ook de patiënt verandert. Vroeger werd de patiënt met name door de professional van informatie voorzien, maar tegenwoordig zijn ze veel meer actief betrokken. Ze zoeken zelf informatie op het internet en zijn actief betrokken bij de behandeling.

Gepersonaliseerde zorg voor de behandeling van kanker

Tegenwoordig kunnen we zeer gerichte therapie voor kankercellen toepassen. Hierbij richt het medicijn zich op eiwitten op de celwand van de kankercel om ze op te sporen en te vernietigen. Helaas zijn deze eiwitten zijn soms ook aanwezig op de celwand van gezonde cellen. Er zullen hierbij dus ook eigen cellen aangevallen en opgeruimd worden met de daar bijbehorende bijwerkingen. Deze therapie is gepersonaliseerd: het is aangepast op het soort kankercel. Helaas is deze alleen niet precies genoeg, want ook onze eigen cellen worden vernietigd. Tegenwoordig is het mogelijk bij de behandeling van leukemie om de eigen cellen zo te modificeren dat zij het specifieke eiwit niet meer op hun celwand tot expressie brengen, waardoor de behandeling veel preciezer is en er minder bijwerkingen zijn.

Meer informatie nodig

Om goede algoritmes te maken voor gepersonaliseerde zorg is er meer informatie nodig. En niet zoals nu alleen informatie uit de universiteitsklinieken, maar juist ook informatie uit de reguliere praktijk.

Prof. Mariano Sanz is hoofd Parodontologie aan de Universiteit Complutense in Madrid. Ook is hij werkzaam bij de faculteit Odontologie aan de Universiteit van Oslo.

Verslag van de lezing van Prof dr. Mariano Sanz door Paulien Buijs, tandarts, tijdens de EuroPerio Series Single Session van de EFP.

Lees meer over: Congresverslagen, Kennis, Parodontologie, Thema A-Z
Medicijnen, pillen

Medicijnen tegen brandend maagzuur zorgen mogelijk voor minder ernstige parodontitis

Protonpompremmers (proton pump inhibitors, PPI’s) die worden ingenomen voor zuurgerelateerde gastro-intestinale aandoeningen zoals brandend maagzuur kunnen mogelijk de ernst van parodontitis verminderen. Een studie die is gepubliceerd in Clinical and Experiment Dental Research concludeert dat na verder onderzoek PPi’s potentieel kunnen hebben als aanvulling op parodontale therapie.

Top 10 voorgeschreven medicijnen

Dergelijke medicijnen behoren tot de tien meest voorgeschreven medicijnen in de VS. Ze worden gebruikt voor de behandeling van aandoeningen zoals zure reflux, gastro-oesofageale refluxziekte (GERD), maagzweren en Barrett-slokdarm. PPI’s verminderen de maagzuursecretie en kunnen het darmmicrobioom veranderen en bot aantasten.

Ontsteking door microben

Parodontitis wordt gekenmerkt door microbe-geassocieerde gastheer-gemedieerde ontsteking die resulteert in het verlies van parodontale hechting. Omdat PPI’s het darmmicrobioom kunnen veranderen en bot kunnen beïnvloeden speculeerden onderzoekers van de School of Dental Medicine van de University at Buffalo dat deze medicijnen de ontwikkeling van tandvleesaandoeningen kunnen beïnvloeden.

Retrospectieve studie

Het doel van het onderzoek was om uit te vinden of er een relatie is tussen protonpompremmers en parodontitis. Hiervoor voerden ze een retrospectieve analyse uit met behulp van de patiëntendossiers van ongeveer 650 patiënten van een facultaire parodontale praktijk. De patiënten die in de uiteindelijke analyse waren opgenomen rookten niet en hadden geen diabetes of andere systemische aandoeningen zoals een niet-thyroïde auto-immuunziekte.

Sonderingsdiepten vergelijken

De onderzoekers vergeleken het aandeel verhoogde sonderingsdiepten tussen mensen die PPI’s gebruikten en degenen die dat niet deden. Het aandeel verhoogde sonderingsdiepten werd gebruikt om de ernst van parodontitis te meten. 28 personen gebruikten protonpumpremmers, 621 deden dit niet. Bij de PPI-groep had 14% van de tanden een sonderingsdiepte van 6 mm vergeleken met 24% voor de patiënten zonder deze medicatie. Wanneer naar een sonderingsdiepte van 5 mm werd gekeken waren deze percentages 27% voor PPI’ers en 40% voor niet-PPI’ers.

Verband tussen PPI en parodontitis

“De resultaten suggereren dat er minder tanden met verhoogde sonderingsdieptes voorkomen bij patiënten die PPI’s gebruiken, in vergelijking met patiënten die geen PPI’s gebruiken, wat de hypothese ondersteunt van een verband tussen PPI en parodontitis”, schreven de auteurs.

Geen gegevens over dosering

Beperkingen van de studie waren het retrospectieve ontwerp, een gebrek aan gegevens over de dosering van de medicijnen en het gebruik van zelfgerapporteerde informatie over de medicatie van patiënten.

Meer onderzoek gepland

Om de rol van protonpompremmers in de pathogenese van parodontitis op te helderen, zijn verschillende prospectieve studies, gerandomiseerde klinische onderzoeken en dierstudies in een laboratorium gepland of begonnen door de onderzoekers. Zo hopen ze erachter te komen waardoor PPI’s van invloed zijn op en mogelijk gebruikt kunnen worden bij de behandeling van parodontitis.

Potentiële aanvullende therapie

“Potentieel kan niet-chirurgische parodontale therapie in combinatie met kortdurend gebruik van PPI’s worden beschouwd als toekomstige aanvullende therapie die op een manier die vergelijkbaar is met het gebruik van NSAID’s [niet-steroïde anti-inflammatoire geneesmiddelen] en lokale antimicrobiële toediening”, aldus de auteurs.

Bron:
Clinical and Experimental Dental Research

 

 

Lees meer over: Parodontologie, Thema A-Z
Probiotica in de paropraktijk

Probiotica in de paropraktijk

Probiotica, je kan er tegenwoordig niet meer omheen: van de melkproducten voor een gezonde darmflora tot schoonheidsproducten. Ook in de tandheelkunde neemt de populariteit van probiotische producten toe. Maar bevorderen die probiotica nu echt de mondgezondheid van onze patiënten? Verslag van lezing van dr. Isabelle Laleman, parodontoloog en onderzoeker.

Uit een kleine peiling bij de aanwezigen in de zaal blijkt 25% probiotica in te zetten bij de behandeling tegen parodontitis terwijl bijna alle bezoekers wel eens antibiotica gebruiken als adjunct. De enige richtlijn die voor zover de spreker weet beschikbaar is over het gebruik van probiotica in de tandheelkunde, is de richtlijn van de European Federation of Periodontology. Deze richtlijn geeft echter aan dat er onvoldoende bewijs is om probiotica te gebruiken als adjunct bij de niet-chirurgische therapie van parodontitis. Deze richtlijn is gebaseerd op een systematische review die vijf studies includeerde. De heterogeniteit tussen deze individuele studies is zo groot (o.a. verschillende probiotische producten, verschillende behandelduur, …) dat we ons kunnen afvragen of we deze zo maar op één hoop kunnen gooien. Niet elk probiotisch product heeft immers hetzelfde effect.

L. reuteri Prodentis

In deze presentatie werd er dan ook gefocust op één probiotisch product: L. reuteri Prodentis. Bij onderzoek van deze probiotica trad na 3 maanden 0,5mm meer pocketreductie op in dan in de controlegroep. Dit is een significant verschil. Een gemiddelde pocketreductie zegt echter niet zoveel. Je kunt je afvragen wat dit nu betekent in de praktijk. Als men het vergelijkt met studies die het gebruik van systemisch antibiotica onderzoeken, blijkt dit effect vergelijkbaar. Studies van goede kwaliteit die een directe vergelijking maken tussen probiotica en antibiotica zijn echter niet beschikbaar op dit moment. Een voordeel van L. reuteri Prodentis is dat er geen bijwerkingen gekend zijn en dit product waarschijnlijk ook een goede bijdrage aan het immuunsysteem geeft in tegenstelling tot antibiotica.

Moment van probioticum gebruik

Naast het additionale effect dat probiotica hebben bij initiële niet-chirurgische behandeling, blijkt L. reuteri Prodentis ook een meerwaarde te hebben bij herinstrumentatie ten opzichte van placebo.

L. reuteri Prodentis blijkt dus een interessant adjunct voor de niet-chirurgische parodontale therapie. In de studies die dit product onderzochten, werden nooit belangrijke bijwerkingen gerapporteerd. Echter gebaseerd op studies met andere probiotica voor andere toepassingen, blijft voorzichtigheid geboden voor het gebruik van probiotica in immuungecompromiteerde patiënten en patiënten met aangeboren hartafwijkingen.

Dr. Isabelle Laleman is parodontoloog en onderzoeker, (België). Ze is gepassioneerd door tandvlees (problemen), halitose en innovaties in de mondzorg. Momenteel werkt ze parttime in een privépraktijk in Leuven en parttime als chef de clinique op de afdeling parodontologie in het universitair ziekenhuis in Luik, waar ze zich bezighoudt met onderzoek en onderwijs.

Verslag door Lieneke Steverink-Jorna, mondhygiënist, voor dental INFO van de lezing van dr. Isabelle Laleman tijdens het NVvP congres April Fools, daily rules.

 

 

Lees meer over: Congresverslagen, Kennis, Parodontologie, Thema A-Z
Poster Biomarkers voor parodontitis bij patiënten met diabetes mellitus type 2

Poster: Biomarkers voor parodontitis bij patiënten met diabetes mellitus type 2

Literatuuronderzoek waarbij een systematisch overzicht werd gemaakt van mogelijke biomarkers in speeksel en de gingivale creviculaire vloeistof voor het signaleren van parodontitis door niet-mondzorgprofessionals bij patiënten met diabetes mellitus type 2.

Onderzoeksmethode

Voor deze literatuurstudie werden in- en exclusiecriteria opgesteld en aan de hand hiervan is op systematische wijze gezocht in de databanken Dentistry & Oral Sciences (EBSCO) en Pubmed (MEDLINE). Daarnaast is de sneeuwbalmethode toegepast. De studies werden afzonderlijk door de onderzoekers gescreend op titel en abstract en op full tekst. De studies werden vervolgens beoordeeld op methodologische kwaliteit volgens de beoordelingsformulieren van het Joanna Briggs Institute. De resultaten van de geïncludeerde studies werden uiteengezet in een evidence-tabel en de studies werden beoordeeld op inhoud, homogeniteit en heterogeniteit. De geïncludeerde studies werden ingedeeld onder de subgroep biomarkers in speeksel en de subgroep biomarkers in GCF. Tot slot werden conclusies getrokken en werd de mate van bewijs vastgesteld.

Resultaten

Uit de zoekopdrachten werden 101 unieke studies geïdentificeerd, waarvan acht cross-sectionele en drie case control studies als potentiële studies overbleven na het screenen op titel en abstract en full tekst. Na het beoordelen op methodologische kwaliteit bleven er zes studies over die werden geïncludeerd in dit onderzoek. Vier studies hadden een cross-sectioneel onderzoeksdesign en kregen een mate van bewijs C toegekend. De overige twee studies waren cases control studies en werden beoordeeld met een mate van bewijs B.

Uit deze studies blijkt dat IL-1β, IL-6, MMP-8 en MiRNA-146a in speeksel en IL-34 en TNF-α in GCF een significant verhoging en sRAGE in GCF een significante verlaging presenteren tussen T2DM-patiënten met en zonder CP (P≤0.048).

Klik hier voor een vergrote versie van de poster

Conclusie

Het huidige onderzoek geeft aanwijzingen dat de biomarkers IL-1β, IL-6, MMP-8 en MiRNA-146a in speeksel en IL-34, sRAGE en TNF-α in GCF potentieel gebruikt kunnen worden om parodontitis te signaleren bij patiënten met T2DM. Omdat het afnemen van samples uit GCF complex is voor niet-mondzorgprofessionals, wordt de afname uit speeksel geadviseerd. Er is meer kwantitatief onderzoek nodig om na te gaan of sets van biomarkers de diagnostische accuratesse verhogen.

Poster ontwikkeld door:
Celeste Beerthuizen en Nadine Qualm, Hogeschool Utrecht.
Afstudeerbegeleider: dr. Liesbeth Haverkort

Bekijk ook andere posters ontwikkeld door studenten Mondzorgkunde
Deze posters werden beoordeeld met een cijfer 7 of hoger en zijn een selectie uit de gemaakte posters die interessant zijn voor werkzame mondhygiënisten.

 

 

Lees meer over: Parodontologie, Thema A-Z